RECHTBANK LIMBURG
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Maastricht
Zaaknummer: C/03/350692 / FA RK 26-629
Datum uitspraak: 14 augustus 2026
Beschikking van 14 augustus 2026 over ouderlijke verantwoordelijkheden
in de zaak van
[de moeder] ,
verzoekster, hierna te noemen: de moeder,
wonend in [woonplaats],
advocaat: mr. S. Ayangil, kantoorhoudend in Heerlen,
tegen
[de vader] ,
wederpartij, hierna te noemen: de vader,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of in het buitenland,
zonder advocaat,
hierna samen te noemen: de ouders.
In zijn hoedanigheid als bedoeld in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is bij de procedure betrokken:
de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
regio Limburg, locatie Maastricht,
hierna te noemen: de raad.
1. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
het verzoekschrift van de moeder met bijlagen, ontvangen op 20 maart 2026;
het F9-formulier van de moeder met bijlagen, ontvangen op 19 april 2026;
het F9-formulier van de moeder met bijlage, ontvangen op 10 augustus 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad.
De vader – hoewel correct opgeroepen – is niet verschenen.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders zijn in 2011 met elkaar gehuwd in [plaats] (Syrië).
Gedurende het huwelijk van de ouders is geboren: [minderjarige], op [geboortedag] 2012 in [plaats] (Syrië), hierna te noemen: [minderjarige].
Het huwelijk van de ouders is op [datum 1] 2018 ontbonden door de islamitische rechtbank te Aleppo (Syrië).
In het Basisregistratie Personen (hierna: BRP) wordt vermeld dat de moeder gehuwd is geweest met ‘[naam]’, welke huwelijk is ontbonden te Aleppo (Syrië) op [datum 2] 2018.
[minderjarige] woont sinds 16 mei 2024 bij de moeder in Nederland.
3. Het verzoek en de onderbouwing daarvan
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, – naar de rechtbank begrijpt – het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] te beëindigen en te bepalen dat de moeder voortaan alleen het gezag over [minderjarige] toekomt.
Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de moeder het volgende. De ouders zijn in 2011 gehuwd in Syrië. [minderjarige] is geboren staande het huwelijk van de ouders, waardoor de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen over [minderjarige]. In 2014 zijn de ouders feitelijk uit elkaar gegaan en op [datum 1] 2018 heeft de rechtbank in Syrië de echtscheiding uitgesproken. De vader is in Syrië blijven wonen en de moeder is met [minderjarige] vertrokken naar Libanon, waar zij vier jaar lang hebben gewoond bij familie van de moeder. Vervolgens is de moeder in 2018 met [minderjarige] naar Turkije verhuisd voordat zij in 2021 alleen naar Nederland is vertrokken. [minderjarige] heeft tot 2024 in Turkije bij familie van de moeder verbleven, waarna hij in het kader van gezinshereniging naar Nederland verhuisd. Sindsdien woont de moeder samen met [minderjarige] in [woonplaats]. Vanaf het moment dat de moeder en [minderjarige] naar Libanon zijn verhuisd in 2014 is er geen enkel contact geweest met de vader. De woon- of verblijfplaats van de vader is voor de moeder onbekend, waardoor het leggen van contact op deze manier onmogelijk is. Ook anderszins heeft de moeder geen weet van manieren om de vader te bereiken. De moeder weet niet eens of de vader de oorlog in Syrië heeft overleefd. De regio waaruit de vader afkomstig is, is zwaar getroffen door gewapende conflicten. Deze situatie maakt dat de ouders onbereikbaar zijn voor elkaar. Het kind komt hierdoor in een patstelling terecht als er beslissingen genomen dienen te worden die de ouders als gezagsdragers samen dienen te nemen, dan wel waarvoor de moeder de toestemming van de vader nodig heeft, zoals een inschrijving op een school of toestemming voor medische handelingen. De huidige leefsituatie van de moeder en [minderjarige] en het al enige tijd ontbreken van contact tussen de vader en [minderjarige] verschilt dan ook ten zeerste