RECHTBANK LIMBURG
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Maastricht
Zaaknummer: C/03/354325 / JE RK 26-1315
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over afwijzing van een verzoek ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
hierna te noemen: de raad,
gevestigd in Maastricht,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
gezamenlijk ook te noemen: de ouders.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- twee vertegenwoordigsters van de raad.
De ouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt.
2. De feiten
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gedurende het huwelijk van de ouders geboren.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de ouders.
3. Het verzoek
De raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter onderbouwing van het verzoek stelt de raad dat er sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat beide kinderen onvoldoende sturing en begrenzing krijgen geboden waardoor zij onregelmatig naar school gaan en beide kinderen meer cognitieve capaciteiten hebben dan tot uiting komt op hun scholen. [minderjarige 1] komt regelmatig in de problemen met leeftijdsgenoten en hij begeeft zich in risicovolle situaties. [minderjarige 1] gebruikt regelmatig cannabis in de thuissituatie, wat hem wellicht belemmert in zijn dagelijks leven. Daarnaast hebben beide kinderen meegemaakt dat hun ouders een “overdosis” hebben genomen waarbij er onvoldoende oog is geweest voor de verwerking van deze traumatische ervaring hetgeen terug te zien is in een gesloten houding die [minderjarige 2] heeft aangenomen op school. Daarnaast ziet de raad dat beide kinderen van de ouders een verkeerd voorbeeld krijgen over hoe inkomsten op een eerlijke manier gerealiseerd moeten worden omdat de ouders veelvuldig met politie en justitie in aanraking komen en de kinderen dit allemaal meekrijgen waardoor dit voor hen de normaalste zaak van de wereld lijkt.
De ouders zijn op dit moment onvoldoende bereid en/of in staat onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren, doordat de ouders onvoldoende in staat zijn gebleken om zicht te houden op en zich te verplaatsen in de belevingswereld van de kinderen en hierbij aan te sluiten en de benodigde sturing en begrenzing te bieden. De ouders laten zien geen enkel probleeminzicht te hebben waarbij ze geen zorgen erkennen en zich beperken tot het niet open stellen voor hulpverlening, waarbij de vader zich helemaal terugtrekt, ook tijdens het raadsonderzoek. Daarnaast worden de ouders dusdanig in beslag genomen door hun eigen problematiek dat hun draagkracht overschreden is en ze weinig energie over hebben om te investeren in de opvoeding van de kinderen.
De raad verzoekt om een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. Dit is een passende termijn, omdat de huidige situatie reeds lange tijd bestaat en de raad van mening is dat deze termijn nodig is om tot een samenwerkingsrelatie met de ouders te komen en daadwerkelijk aan doelen te kunnen werken.
Ter zitting handhaaft de raad het verzoek. Beide ouders nemen hun verantwoordelijkheid niet en begrenzen de kinderen onvoldoende zodat de kinderen op meerdere leefgebieden vastlopen. De moeder heeft weliswaar positieve stappen gezet maar nog steeds is het schoolverzuim, zij het in mindere mate, bij [minderjarige 1] aanwezig. [minderjarige 1] begeeft zich nog steeds in risicovolle situaties. [minderjarige 1] blowt waar de ouders aan meedoen. De moeder laat zich meer zien maar niet is gebleken dat zij inzet op sturing en opvoeding van de kinderen. Bij [minderjarige 2] lijkt een gedragsverandering te hebben plaatsgevonden na het overmatig drugsgebruik van de ouders in de thuissituatie waar beide kinderen mee zijn geconfronteerd. [minderjarige 2] heeft daardoor traumatische ervaringen meegemaakt. School ziet dat het gedrag van [minderjarige 2] is veranderd maar ook dat [minderjarige 2] vaker wordt afgemeld voor school. Zij voelt zich vaak niet goed maar [minderjarige 2] wil de ouders daar niet mee belasten. Ondanks dat de ouders gewezen worden op de problematiek, lukt het hun niet daar mee aan de slag te gaan. De zorgen zitten dan ook bij de ouders die het onvoldoende lukt de kinderen te begrenzen en te bieden wat nodig is. Dat is hen wel gelukt in de periode dat [hulpverlening 1] bij het gezin betrokken was. Tijdens het raadsonderzoek is geprobeerd de band met [hulpverlening 1] aan te halen, maar vervolgens lukt het de ouders niet om met [hulpverlening 1] verder te gaan. De ouders hebben hulp nodig bij de opvoedondersteuning en dat lukt niet in het vrijwillig kader.
