ECLI:NL:RBLIM:2026:8800

ECLI:NL:RBLIM:2026:8800

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 20-08-2026
Zaaknummer 12101605 \ CV EXPL 26-650
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Vordering tot nakoming van ouderschapsplan. Verblijfsoverstijgende lasten. Reconventie.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 12101605 \ CV EXPL 26-650

Vonnis van 26 augustus 2026

in de zaak van

1. [de vrouw] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij in conventie,

gedaagde partij in reconventie,

hierna te noemen: [de vrouw] ,2. [de zoon],

te [plaats 2] ,

hierna te noemen: [de zoon] ,

gemachtigde: mr. L.A.W. Hermans,

tegen

[de man] ,

te [plaats 1] ,

hierna te noemen: [de man] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. R.P.H.W. Haas.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 april 2026

- de conclusie van antwoord in reconventie- het bericht van 9 juli 2026 met producties van [de man]- de akte vermindering van eis van 10 juli 2026 van [de zoon]- de mondelinge behandeling van 22 juli 2026.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[de vrouw] en [de man] zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank is op [datum] 2015 de echtscheiding tussen hen uitgesproken. [de vrouw] en [de man] hebben de vermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding geregeld in een echtscheidingsconvenant en een aanvullend echtscheidingsconvenant. Daarnaast zijn zij een ouderschapsplan overeengekomen ten behoeve van hun zoon [de zoon] , geboren [geboortedag] 2005.

In het ouderschapsplan is onder 7.3 het volgende overeengekomen:

‘Ouders dragen ieder de eigen kosten van inwoning van [de zoon] wanneer hij bij hen is. Verblijfsoverstijgende lasten, waaronder ouders verstaan studiekosten, reiskosten, fiets, computer, telefoon, tv, etc., worden door ouders bij helfte betaald en staan derhalve los van de te betalen alimentatie.’

3. Het geschil

in conventie

[de vrouw] vordert – na vermindering van haar vordering ter zitting – veroordeling van [de man] tot betaling van € 5.951,02 te vermeerderen met de nog te ontvangen facturen van de fysiotherapie en te vermeerderen met rente en kosten.

[de zoon] heeft zijn vordering bij akte van 10 juli 2026 verminderd tot nihil en zich feitelijk teruggetrokken uit de procedure.

[de man] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de vrouw] , dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met veroordeling van [de vrouw] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

[de man] vordert – na vermindering van zijn vordering ter zitting – veroordeling van [de vrouw] tot betaling van € 4.797,34, vermeerderd met rente en kosten.

[de vrouw] voert verweer. [de vrouw] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de man] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de man] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de man] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De vorderingen in zowel conventie als in reconventie zijn gebaseerd op artikel 7.3 van het ouderschapsplan. De kantonrechter zal hierna iedere kostenpost afzonderlijk beoordelen.

in conventie

Kosten orthodontie

[de vrouw] stelt een bedrag van in totaal € 3.201,57 te hebben betaald aan de orthodontist van [de zoon] . Zij vordert van [de man] betaling van de helft van dat bedrag, derhalve € 1.600,83. Ter onderbouwing van haar vordering heeft [de vrouw] de declaraties van de orthodontist over een periode van februari 2022 tot en met november 2024 overgelegd.

[de man] betwist de vordering stellende dat de kosten van de orthodontist niet op voorhand tussen partijen zijn besproken, laat staan dat hierover overeenstemming bestond. Bovendien heeft [de vrouw] in app-verkeer met [de man] aangegeven dat er € 1.500,00 wordt vergoed door de ziektekostenverzekering. Bewijsstukken waaruit blijkt of en hoeveel [de vrouw] feitelijk aan orthodontie heeft betaald ontbreken, aldus [de man] .