van de situatie zoals deze gold tijdens het huwelijk. Dit maakt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, waardoor het niet langer in het belang van [minderjarige] is, dat het gezamenlijk gezag van de ouders blijft voortduren. Het gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn om tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening te komen en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen of tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Nu dit gezien het voorgaande niet mogelijk is geweest en het voorts ook niet voorzienbaar is dat de situatie zich binnen afzienbare tijd zal wijzigen, acht de vrouw het in het belang van [minderjarige] dat aan haar alleen het gezag over [minderjarige] wordt toegekend. Bovendien zal een verandering in de gezagssituatie de feitelijke situatie voor [minderjarige], zoals deze reeds jaren is, niet veranderen en laat een wijziging van het gezag ook het recht van de vader op omgang met of informatie over [minderjarige] onverlet. Dit alles maakt dat een uitzondering op het uitgangspunt van gezamenlijk gezag is gerechtvaardigd en aldus aan de moeder alleen het gezag over [minderjarige] dient toe te komen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder nog aanvullend gesteld dat zij ook via de familie van de vader heeft geprobeerd om in contact te komen met hem. Echter ook dit is niet gelukt. De vader neemt op geen enkele manier zijn verantwoordelijkheid als gezaghebbende ouder van [minderjarige]. De moeder wil graag een paspoort voor [minderjarige] aanvragen, zodat zij samen op bezoek kunnen gaan naar familie in Syrië en Duitsland, maar dit gaat niet zonder toestemming van de vader (of vervangende toestemming van de rechtbank). Voor de moeder voelt het alsof ze al twaalf jaar lang alleenstaande moeder is. Met het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag wil de moeder de juridische situatie in overeenstemming brengen met de feitelijke situatie.
4. Het verweer
De vader voert geen verweer.
5. Het advies van de raad
De raad adviseert om het verzoek van de moeder toe te wijzen. De vader is al langere tijd uit beeld en neemt geen verantwoordelijkheid als gezaghebbende ouder voor [minderjarige]. De raad neemt aan – nu er al twaalf jaar geen contact is – dat de vader ook geen idee heeft hoe het leven van zijn zoon eruitziet en daarom geen beslissingen in het belang van [minderjarige] kan nemen. Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken waaruit aangenomen kan worden dat hier binnen een redelijke termijn verandering in komt. In de huidige situatie is er een groot risico dat [minderjarige] klem of verloren komt te zitten tussen de ouders als er nog steeds toestemming van de vader nodig is. Dat blijkt ook uit de stellingen van de advocaat tijdens de mondelinge behandeling.
6. De mening van [minderjarige]
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] verteld dat hij zijn vader al sinds 2024 niet meer heeft gezien of gesproken. Hij kan zich de vader niet herinneren. Met de familie van de vader is ook geen contact. De moeder heeft de afgelopen jaren altijd alleen voor [minderjarige] gezorgd. [minderjarige] vindt het verzoek van de moeder dan ook goed voor hem.
7. De beoordeling
Het verschil in schrijfwijze van de voor- en geslachtsnaam van de vader en de datum van de echtscheiding
In de beëdigde vertaling van de geboorteverklaring van [minderjarige] en de beëdigde vertaling van de echtscheidingsverklaring wordt de voor- en de geslachtsnaam van de vader vermeld als ‘[de vader]’. In het BRP-uittreksel van [minderjarige] wordt de vader vermeld met de voor- en geslachtsnaam ‘[de vader]’. Verder volgt uit de beëdigde vertaling van de echtscheidingsverklaring dat de islamitische rechtbank te Aleppo (Syrië) op [datum 1] 2018 de echtscheiding heeft uitgesproken. In het BRP-uittreksel van de moeder wordt vermeld dat zij gehuwd is geweest met ‘[naam]’ en dat de echtscheiding op [datum 2] 2018 is geregistreerd te Aleppo (Syrië).
