RECHTBANK Limburg
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/353677 / KG ZA 26-256
Vonnis in kort geding van 12 augustus 2026
in de zaak van:
[de man] ,
wonend in [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. W. Wijnands, kantoorhoudend in Heerlen ,
tegen:
[de vrouw] ,
wonend op een geheim adres binnen het arrondissement Limburg,
gedaagde,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.S. Kerkhof-Pöttger, kantoorhoudend in Zoetermeer.
1. De procedure
De man heeft de vrouw op 8 juli 2026 gedagvaard in kort geding.
De vrouw heeft op 20 juli 2026 een conclusie van antwoord ingediend.
De man heeft op 24 juli 2026 nadere producties met toelichting ingediend.
Op 29 juli 2026 is de zaak op zitting behandeld.
Verschenen zijn:
de advocaat van de man;
de vrouw, bijgestaan door [persoon 1] , vervangend voor mr. Kerkhof-Pöttger.
De man is telefonisch bij de zitting aangesloten.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
2. De feiten
Uit de inmiddels beëindigde relatie tussen partijen zijn geboren de thans nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De man heeft beide kinderen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
Op 20 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden van een door de man aanhangig gemaakt kort geding teneinde het contact met de kinderen te herstellen. Tijdens deze mondelinge behandeling hebben partijen afspraken gemaakt, welke zijn vastgelegd in een proces-verbaal. Dit betreffen de volgende afspraken:
de ouders spreken met elkaar af dat zij het bij [hulpverlening] ingezette hulpverleningstraject zullen voortzetten en committeren zich om zich maximaal in te zetten voor een goed verloop en goede afronding van dit traject;
de ouders erkennen het recht op veilig contact van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met beide ouders en realiseren zich dat onbegeleid contact tussen kinderen en ouders het uitgangspunt in wetten en verdragen is. Daarom zullen de ouders zich in het kader van voornoemd hulpverleningstraject met de hulpverleners verstaan over de mogelijkheid van contactherstel tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waarbij de regie over de frequentie, de duur en de invulling en eventueel de begeleiding van de contacten en de evaluatie daarvan met de ouders aan de hulpverleners wordt overgelaten;
de ouders spreken af dat zij in samenspraak zo spoedig mogelijk een bodemprocedure zullen starten en zullen in dat kader een procesafspraak maken, inhoudende dat de rechtbank wordt verzocht om direct en zonder mondelinge behandeling (onder voorbehoud van de standpunten van de ouders in ruimste zin) een raadsonderzoek te gelasten naar de vraag over welke zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het meest in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is.
3. Het geschil
De man vordert de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de vrouw te veroordelen tot nakoming van de tussen partijen op 20 maart 2026 gemaakte afspraken, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in het kort geding van die datum, in die zin dat zij haar volledige medewerking dient te verlenen aan de uitvoering van het door de betrokken hulpverlening geadviseerde traject inzake de opbouw en uitbreiding van de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige kinderen;
de vrouw te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis uitvoering te geven aan het gevorderde en daaraan volledige medewerking te verlenen;
de vrouw te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag, of gedeelte daarvan, dat zij in gebreke blijft met de (volledige) nakoming van het gevorderde, met een maximum van € 10.000,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom.
De vrouw voert verweer en vordert de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
- de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen;
subsidiair
- de vorderingen van de man af te wijzen;
meer subsidiair
- iedere beslissing omtrent verdere uitbreiding van de omgang, waaronder een overnachting, aan te houden in afwachting van de beslissing in de bodemprocedure en/of een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming;
in alle gevallen
de gevorderde dwangsom af te wijzen;
de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij die eigen kosten draagt.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Spoedeisend belang
De man stelt dat spoedeisendheid van de vordering uit de aard van de zaak volgt. Tussen partijen bestaat geruime tijd een geschil over de zorgregeling, waarbij het contact tussen de man en de kinderen opnieuw dreigt te stagneren doordat de vrouw weigert uitvoering te geven aan de tussen partijen gemaakte afspraken en het door de hulpverlening geadviseerde traject. Het is in het belang van de kinderen dat er op korte termijn duidelijkheid bestaat. De opbouw van het contact moet zonder verdere vertraging worden voortgezet.