De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat niet ter discussie staat dat de kosten voor orthodontie kwalificeren als verblijfsoverstijgende lasten als bedoel in het ouderschapsplan. Wel staat in het ouderschapsplan dat partijen beslissingen omtrent (niet acute) medische aangelegenheden in onderling overleg nemen, maar aan het ontbreken van dat overleg wordt geen consequentie verbonden, dus ook niet de consequentie dat bij het ontbreken van overleg/overeenstemming de kosten niet gedeeld zouden hoeven worden. [de man] heeft de noodzaak van orthodontie voor [de zoon] niet weersproken. De kosten van orthodontie zullen dus in beginsel ieder voor de helft gedragen moeten worden. De kantonrechter kan echter niet vaststellen wat [de vrouw] feitelijk aan orthodontie heeft betaald. Uit de overgelegde stukken volgt immers dat [de vrouw] aan [de man] heeft laten weten dat zij € 1.500,00 terug krijgt van haar zorgverzekering, terwijl zij tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat de ziektekostenverzekering helemaal niets heeft vergoed. Het had op de weg van [de vrouw] gelegen om een en ander bij dagvaarding of uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling (met stukken) inzichtelijk te maken. Dit geldt temeer nu het verweer van [de man] reeds voorafgaand aan deze procedure bij haar bekend was. Nu [de vrouw] een en ander heeft nagelaten heeft zij haar stellingen in het licht van het door [de man] gevoerde gemotiveerde verweer onvoldoende onderbouwd. Afgezien van de vraag of [de vrouw] wel of niet een vergoeding van de ziektekostenverzekering heeft ontvangen vindt de kantonrechter het wel aannemelijk dat de facturen voor het overige door haar zijn betaald en zal daarom een bedrag van (€ 3.201,67 minus € 1.500,00)/2 = € 850,84 aan haar toewijzen.

Rijbewijs, rijlessen en praktijk- en theorie-examen

[de vrouw] vordert van [de man] betaling van € 1.162,50, zijnde de helft van het bedrag dat zij heeft betaald voor de autorijlessen, de praktijk- en theorie-examens en het rijbewijs van [de zoon] . Zij stelt daartoe dat deze kosten zijn aan te merken als reiskosten en daarmee vallen onder het begrip verblijfsoverstijgende lasten uit het ouderschapsplan.

[de man] betwist dat de kosten voor het rijbewijs zijn aan te merken als verblijfsoverstijgende lasten. Rijbewijskosten zijn geen reiskosten. Het is ook niet vanzelfsprekend dat een kind meteen als hij oud genoeg is een rijbewijs moet halen of dat hij daar zelf niets aan hoeft bij te dragen. Ook is er geen fatsoenlijk overleg geweest voorafgaand aan het maken van de kosten en heeft [de man] het rijbewijs voor zijn andere zoon ook niet betaald.

De kantonrechter is van oordeel dat de kosten die samenhangen met het behalen van het rijbewijs niet vallen onder het begrip verblijfsoverstijgende lasten. Met reiskosten wordt in het algemeen spraakgebruik gedoeld op uitgaven voor het openbaar vervoer, brandstof en/of parkeergeld. Daarnaast is de kantonrechter met [de man] van oordeel dat het behalen van een rijbewijs geen vanzelfsprekendheid is voor iedere jongvolwassene noch dat het een vanzelfsprekendheid is dat de ouders de kosten voor het behalen van een rijbewijs betalen. Nu [de man] niet op grond van het ouderschapsplan gehouden is om bij te dragen in de kosten voor het behalen van het rijbewijs en ook niet is gebleken dat hier eensluidende afspraken over zijn gemaakt, zal de kantonrechter dat deel van de vordering afwijzen.

Kosten voortgezet onderwijs

De door [de vrouw] gevorderde kosten voor het voortgezet onderwijs van [de zoon] zien op de jaren 2017 tot en met 2020. [de man] heeft ten aanzien van dat deel van de vordering een beroep op verjaring gedaan.

De kantonrechter overweegt dat een vordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden (artikel 3:307 BW). Gesteld noch gebleken is dat de verjaringstermijn is gestuit. De kosten die [de vrouw] heeft betaald voor het voortgezet onderwijs van [de zoon] over de jaren 2017 tot en met 2020 zullen dan ook moeten worden afgewezen.

Schoolboeken

[de vrouw] vordert van [de man] betaling van een bedrag van € 345,13 voor de aanschaf van schoolboeken. [de vrouw] heeft in totaal € 690,26 betaald voor de schoolboeken van twee opleidingen van [de zoon] . Ter onderbouwing van de vordering heeft [de vrouw] betalingsbewijzen in het geding gebracht waaruit verschillende betalingen aan [school] en Studystore by Buckaroo blijken. Daarnaast heeft zij een factuur van bol.com overgelegd met de omschrijving ‘Motiverend coachen in de sport’. [de man] erkent dat schoolboeken verblijfsoverstijgende lasten zijn en erkent de vordering voor zover die ziet op het boek van bol.com. Ten aanzien van de betaling aan Studystore by Buckaroo stelt [de man] zich op het standpunt dat niet is aangetoond dat dit een of meer schoolboeken voor [de zoon] betreft, omdat Studystore allerlei boeken verkoopt en niet alleen studieboeken.