Wat betreft de spelling van de naam van de vader stelt de moeder dat ‘[naam]’ een kennelijke administratieve of schrijffout in het BRP betreft. Zij heeft bij haar inschrijving in het BRP namelijk alle gegevens mondeling verstrekt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Echter was de moeder op dat moment de Nederlandse taal niet machtig, zodat er een misverstand is ontstaan over de spelling van de naam van de vader. Verder stelt de moeder dat het verschil in de datum van de echtscheiding die volgt uit het BRP-uittreksel ([datum 2] 2018) en de echtscheidingsverklaring ([datum 1] 2018) berust op een vergissing van haar kant. Op het moment dat zij deze datum van de echtscheiding aan de ambtenaar van de burgerlijke stand doorgaf, beschikte de moeder nog niet over de echtscheidingsverklaring van de rechtbank in Aleppo (Syrië). Zij heeft een schatting gemaakt van de datum van de echtscheiding, die achteraf niet correct blijkt te zijn. De correcte datum van de echtscheiding is volgens de moeder de datum die volgt uit de echtscheidingsbeschikking, dus [datum 1] 2018.
De rechtbank overweegt het volgende. Het is de rechtbank bekend dat bij vertalingen uit de Arabische taal de schrijfwijze van eigennamen kan afwijken met de namen die in het BRP worden geregistreerd, zeker wanneer de gegevens mondeling worden doorgegeven aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Dit blijkt ook uit het voormelde. De voornaam en geslachtsnaam van de vader volgens de beëdigde vertalingen van de door de moeder overlegden akten en het BRP-uittreksel van [minderjarige] zelf komen overeen, namelijk ‘[de vader]’. De naam van de vader volgens het BRP-uittreksel van de moeder, ‘[naam]’ lijkt hierop, waardoor het voor de rechtbank duidelijk is dat het hier gaat om dezelfde persoon en een kennelijke schrijffout in het BRP. De rechtbank zal daarom wat betreft de schrijfwijze van de voornaam en geslachtsnaam van de vader uitgaan van de naam zoals deze wordt geschreven volgens de beëdigde vertalingen van de door de moeder overlegden akten en het BRP-uittreksel van [minderjarige], dus ‘[de vader]’.
Verder acht de rechtbank de verklaring van de moeder over het verschil in de datum van de echtscheiding volgens de echtscheidingsverklaring en het BRP-uittreksel van de moeder voldoende aannemelijk. De rechtbank zal wat betreft de datum van de echtscheiding uitgaan van de datum die volgt uit de echtscheidingsverklaring, dus [datum 1] 2018.
De rechtsmacht en het toepasselijk recht
Aangezien de ouders in Syrië zijn getrouwd, zowel de ouders als [minderjarige] de Syrische nationaliteit hebben en de moeder en [minderjarige] in Syrië, Libanon en Turkije hebben gewoond voordat zij naar Nederland kwamen, heeft deze zaak een internationaal karakter. Daarom moet de rechtbank, voordat zij toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de moeder, eerst de rechtsmacht en het toepasselijk recht bepalen.
De bevoegdheid van de Nederlandse rechter dient te worden beoordeeld volgens de bevoegdheidsregels van de Verordening Brussel II-ter (nr. 2019/1111, hierna: Brussel II-ter). Op grond van artikel 7 lid 1 Brussel II-ter is ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd het gerecht van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Onder het begrip ouderlijke verantwoordelijkheid valt op grond van artikel 1 lid 1 aanhef en onder b, in verbinding met artikel 1 lid 2 aanhef en onder a, Brussel II-ter (mede) het gezagsrecht. Nu [minderjarige] ten tijde van het indienen van het verzoek zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van de moeder.
Welke recht door de bevoegde rechter moet worden toegepast op het verzoek van de moeder, dient te worden beoordeeld aan de hand van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen 1996 (hierna: HKBV 1996), aangezien [minderjarige] is geboren na 1 mei 2011. Op grond van artikel 15 lid 1 HKBV 1996 wordt op het verzoek van de moeder Nederlands recht toegepast.
De huidige gezagssituatie
De rechtbank zal vervolgens ambtshalve aan de hand van het internationale privaatrecht bepalen van welke gezagssituatie op het moment van beoordeling van het verzoek van de moeder sprake is – in die zin dat bekeken zal worden wie van partijen van rechtswege het gezag heeft verkregen – alvorens zij het verzoek van de moeder kan beoordelen.
Voor de vraag of partijen van rechtswege gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag moet gekeken worden naar artikel 16 HKBV 1996. Dit artikel luidt als volgt:
”Artikel 16:
1. Het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
2. Het ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid door een overeenkomst of een eenzijdige rechtshandeling, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment waarop de overeenkomst of de eenzijdige rechtshandeling van kracht wordt.
3. Het op grond van het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid blijft bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere Staat.
4. Indien de gewone verblijfplaats van het kind wordt verplaatst, wordt het van rechtswege ontstaan van ouderlijke verantwoordelijkheid van een persoon die deze verantwoordelijkheid niet reeds heeft, beheerst door het recht van de Staat van de nieuwe gewone verblijfplaats.”
Op grond van lid 1 van voormeld artikel, dient de vraag of de ouders van rechtswege het gezag over [minderjarige] hebben te worden beantwoord door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van [minderjarige]. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt met zich mee dat gekeken dient te worden naar de gewone verblijfplaats van het kind op het moment waarop het gezag (mogelijk) is ontstaan, dus bij of na de geboorte van het kind (zie rechtsoverweging 2.10. van de beschikking van 14 juli 2021 van de rechtbank Noord-Nederland, ECLI:NL:RBNNE:2021:3053). Uit de door de moeder overlegde beëdigde vertaling van de geboorteverklaring van [minderjarige] – afkomstig van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van de Arabische Republiek Syrië van 22 augustus 2022 – volgt dat [minderjarige] op [geboortedag] 2012 is geboren te [plaats] (Syrië). Dit stemt overeen met de geboortedatum en -plaats van [minderjarige] die zijn geregistreerd in het BRP. Aangezien [minderjarige] ten tijde van zijn geboorte in Syrië woonde, dient naar Syrisch recht te worden beoordeeld of de ouders op het moment van de geboorte van [minderjarige] van rechtswege met het gezag zijn belast. Hoewel Syrië geen partij is bij het HKBV 1996, dient toch het Syrische recht te worden toegepast. Artikel 20 HKBV 1996 bepaalt namelijk dat het verdrag met betrekking tot het toepasselijk recht een universeel toepassingsgebied heeft.
Op grond van artikel 139 van de Syrische Wet op het Personeel Statuut (in het Syrisch genoemd qanun al-ahwal al-shakhsiyya, hierna: WPS) ligt de feitelijke verzorging en opvoeding (hadana) van een kind (na echtscheiding) bij de moeder. De vader komt hadana toe, mits hij bij de opvoeding van het kind wordt ondersteund door een vrouw. Hadana eindigt wanneer een kind de leeftijd van 15 jaar heeft bereikt, volgt uit artikel 146 lid 1 WPS. De uitoefening van het ouderlijk gezag (wilaya) ligt (ook na echtscheiding) bij de vader, na hem bij de grootvader aan vaderszijde en na hem de eerstvolgende mannelijke bloedverwant. Wilaya betreft de zorg voor de persoon en het vermogen van een kind en eindigt zodra het kind 18 jaar is geworden. De rechter kan, indien er geen gezagsdrager voor het kind (meer) is, een tijdelijke voogd aanstellen (wisaya). Dit blijkt uit artikel 174 WPS. Het is in de rechtspraktijk gangbaar geworden dat rechters moeders aanstellen als tijdelijke voogd over hun kinderen. Dit gebeurt met name wanneer de vader van de kinderen/de echtgenoot van de moeder is verdwenen of in het buitenland verblijft. Op deze manier kunnen de moeders met hun kinderen reizen, een paspoort aanvragen voor hun kinderen of andere taken uitvoeren die normaal gesproken worden uitgevoerd door de gezagsdrager.