4. De standpunten
De ouders hebben geen verweer gevoerd.
5. De beoordeling
De kinderrechter is, gelet op de stukken en de behandeling ter zitting, dat het verzoek moet worden afgewezen. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.
De moeder heeft duidelijk verklaard over het “overdosis” incident dat zij er niets trots op is dat dit is gebeurd en dat ze het er eigenlijk liever niet meer over heeft. Ze is erg geschrokken dat ze plotseling in het ziekenhuis wakker werd zonder zich te kunnen herinneren wat er gebeurd was. Vooraf had ze met de vader niet nagedacht over hun verminderde beschikbaarheid voor de kinderen op het moment dat ze de GHB zouden nemen. De kinderen lagen immers in bed en sliepen, wat voor de ouders voldoende geruststellend was.
Uit het onderzoek van de raad, de schoolmaatschappelijk werker van [hulpverlening 1] , komt naar voren dat met name [minderjarige 2] wel degelijk met dit incident in de thuissituatie in haar hoofd zit en behoefte heeft om haar gevoelens en emoties te kunnen bespreken. Dat volgt ook uit de verklaring van de intern begeleider van de basisschool van [minderjarige 2] . Gelukkig is daar voor [minderjarige 2] , zo begrijpt de kinderrechter met instemming van de moeder, sinds enige tijd ook aandacht en hulp voor. Immers, [hulpverlening 1] is betrokken voor ondersteuning op school. Er worden kindgesprekken met [minderjarige 2] gevoerd gericht op haar sociaal-emotionele ontwikkeling en op het versterken van haar weerbaarheid op school. Dat laatste houdt verband met het feit dat [minderjarige 2] nog al eens betrokken raakt bij conflicten op school waarna het [minderjarige 2] niet goed lukte om hier weer uit te komen. [minderjarige 2] krijgt handvatten aangeboden hoe hiermee om te gaan. Voor [minderjarige 2] is de medewerker van [hulpverlening 1] ook een soort vertrouwenspersoon geworden.
Verder meldt school dat de moeder goed bereikbaar is en dat zij afspraken met school goed nakomt. Verder rapporteert school niet dat er zorgen zijn over de aanwezigheid van [minderjarige 2] op school en in verband daarmee dat de cognitieve capaciteiten van [minderjarige 2] onvoldoende worden gebruikt en daarmee haar talenten onvoldoende uit de verf komen.
De kinderrechter concludeert dat er wel degelijk met instemming van de moeder aandacht is voor het genoemde incident maar ook voor andere aspecten in het leven van [minderjarige 2] en met het de hulp van [hulpverlening 1] wordt gewerkt aan het versterken van de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige 2] . De kinderrechter vertrouwt erop dat deze hulp voor [minderjarige 2] wordt voortgezet en dat de ouders, indien [hulpverlening 1] en/of school zouden aangeven dat specifiekere hulp voor [minderjarige 2] nodig is, zij daaraan hun medewerking geven.
Die verwachting is ook gebaseerd op het volgende. [hulpverlening 1] is eerder, in de zomervakantie 2025 tot 16 oktober 2025 betrokken geraakt bij het gezin nadat [hulpverlening 2] in het gezin was afgesloten. [hulpverlening 1] heeft in die periode welwillende en meewerkende ouders gezien. Er waren veiligheidsafspraken met de ouders te maken, zij hebben hun dagstructuur gewijzigd, hebben gezien dat de ouders in staat zijn om adviezen ter harte te nemen en opdrachten uit te voeren. [hulpverlening 1] heeft ook aangegeven dat het gezin zich tot op heden op hun eigen manier weet te redden. Er is veel liefde in het gezin, een warme band tussen de ouders en kinderen en, zo geeft [hulpverlening 1] als mening ten beste “dat het gezin er wel komt”.
De school van [minderjarige 1] heeft aangegeven dat er nu een stuk minder verzuim is en dat [minderjarige 1] daar zelf voor heeft gezorgd. Hij gaat altijd op een respectvolle wijze in gesprek met het onderwijspersoneel. De moeder is beter bereikbaar en verschijnt op gesprekken die nodig zijn op school. De school heeft nog zeker zorgen over [minderjarige 1] . Hij is bij veel conflicten op school betrokken en heeft niet door dat hij zich in situaties bevindt die een groter risico geven op het ontstaan van de conflicten. Hij kan zich daardoor op eens midden in een conflict bevinden waarbij hij in korte tijd van 0 naar 100 kan gaan door verbaal en fysiek geweld van zijn kant. Hij wordt soms geschorst of durft met momenten niet naar school te komen. De moeder lijkt volgens de kinderrechter niet goed te zien dat [minderjarige 1] individueel hulp nodig heeft om te leren hoe je uit de conflicten blijft en als je er toch midden in belandt, hoe daar zonder problemen uit te komen. Immers, de moeder zegt wel teleurgesteld te zijn in [minderjarige 1] en “dat ouders door hem in de problemen komen” maar daarmee is [minderjarige 1] niet geholpen. Ook zijn motivatie op de stageplek is onvoldoende en ook daar speelt er verzuim van [minderjarige 1] . Net zoals de moeder het voor [minderjarige 2] goed vindt, zou het volgens de kinderrechter goed zijn voor [minderjarige 1] als hij individuele gesprekken krijgt op school met een hulpverlener van [hulpverlening 1] of school maatschappelijk werk die aandacht heeft voor zijn zwakke punten en hem helpt deze met concrete acties en adviezen te versterken.
De kinderrechter vertrouwt erop dat de moeder en [minderjarige 1] daarvoor openstaan omdat op deze wijze de talenten van [minderjarige 1] het beste uit de verf kunnen komen. De ouders hebben laten zien dat zij met [hulpverlening 1] goed kunnen samenwerken en de moeder weet de weg om met [hulpverlening 1] in contact te komen omdat [hulpverlening 1] al contact heeft met [minderjarige 2] . De moeder heeft ook verklaard dat de ouders hem wel degelijk stimuleren naar school te gaan en hem motiveren om naar een nieuwe stageplek te gaan zodat hij een BBL opleiding kan gaan volgen.
Dat ouders de kinderen een verkeerd voorbeeld geven over hoe je je geld verdient, is gebaseerd op het herhaald aangemerkt zijn als verdachten ter zake fraude met online handel. De moeder heeft hierover concreet verklaard dat beiden recent zijn veroordeeld, dat ze in afwachting zijn van contact met de reclassering voor het uitvoeren van een taakstraf en dat de vader inmiddels is gestopt met oplichtingspraktijken. Kennelijk heeft daarbij meegespeeld dat als gevolg van de oplichting ouders 2 maanden geen uitkering hebben gehad. Kortom, de kinderrechter neemt aan dat ouders hun lesje hebben geleerd en de recente veroordeling zien als het sluitstuk van dergelijke oplichtingspraktijken. Daarmee weegt dit punt voor de kinderrechter niet meer mee bij de beoordeling van het verzoek van de raad.
De slotsom is dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat er bij beide kinderen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging zodat het verzoek wordt afgewezen.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Frénay, kinderrechter, in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026 en schriftelijk vastgelegd op 19 augustus 2026 in aanwezigheid van Franssen-Peeters als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.