De vrouw stelt dat de man niet-ontvankelijk is, omdat er een gebrek is aan spoedeisend belang. De vraag over de invulling van de zorgregeling ligt reeds ter beoordeling voor in de tussen partijen aanhangige bodemprocedure. In die procedure heeft de vrouw verzocht om een raadsonderzoek. De beoordeling van de zorgregeling en de belangen van de kinderen behoren daarom in die procedure plaats te vinden. Bovendien is er geen sprake van een nieuwe of acute situatie die een onmiddellijke voorziening in kort geding noodzakelijk maakt. Partijen verschillen al langere tijd van mening over het tempo van de uitbreiding van de zorgregeling en worden daarbij begeleid door hulpverlening. Verder blijkt uit de correspondentie van de gemeente van 8 juli 2026 dat het contact tussen de man en de kinderen reeds wordt uitgebreid en dat hierover concrete afspraken zijn gemaakt. Er is dan ook geen sprake van een situatie waarin de vrouw dit contact tegenhoudt.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang. Partijen hebben in het proces-verbaal van 20 maart 2026 onder andere ermee ingestemd dat de regie over de frequentie, de duur en de invulling en eventueel de begeleiding van de contacten en de evaluatie daarvan met partijen aan de hulpverleners wordt overgelaten. De hulpverlening heeft een uitbreiding van de zorgregeling voorgesteld en de vrouw is daarmee niet akkoord gegaan. Feitelijk heeft zij zich dus niet gehouden aan de gemaakte afspraken in het proces-verbaal van 20 maart 2026, hetgeen de man ontvankelijk maakt in zijn vorderingen in kort geding.
Nakomen proces-verbaal van 20 maart 2026 met dwangsom
Geschillen over de uitoefening van gezamenlijk gezag – zoals het onderhavige geschil over de zorgregeling – kunnen aan de rechter worden voorgelegd op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijke Wetboek (BW). De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt, met dien verstande dat in kort geding slechts ordemaatregelen getroffen kunnen worden totdat in een tussen de ouders nog aanhangig te maken bodemprocedure is beslist.
Op grond van het vijfde lid van artikel 1:253a BW neemt de rechter de beslissing niet nadat een vergelijk tussen de ouders is beproefd. De voorzieningenrechter zal hetgeen de ouders vorderen beoordelen, omdat een vergelijk tussen de ouders tijdens de mondelinge behandeling niet mogelijk is gebleken.
Ter onderbouwing van zijn vorderingen stelt de man samengevat het volgende. Naar aanleiding van de tussen partijen gemaakte afspraken, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van 20 maart 2026, is het hulpverleningstraject voortgezet. Het contact tussen de man en de kinderen is onder begeleiding zeer beperkt hervat en vervolgens stapsgewijs uitgebreid onder regie van de betrokken hulpverlening. De uitbreiding is steeds goed verlopen. De vrouw heeft tegelijkertijd een verzoekschrift ingediend tot beëindiging van de zorgregeling tussen de man en de kinderen. Op 9 juni 2026 heeft een evaluatiemoment plaatsgevonden tussen partijen en hulpverlening. De hulpverlening adviseerde dat de kinderen wekelijks vanaf dinsdag na schooltijd tot woensdag om 16.30 uur bij de man zouden verblijven, inclusief een overnachting bij de man, alsmede een uitbreiding van het contactmoment op de zondag van 10.00 uur tot 14.00 uur. De vrouw kon zich met dit advies niet verenigen, omdat ze een overnachting te vroeg vond. Als gevolg daarvan heeft de hulpverlening medegedeeld dat de uitbreiding van het contact geen doorgang zal vinden en dat de bestaande zorgregeling voorlopig ongewijzigd blijft. De man heeft zich