Gelet op het voorgaande, concludeert de rechtbank dat naar Syrisch recht alleen de vader het ouderlijk gezag heeft over [minderjarige], ook na de echtscheiding tussen de ouders. Naar Syrisch recht is de moeder slechts verantwoordelijk voor de feitelijke verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Daarnaast heeft de moeder een document overgelegd waaruit volgt dat door de rechtbank in Syrië aan haar wettelijke bevoegdheid is verleend om onder andere het ouderlijk gezag te hebben met betrekking tot het verblijf, de emigratie, permanent verblijf, verandering van woonplaats, regelen van verblijf, woning, gezondheid, inschrijvingen op school en aanvragen van een paspoort voor [minderjarige]. Dit komt overeen met de hierboven vermelde wisaya, waarbij een moeder door een Syrische rechter als tijdelijke voogd wordt aangesteld als er geen gezagsdrager (meer) is, zodat zij bijvoorbeeld met haar kind kan reizen. Echter laat dit onverlet dat enkel aan de vader van rechtswege het gezag over [minderjarige] toekomt.
Artikel 16 lid 3 van het HKBV 1996 bepaalt dat het op grond van het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid – in het onderhavige geval het Syrische recht – blijft bestaan na verplaatsing van de gewone verblijfplaats naar een andere staat. Dit leidt tot de conclusie dat het ten tijde van de geboorte van [minderjarige] verkregen gezag van de vader van rechtswege ook in Nederland moet worden erkend, aangezien dat destijds volgens de Syrische wet is verkregen en het Syrisch recht ook van toepassing is.
Verder bepaalt artikel 16 lid 4 HKBV 1996 dat het van rechtswege ontstaan van ouderlijke verantwoordelijkheden van een persoon die deze verantwoordelijkheid niet reeds heeft, wordt beheerst door het recht van de staat van de nieuwe gewone verblijfplaats. De rechtbank zal aldus aan de hand van het Nederlandse recht moeten nagaan of de moeder na de gezinshereniging met [minderjarige] in Nederland, (mede) van rechtswege het ouderlijk gezag over [minderjarige] toekomt.
Op grond van artikel 1:251 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn ouders die zijn gehuwd ten tijde van de geboorte van hun kind van rechtswege gezamenlijk met het gezag belast. Uit het tweede lid van voormeld artikel volgt dat de ouders die het gezamenlijk gezag hebben, dit gezag gezamenlijk blijven uitoefenen na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed.
Op het moment dat [minderjarige] en de moeder zich in Nederland hebben gevestigd, waren de ouders reeds gescheiden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de moeder niet op basis van artikel 1:251 BW (mede) met het gezag over [minderjarige] is belast. In Nederland geldt echter dat een moeder, door het feit dat een kind uit haar geboren wordt, van rechtswege het gezag heeft over dit kind, tenzij de moeder op grond van artikel 1:246 BW onbevoegd is tot het gezag. Niet gebleken is dat de moeder onbevoegd is tot het gezag. De rechtbank concludeert aldus dat de moeder naar Nederlands recht mede van rechtswege belast is met het gezag over [minderjarige].
Uit het voorgaande blijkt dat de ouders thans gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen.
Op grond van artikel 1:253n BW kan de rechtbank op verzoek van (een van) de niet gehuwde ouders het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag toekomt.
