RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12326720 \ CV EXPL 26-3939
Vonnis in kort geding van 19 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING WELLER WONEN,
te Heerlen,
eisende partij,
hierna te noemen: Weller,
gemachtigde: mr. R.W. Janssen,
tegen
[huurder] ,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder],
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 12,- de mondelinge behandeling van 10 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [huurder] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Tegen [huurder] is verstek verleend.
2. De feiten
Weller verhuurt met ingang van 1 november 2016 aan [huurder] een woning aan [adres] (hierna: de woning).
De woning bevindt zich in een complex dat op korte termijn zal worden gesloopt. Aan de bewoners is verzocht vrijwillig mee te werken aan de beëindiging van de huurovereenkomst en verhuizing naar vervangende woonruimte.
Op 18 december 2025 heeft [huurder] de huur schriftelijk opgezegd. De huurovereenkomst eindigt per 31 augustus 2026.
Bij brief van 17 maart 2026 heeft Weller [huurder] erop gewezen dat hij tot en met maart 2026 heeft om zijn voorkeurswoning aan Weller door te geven. Een reactie van [huurder] is uitgebleven.
Bij brief van 10 april 2026 heeft Weller een woning aan [huurder] toebedeeld en is hem de gelegenheid geboden om de nieuwe woning te bezichtigen.
Bij brief van 29 april 2026 heeft de gemachtigde van Weller [huurder] verzocht om uiterlijk 12 mei 2026 schriftelijk te bevestigen dat hij de woning op 31 augustus 2026 zal hebben ontruimd. [huurder] heeft hierop niet gereageerd.
Bij e-mail van 4 juni 2026 heeft Weller [huurder] nogmaals de mogelijkheid geboden om de nieuwe woning te bezichtigen. [huurder] heeft hierop niet gereageerd en is ook niet naar de bezichtiging gekomen.
Bij brief van 17 juli 2026 heeft de gemachtigde van Weller [huurder] gesommeerd om uiterlijk op 22 juli 2026 schriftelijk te bevestigen dat de woning op 31 augustus 2026 zal zijn ontruimd. Een reactie van [huurder] is uitgebleven.
3. Het geschil
Weller vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [huurder] te veroordelen om per 1 september 2026, Weller in het vrije bezit te stellen van de woning aan [adres], en wel door deze woning geheel ontruimd, vrij van gebruik en gebruiksrechten, behoorlijk schoongemaakt aan Weller op te leveren, zulks met machtiging aan Weller bij gebreke van volledige voldoening hieraan deze verlating en ontruiming en dit vervolgens verlaten en ontruimd houdend zelf te bewerkstelligen op kosten van [huurder] en [huurder] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Weller legt – kort gezegd – aan de vordering het volgende ten grondslag. De huurovereenkomst eindigt op 31 augustus 2026. Het is aannemelijk dat [huurder] de woning niet zal verlaten. Weller kan dan niet over de woning beschikken en niet overgaan tot de sloop van het complex waarin de woning is gelegen. Zij is daarom (nu de sloop nadert) bevoegd en gerechtigd om ontruiming van de woning te vorderen.
4. De beoordeling
Verstekverlening
Uit het originele dagvaardingsexploot blijkt dat [huurder] op correcte wijze is opgeroepen voor de mondelinge behandeling. [huurder] heeft geen verweerschrift ingediend en is niet op de mondelinge behandeling verschenen. De kantonrechter heeft ook geen ander bericht van [huurder] ontvangen. Nu de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, wordt tegen [huurder] verstek verleend.
Ontruiming
In dit kort geding moet de vraag worden beantwoord of de gevorderde ontruiming toewijsbaar is. Een vordering tot ontruiming is een vergaande vordering, die in de praktijk vaak een definitief karakter zal hebben. Daarom is een vordering tot ontruiming in kort geding alleen toewijsbaar als met grote mate van waarschijnlijkheid is te voorzien dat de vordering ook in een bodemprocedure toewijsbaar zal zijn. Bovendien moet sprake zijn van zodanig spoedeisend belang dat een beslissing in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Aan deze vereisten is in dit geval voldaan. De kantonrechter overweegt als volgt.
De kantonrechter acht aannemelijk dat [huurder] geen medewerking zal verlenen tot de ontruiming van de woning. Weller heeft herhaaldelijk geprobeerd om met [huurder] in contact te komen, maar een reactie van [huurder] blijft uit. Daarnaast heeft [huurder] geen voorkeurswoning doorgegeven, is hij niet verschenen bij de tweede bezichtiging van de nieuwe woning en heeft hij geen gehoor gegeven aan de sommatie. Indien [huurder] de woning niet verlaat, kan Weller niet op korte termijn overgaan tot de sloop van het complex waarin de woning is gelegen en zal zij op praktische en financiële problemen stuiten. Daarentegen is voor [huurder] (nieuwe) woonruimte reeds beschikbaar. Daarmee is het (spoedeisend) belang van Weller bij die vordering in voldoende mate gegeven. Weller is dan ook ontvankelijk in haar vordering.
Uit de overgelegde en onweersproken stukken blijkt dat [huurder] schriftelijk akkoord is gegaan met beëindiging van de huur per 31 augustus 2026. Indien [huurder] vanaf dat moment de woning niet verlaat, verblijft hij in de woning zonder recht of titel. De kantonrechter acht op grond van het bovenstaande dan ook aannemelijk dat de gevorderde ontruiming ook in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
De kantonrechter heeft aan de hand van de stukken vastgesteld dat er geen minderjarige kinderen in de woning verblijven.
Op basis van het voorgaande zal de vordering tot ontruiming worden toegewezen. De kantonrechter bepaalt de ontruimingstermijn op 1 september 2026.
De vordering van Weller haar te machtigen zo nodig zelf de ontruiming te doen bewerkstelligen, zal worden afgewezen. De gedwongen ontruiming kan uitsluitend geschieden door een deurwaarder. Een machtiging daartoe is bovendien niet vereist omdat de bevoegdheid van de deurwaarder voortvloeit uit de wet.
Proces- en nakosten
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Weller worden begroot op:
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
860,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [huurder] om per 1 september 2026 de woning aan [adres] te ontruimen en behoorlijk schoongemaakt, onder afgifte van alle sleutels, aan Weller op te leveren,
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 860,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [huurder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.