tot de hulpverlening gewend, omdat partijen juist hadden afgesproken dat de hulpverlening de regie zou voeren over de opbouw van het contact. Door het uitblijven van de medewerking van de vrouw, loopt het traject verdere vertraging op. Omdat de hulpverlening in het vrijwillige kader is opgestart, bestaan er geen mogelijkheden de vrouw te dwingen tot naleving van het uitgebrachte advies. De kinderen zijn gebaat bij een onbelast contact met beide ouders. Het voortdurend uitstellen van de door de hulpverlening noodzakelijk geachte uitbreidingen vergroot het risico dat de band tussen de man en de kinderen verder wordt verzwakt en dat de kinderen steeds meer vervreemden van de man. Dat is niet in het belang van de kinderen. De man maakt zich zorgen over de invloed die de vrouw uitoefent op de beeldvorming van de kinderen ten aanzien van de man. De zorgen die de vrouw over de kinderen uit, zijn de eenzijdige woorden van de vrouw. De man leest deze zorgen en signalen niet terug in de hulpverleningsverslagen. Ook is de man niet op de hoogte van het therapietraject van [minderjarige 1] . In de optiek van de man is er geen sprake geweest van automutilatie bij [minderjarige 1] . De vrouw houdt momenteel de kinderen bij de man weg. [hulpverlening] is degene die de contacten bepaalt. Dat zijn professionals die niet alleen het verhaal van de vrouw aanhoren maar die ook kijken naar hoe het met de kinderen gaat als ze bij de vrouw en bij de man zijn. [hulpverlening] heeft objectief bepaald dat het contact kan worden uitgebreid. Van de man kan niet worden verwacht dat hij de bodemprocedure afwacht. Gelet op het feit dat de vrouw weigert uitvoering te geven aan het meest recente advies van de betrokken hulpverlening, acht de man het noodzakelijk dat aan zijn vordering een dwangsom wordt verbonden.
Ter onderbouwing van het verweer stelt de vrouw het volgende. De strekking van het proces-verbaal van 20 maart 2026 was juist dat de problematiek rondom de zorgregeling zich niet leent voor een definitieve beoordeling in kort geding. De vrouw heeft vervolgens een bodemprocedure aanhangig gemaakt. In die procedure heeft zij onder meer verzocht om opschorting dan wel wijziging van de zorgregeling en om een raadsonderzoek. De vrouw heeft niet geweigerd om het contact tussen de man en de kinderen uit te breiden. Ze heeft alleen aangegeven dat een overnachting op dat moment te snel was. Daarom heeft ze een tegenvoorstel gedaan, namelijk uitbreiding van het contact in extra tijd, maar zonder directe overnachting. Dat voorstel heeft de man niet geaccepteerd. De vrouw heeft ernstige zorgen over het welzijn van de kinderen. Vanaf de eerste onbegeleide contactmomenten heeft zij de hulpverlening consequent geïnformeerd over de signalen die de kinderen na afloop lieten zien. Deze signalen betroffen onder andere langdurige ontregeling, woede-uitbarstingen, lichamelijke stressklachten, slaapproblemen, nachtmerries, extreme aanhankelijkheid, bedplassen, uitspraken over angst en spanning rondom de man, automutilatie bij [minderjarige 1] en later ook suïcidale uitingen. Deze signalen deden zich niet tijdens het contactmoment voor, maar juist als de kinderen weer bij de vrouw waren. Dit heeft ze steeds aan de hulpverlening, de gemeente en de school gemeld. Duidelijk is dat sprake is van een ernstig en structureel patroon van zorgen dat niet kan worden genegeerd bij de beoordeling van de vraag of een verdere uitbreiding van het contact, in het bijzonder een overnachting, op dit moment in het belang van de kinderen is. Juist de lopende bodemprocedure en het beoogde raadsonderzoek zijn daarvoor de aangewezen route. Tot die tijd dient behoedzaam te worden omgegaan met verdere uitbreiding van het contact en dient het tempo te worden afgestemd op de draagkracht van de kinderen. De vrouw wil de kinderen niet bij de man weghouden, maar vraagt zich af of omgang momenteel überhaupt in het belang van de kinderen is. De kinderen ervaren spanningen na contact met de man. Er dient eerst een onderzoek te komen naar de signalen die de kinderen afgeven. De kinderen geven aan dat mentaal geweld heeft plaatsgevonden. [minderjarige 1] is inmiddels in behandeling bij een psycholoog en er wordt gewerkt aan zijn emotieregulatie. [minderjarige 2] trekt zich terug op zijn kamer, maar als het hem te veel is heeft hij ernstige woede-uitbarstingen. De vrouw ontkent dat het traject Nieuw Ouderschap is vastgelopen doordat de vrouw een advies van de hulpverlening niet wilde opvolgen. De vrouw wil juist graag dat het traject weer werd hervat en heeft daartoe een verzoek ingediend. Daarop is nog geen reactie gekomen. Op 7 juli 2026 hebben partijen apart van elkaar met de hulpverlening gesproken en zijn zij de volgende zorgregeling tijdens de zomervakantie overeengekomen: Vanaf 15 juli 2026 verblijven de kinderen op de woensdagen tijdens de zomervakantie van 10.00 uur tot 17.00 uur bij de man, waarbij de man de kinderen bij de vrouw ophaalt en de hulpverlening het laatste gedeelte aansluit en de kinderen daarna naar de vrouw brengt en op de zondagen tijdens de zomervakantie verblijven de kinderen van 10.00 uur tot 16.00 uur bij de man, waarbij de vrouw de kinderen brengt en haalt. Verder voert de vrouw verweer tegen de vordering van de man tot het opleggen van een dwangsom. De vrouw weigert niet om mee te werken aan contact of hulpverlening, maar houdt daarbij rekening met de grenzen van belastbaarheid van de kinderen. Het opleggen van een dwangsom zou de druk op de kinderen verhogen, terwijl er rust, voortzetting van de hulpverlening, een raadsonderzoek en een gefaseerde opbouwregeling nodig is.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij zich in deze procedure slechts kan beperken tot de vorderingen van de man in het kader van het kort geding. De primaire vordering die de man heeft ingediend is beperkt tot nakoming van de afspraken die partijen hebben gemaakt in het proces-verbaal van 20 maart 2026. Hoewel deze afspraken door beide partijen zijn ondertekend en partijen in beginsel zijn gehouden zich aan deze afspraken te houden, zal toewijzing van deze vordering naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zorgen voor een uitvoerbaar vonnis. Omdat de hulpverlening in het vrijwillige kader is opgestart, bestaan er immers geen mogelijkheden de vrouw te dwingen tot naleving van het door de hulpverlening uitgebrachte advies tot uitbreiding van de zorgregeling. De voorzieningenrechter verwijst daarbij naar de e-mail van mevrouw [persoon 2] , zoals door de man in productie 3 overgelegd, waarbij de hulpverlener aangeeft dat zij de vrouw niet kunnen dwingen het advies met betrekking tot de zorgregeling na te komen, gelet op het vrijwillige kader. Ook een vonnis zal dit niet anders maken, omdat er dan nog steeds sprake is van een vrijwillig kader. Bovendien is de voorzieningenrechter van oordeel dat de primaire vordering van de man te algemeen is om toe te kennen. Het is niet-proportioneel om de vrouw in het algemeen te veroordelen tot nakoming van de vrijwillige hulpverlening. Omdat er geen concrete (voorlopige) zorgregeling is gevorderd, kan de voorzieningenrechter daarover niet oordelen.
Gelet op het bovenstaande zal de voorzieningenrechter de vorderingen van de man afwijzen. Bij afwijzing van de primaire vordering van de man, komt de voorzieningenrechter niet meer toe aan de andere vorderingen, waaronder de gevorderde dwangsom. Ook die vorderingen zullen daarom worden afgewezen
Hoewel de voorzieningenrechter de vorderingen van de man zal afwijzen, drukt hij partijen op het hart dat het in het belang van de kinderen is dat het contact tussen de kinderen en de man structureel blijft doorlopen. Gebleken is dat de vrouw zich zorgen maakt over de vraag of de man in staat is om de veiligheid van de kinderen te waarborgen over een langere periode, waaronder een overnachting. Uitgangspunt is echter dat het contact tussen de kinderen en de vader op korte termijn verder wordt uitgebreid, ook met een overnachting tenzij dat niet veilig is voor (een van de) kinderen. Partijen dienen met hulpverlening in gesprek te gaan over hoe deze veiligheid kan worden gewaarborgd. Daarbij kan een veiligheidsplan en bereikbaarheid van derden voor de kinderen worden besproken. Indien de kinderen na het contact met de man bij de vrouw emotieregulatie problemen laten zien, zou er ook voor gekozen kunnen worden om bij de vrouw de begeleiding in tijd uit te breiden of daar hulpverlening in te zetten. Het is ook van belang om de mening van de hulpverlener van [minderjarige 1] (en wanneer die er is: van [minderjarige 2] ) bij de uitbreiding van het contact te betrekken.
De rechtbank vindt het onwenselijk dat de kinderen bij verblijf bij de man middels een codewoord contact zoeken met de vrouw indien zij onveiligheid ervaren. Het is immers duidelijk dat de kinderen in een stevig loyaliteitsconflict zitten. Ze lijken moeite te hebben met te vertellen hoe ze zich daadwerkelijk voelen. Noodzakelijk is dat beide ouders stoppen met het belasten van de kinderen met volwassenproblematiek. Dat houdt bijvoorbeeld in dat zij moeten stoppen met het stellen van vragen aan de kinderen over de situatie bij de andere ouder en hoe de kinderen zich daar voelen. Dat soort vragen heeft een impact op hun mentale welzijn en zal het loyaliteitsconflict van de kinderen alleen maar versterken. De ouders dienen zich te realiseren dat de kinderen in de huidige situatie niet vrijelijk tegen hun ouders praten. Het is in het belang van beide kinderen, niet alleen van [minderjarige 1] , dat zij bij een onafhankelijk persoon hun verhaal kunnen doen, zodat ze niet steeds in een situatie komen waarin ze zich mogelijk onveilig voelen. De rechtbank vindt het ook van belang dat er voor [minderjarige 2] een onafhankelijke hulpverlener moet komen nu er bij hem sprake lijkt te zijn van emotieregulatie problematiek.
Verder heeft de vrouw ter zitting gesteld dat de zorgregeling al jaren niet naar behoren loopt en de kinderen al jaren last hebben en spanningen ervaren in het contact met de man. Daarvan zijn geen stukken overgelegd, zodat de voorzieningenrechter daarover geen standpunt kan innemen. Inmiddels is bij beschikking van 5 augustus 2026 de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te doen en rapport en advies uit te brengen over het contact tussen de man en de kinderen. De zorgen over de kinderen zullen daarin worden meegenomen.
Tot slot heeft de voorzieningenrechter ter zitting geconstateerd dat de man niet wordt geïncludeerd in de door de vrouw overgelegde e-mails van haar naar de hulpverlening. Dat zorgt ervoor dat de man minder informatie over de kinderen ontvangt dan de hulpverlening. Dat is niet in het belang van de kinderen, zeker niet gelet op het loyaliteitsconflict. Transparantie is belangrijk en daarom heeft de voorzieningenrechter beide partijen ter zitting op het hart gedrukt elkaar te includeren in alle e-mails naar hulpverlening. Daarbij is ook van belang dat de hulpverlening partijen gelijkelijk benadert omdat zij beiden het gezag over de kinderen hebben. Beide ouders hebben evenveel recht om te weten hoe het gaat met de kinderen en daarin te beslissen.
Proceskosten
Gelet op de familierechterlijke aard van de procedure zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen af;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Mil en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.