De kantonrechter overweegt dat [de man] de vordering voor zover deze betrekking heeft op de betalingen aan [school] en bol.com niet betwist respectievelijk erkent, zodat dat deel van de vordering reeds om die reden toewijsbaar is. Ten aanzien van (de inmiddels gestopte) Studystore overweegt de kantonrechter dat dit bij uitstek een boekhandel voor mbo, hbo en wo betrof. Gelet daarop en op de datum van betaling aan het begin van het studiejaar (1 september 2022) vind de kantonrechter dat [de vrouw] dit deel van haar vordering voldoende heeft onderbouwd en zal het gevorderde bedrag van € 345,13 toewijzen.

Sportkleding en medisch onderzoek opleiding sportkunde

[de man] erkent dat hij terzake de kosten die [de vrouw] heeft gemaakt voor de opleiding sportkunde van [de zoon] aan haar een bedrag van € 328,70 verschuldigd is. Hij wil dit verrekenen met de door hem betaalde laptop voor [de zoon] . De vordering van [de man] met betrekking tot de laptop zal hierna in reconventie worden afgewezen, zodat verrekening niet aan de orde is. Het door [de vrouw] gevorderde bedrag van € 328,70 zal daarom worden toegewezen.

Fietsen

Beide partijen stellen dat zij vier keer een (tweedehands) fiets hebben aangeschaft voor of verschaft hebben aan [de zoon] , zonder dat zij deze stellingen op enigerlei wijze (kunnen) onderbouwen. De kantonrechter zal de vordering van [de vrouw] terzake de aanschaf van (drie) fietsen dan ook afwijzen.

Schoolkamp

[de man] erkent de vordering van [de vrouw] voor zover die ziet op betaling van de helft van het schoolkamp van [de zoon] . De kantonrechter zal derhalve een bedrag van € 100,00 toewijzen.

Tennis

[de zoon] is van april 2014 tot en met december 2017 lid geweest van een tennisvereniging. [de vrouw] vordert van [de man] betaling van € 1.064,86, zijnde de helft van de kosten voor contributie, tennislessen en sportkleding. [de man] heeft ten aanzien van dat deel van de vordering een beroep op verjaring gedaan. Omdat gesteld noch gebleken is dat de verjaringstermijn is gestuit slaagt het beroep op verjaring en zullen de kosten die [de vrouw] heeft gemaakt voor de tennisvereniging van [de zoon] moeten worden afgewezen.

Fysiotherapie

[de vrouw] stelt dat [de zoon] onlangs fysiotherapeutische behandelingen heeft ondergaan in het kader van de revalidatie na een operatie. De behandelingen worden niet vergoed door de zorgverzekeraar en zijn derhalve door [de vrouw] betaald. Op het moment van het opstellen van de dagvaarding liep de behandeling nog, zodat ook de kosten nog zullen oplopen. Tot op heden heeft [de vrouw] een bedrag van € 937,50 betaald en zij vordert van [de man] de helft van dat bedrag alsmede van de nog te ontvangen facturen.

[de man] stelt zich op het standpunt dat ook over deze kosten geen overleg is gevoerd en dat niet duidelijk is of de facturen daadwerkelijk zijn betaald. Volgens [de man] zitten de eerste negen behandelingen in het ziektekostenpakket. Verder heeft [de man] ook vijf behandelingen van de fysiotherapeut betaald. Als volledig duidelijk is wat [de vrouw] daadwerkelijk heeft betaald is [de man] bereid de helft daarvan aan haar te voldoen.

De kantonrechter stelt vast dat de facturen van de fysiotherapeut die [de vrouw] aan haar vordering ten grondslag legt zien op behandelingen in de periode augustus 2024 tot en met november 2024, terwijl de facturen die [de man] heeft betaald afkomstig zijn van een andere fysiotherapeut en zien op de periode maart 2023 tot en met december 2023. Deze behandelingen staan dus los van elkaar. Echter, net als bij de kosten voor orthodontie heeft [de vrouw] in het licht van het door [de man] gevoerde verweer, dat reeds voor de dagvaarding bij [de vrouw] bekend was, haar vordering onvoldoende onderbouwd met stukken waaruit blijkt wat zij daadwerkelijk aan de fysiotherapeut heeft betaald. Nu [de man] heeft gesteld dat er negen behandelingen door de verzekering worden vergoed en een behandeling blijkens de facturen € 38,00 kost zal de kantonrechter negen maal € 38,00 zijnde € 342,00 op de facturen in mindering brengen en de helft van het resterende bedrag aan [de vrouw] toewijzen. [de man] zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van € 297,75. Wat betreft de door [de vrouw] nog te ontvangen facturen gaat de kantonrechter er, gelet op de stellingen van [de man] , van uit dat [de man] de helft daarvan op vertoon van een betalingsbewijs door [de vrouw] aan haar zal voldoen.