Krachtens het van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 1:251a lid 1 BW, kan de rechter bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt, indien:
er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Gewijzigde omstandigheden
De rechtbank moet allereerst beoordelen of sprake is van een wijziging van omstandigheden. De moeder heeft onweersproken gesteld dat er sinds het vertrek van de moeder en [minderjarige] naar Libanon in 2014 geen enkel contact meer heeft plaatsgevonden tussen de ouders en tussen de vader en [minderjarige]. Naar het oordeel van de rechtbank vormt het voorgaande voldoende grond voor de conclusie dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, als bedoeld in artikel 1:253n BW. De rechtbank komt daarmee toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
De inhoudelijke beoordeling
Het uitgangspunt van de wetgever is dat beide ouders gezamenlijk belast zijn met het gezag over hun kind. De kern van het gezamenlijk ouderlijk gezag is terug te vinden in artikel 1:247 BW. Op grond van dit artikel moet worden aangenomen dat het gezag over het kind de plicht en het recht van zowel de moeder als de vader omvat om het kind te verzorgen en op te voeden. Voor de uitoefening van gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans dat zij ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen. Slechts wanneer er sprake is van zwaarwegende contra-indicaties tegen gezamenlijk gezag bestaat er aanleiding om over te gaan tot beëindiging daarvan.
De rechtbank zal het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] te beëindigen, toewijzen. De rechtbank overweegt als volgt.
Zoals eerder onder 7.18. overwogen, heeft de moeder onweersproken gesteld dat de vader in ieder geval sinds 2014 geen deel meer uitmaakt van het leven van [minderjarige] en de moeder. Er heeft in die tijd geen enkel contact meer plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de vader en de ouders onderling. De moeder heeft geen weet van de huidige woon- of verblijfplaats van de vader en weet zelfs niet of de vader nog in leven is. Het enige e-mailadres van de vader waarmee de moeder bekend is, geeft een melding ‘mailbox unavailable’ wanneer er een e-mail naar dit adres wordt verstuurd. Voor de rechtbank staat hiermee voldoende vast dat de moeder geen mogelijkheden heeft en zich voldoende ingespannen heeft om in contact te komen met de vader. Verder zijn er geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen waaruit blijkt dat de vader zich heeft ingespannen om enig (constructief) contact te onderhouden met [minderjarige] of de moeder om uitvoering aan zijn ouderschap – en daarmee zijn gezag – te geven. De vader is ook niet verschenen bij de mondelinge behandeling, terwijl hij behoorlijk is opgeroepen. Er is geen enkele omstandigheid gebleken op grond waarvan de rechtbank kan verwachten dat er op korte termijn verandering komt in de situatie. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat met het voortduren van het gezamenlijk gezag er een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd verandering komt.
De afwezigheid van de vader in het leven van [minderjarige] als gezagsdragende ouder is onweersproken gebleven en de rechtbank ziet geen aanleiding om aan de stellingen van de moeder te twijfelen. Voor de rechtbank staat daarom voldoende vast dat de vader geen invulling geeft aan zijn gezag en de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Gelet op het voorgaande, staat voor de rechtbank ook voldoende vast dat de vader geen zicht heeft op wat voor [minderjarige] belangrijk is, zodat hij niet in staat wordt geacht om een weloverwogen (gezags)beslissing over en in het belang van [minderjarige] te nemen. Dit alles maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de ouders momenteel niet in staat zijn om beslissingen van enig belang over [minderjarige] in gezamenlijk overleg te nemen. Op grond van deze omstandigheden acht de rechtbank wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige] ook anderszins noodzakelijk.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder toewijzen en het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] beëindigen. Daarnaast zal de rechtbank bepalen dat de moeder voortaan alleen het gezag over [minderjarige] toekomt.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing meteen ingaat, ook als iemand er niet mee eens is en hoger beroep wordt ingesteld.
Aantekening gezagsregister
In verband met het bepaalde in artikel 2 aanhef en sub a, van het Besluit gezagsregisters zal de rechtbank ook bepalen dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het centraal gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.
8. De beslissing
De rechtbank:
beëindigt het gezamenlijk gezag van de ouders en bepaalt dat aan de moeder voortaan alleen het gezag over [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [plaats] (Syrië), toekomt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het Centraal Gezagsregister, om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Mil, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. Brüll als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.