Spaarrekening

[de vrouw] heeft haar vordering tot aanzuivering van de achterstand op de betalingen aan de spaarrekening van [de zoon] ter zitting ingetrokken zodat deze niet beoordeeld hoeft te worden.

Conclusie in conventie

Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter in conventie tot toewijzing van de volgende bedragen:

orthodontie € 850,84

schoolboeken € 345,13

sportkleding + medisch onderzoek opleiding € 328,70

schoolkamp € 100,00

fysiotherapie € 297,75 +

Totaal € 1.922,42

De beslissing over de proceskosten volgt na de beoordeling in reconventie.

in reconventie

Laptop en aanverwante artikelen

[de man] vordert betaling van [de vrouw] van een bedrag van € 453,50, zijnde de helft van de kosten ad € 907,00 die [de man] stelt te hebben gemaakt voor de aanschaf van een laptop, monitor, cardreader en muis voor [de zoon] ten behoeve van school. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [de man] verschillende facturen en kassabonnen overgelegd:

Tummers [plaats 3] (laptop + earbuds) € 547,00

Media Markt [plaats 3] (cardreader + monitor) € 239,98

Tummers [plaats 3] (muis) € 69,99 +

Totaal € 856,97

De kantonrechter gaat er gelet op de aangeleverde onderbouwing van uit dat het door [de man] genoemde totaalbedrag van € 907,00 voor deze post berust op een rekenfout en zal uitgaan van het hiervoor genoemde bedrag.

[de vrouw] betwist dat de genoemde goederen ten behoeve van [de zoon] zijn aangeschaft. Ook is niet onderbouwd dat de aanschaf noodzakelijk was voor de opleiding van [de zoon] , dat hierover vooraf overleg met [de vrouw] is gepleegd of dat de gekozen producten gelet op de prijs redelijk en passend waren.

Bij de mondeling behandeling heeft [de vrouw] verklaard dat [de zoon] een laptop nodig had voor school en dat [de man] in een telefoongesprek daarover heeft gezegd dat hij nog een laptop had liggen die [de zoon] gebruiken kon. [de man] kan zich een dergelijk gesprek niet herinneren. Hij stelt dat [de zoon] in verband met online onderwijs een scherm nodig had om lessen te volgen. Dat scherm staat nu op een werkplek bij [de man] thuis. [de man] weet niet wat een cardreader is en stelt dat hij alles bij de Media Markt heeft gekocht. Hij weet niet zeker of alles voor [de zoon] was, het kan ook zijn dat hij zaken voor zijn vrouw heeft aangeschaft.

De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van [de man] met betrekking tot de hiervoor genoemde goederen moet worden afgewezen. De kantonrechter acht het op zich aannemelijk dat [de zoon] op enig moment een laptop nodig heeft gehad voor school, maar niet dat [de man] ook daadwerkelijk een laptop heeft aangeschaft met dat doel. Op de eerste plaats heeft [de man] niet betwist dat hij tegen [de vrouw] heeft gezegd dat hij nog een laptop had liggen die [de zoon] kan gebruiken. Op de tweede plaats is de factuur die [de man] heeft overgelegd afkomstig van Tummers [plaats 3] en niet van Media Markt, waar [de man] zegt een laptop voor [de zoon] gekocht te hebben. Daarbij sluit hij niet uit dat er ook spullen voor zijn vrouw zijn aangeschaft die op de bon van Media Markt staan. Welke spullen dat dan zouden zijn heeft [de man] niet vermeld. Duidelijk is wel dat [de zoon] er zelf niet bij is geweest en dat er vooraf geen overeenstemming met [de vrouw] is bereikt over (de kosten voor) deze aanschaf. Gezien de geconstateerde tegenstrijdigheden is de kantonrechter van oordeel dat [de man] zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd.

Voetbal

[de man] vordert van [de vrouw] – na vermindering van eis tijdens de mondelinge behandeling – een bedrag van € 555,00 voor de kosten die hij heeft gemaakt voor het voetbal van [de zoon] in de jaren 2021-2023. Het betreft de helft van de kosten voor contributie (€ 210,00), kleding en voetbalschoenen (€ 900,00). Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [de man] een overzicht van afschrijvingen van zijn bankrekening ten behoeve van contributie overgelegd. De kosten voor kleding en voetbalschoenen zijn geschat. Het geschatte bedrag is gebaseerd op het bedrag dat [de vrouw] in conventie heeft gevorderd voor tenniskleding.

[de vrouw] stelt zich op het standpunt dat [de man] zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd omdat facturen en betalingsbewijzen ontbreken. Daarnaast is [de zoon] een periode als trainer werkzaam geweest en hoefde hij in die periode volgens [de vrouw] geen contributie te betalen.

[de man] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling betalingsbewijzen van de contributie in het geding gebracht, waarmee de vordering op dat punt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende is onderbouwd. In de periode dat [de zoon] trainer was, was hij volgens [de man] de helft van de gebruikelijke contributie verschuldigd hetgeen ook blijkt uit de overgelegde betalingsbewijzen. De kantonrechter zal voor deze post € 105,00 toewijzen. Het gedeelte van de vordering dat ziet op kleding en voetbalschoenen moet bij gebreke van enige onderbouwing worden afgewezen. Dit geldt temeer nu [de vrouw] tijdens de mondelinge behandeling onbetwist heeft gesteld dat zij (ook) wedstrijdbroeken, sokken, shirts en een trainingspak voor [de zoon] heeft gekocht en [de man] heeft erkend dat het door hem genoemde bedrag feitelijk uit de lucht gegrepen is.

Telefoon

[de man] heeft in de afgelopen 11 jaren de kosten van de telefoon van [de zoon] voldaan. Volgens de tabel die bij productie 15 is overgelegd gaat het om de volgende bedragen.

TOESTEL

ABO

2017

€ 300,00

€ 300,00

2018

€ 300,00

€ 300,00

2019

€ 300,00

€ 300,00

2020

€ 300,00

€ 300,00

2021

€ 300,00

€ 300,00

2022

€ 300,00

€ 300,00

2023

€ 300,00

€ 320,22

2024

€ 456,00

€ 279,24

2025

€ 456,00

€ 288,72

TOTAAL

€ 3.012,00

€ 2.688,18

€ 5.700,18

[de man] vordert vanwege verjaring alleen de kosten over de laatste 5 jaren en stelt dat deze kosten in totaal € 7.577,68 bedragen. De kantonrechter kan deze stelling gelet op de hiervoor opgenomen tabel niet volgen en komt op basis van die zelfde tabel op een bedrag van € 3.300,18 (zie onderstaande verkorte tabel).

2021

€ 300,00

€ 300,00

2022

€ 300,00

€ 300,00

2023

€ 300,00

€ 320,22

2024

€ 456,00

€ 279,24

2025

€ 456,00

€ 288,72

TOTAAL

€ 1.812,00

€ 1.488,18

€ 3.300,18

De vordering van [de man] bedraagt dan de helft van dat bedrag, zijnde € 1.650,09.

[de vrouw] stelt dat de mobiele telefoon door [de man] steeds is gepresenteerd als een cadeau. Daarnaast heeft [de man] gekozen voor een veel te duur abonnement waarbij met regelmaat een nieuw toestel werd aangeschaft. [de man] heeft niet onderbouwd waarom een dergelijk kostbaar abonnement voor een minderjarig kind noodzakelijk was. Voor de bereikbaarheid volstaat een aanzienlijk goedkoper abonnement van circa € 7,50 per maand.

De kantonrechter stelt voorop dat de kosten van een telefoon uitdrukkelijk zijn benoemd in het ouderschapsplan als verblijfsoverstijgende lasten, zodat het ongemotiveerde verweer van [de vrouw] dat het een cadeau zou betreffen naar het oordeel van de kantonrechter reeds om die reden niet slaagt. Het verweer van [de vrouw] roept wel de vraag op of de gekozen abonnementsvorm met de hiervoor genoemde kosten redelijk zijn. Die kosten komen neer op gemiddeld € 55,00 per maand over de periode 2021-2025, inclusief de toestelkosten. Voor de enkele bereikbaarheid van [de zoon] was een goedkoper abonnement wellicht toereikend geweest, maar gesteld noch gebleken is dat de in dit geval aangegane overeenkomst voor mobiele telefonie hoogst ongebruikelijk of buitenproportioneel is voor een jongere tussen de 16 en 20 jaar oud zoals [de zoon] was in de jaren waarop de vordering ziet.

De kantonrechter zal de vordering ter hoogte van € 1.650,09 dan ook toewijzen.

Conclusie in reconventie

Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter in reconventie tot toewijzing van de volgende bedragen:

voetbal € 105,00

telefoon € 1.650,09 +

Totaal € 1.755,09

De beslissing over de proceskosten volgt hierna.

in conventie en in reconventie

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

veroordeelt [de man] om aan [de vrouw] te betalen een bedrag van € 1.922,42, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

veroordeelt [de vrouw] om aan [de man] te betalen een bedrag van € 1.755,09, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in conventie en in reconventie

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar

uitgesproken op 26 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand