Rechtbank Limburg
Familie en jeugd
Zittingsplaats Roermond
C/03/342277 / FA RK 25-1170Zaaknummer: C/03/342277 / FA RK 25-1170 en C/03/349768 / JE RK 26-315
Datum uitspraak: 14 augustus 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een gezagsbeëindiging en een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak C/03/342277 / FA RK 25-1170 (verzoek tot gezagsbeëindiging) van:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Limburg, locatie Maastricht,
hierna te noemen: de Raad,
en
in de zaak C/03/349768 / JE RK 26-315 (verzoek verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing) van:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming &
Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
De rechtbank merkt in beide zaken als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.H.M. Belt, gevestigd in Landgraaf,
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
en
[de pleegvader] ,
hierna te noemen: de pleegvader,
hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders,
beiden wonend op een bij de rechtbank bekend adres.
De rechtbank merkt in de zaak van C/03/342277 / FA RK 25-1170 (verzoek tot gezagsbeëindiging) als informanten aan:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming &
Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1. Het verdere verloop van de procedure
Het procesverloop blijkt uit het volgende:
in de zaak C/03/342277 / FA RK 25-1170:
- de beschikking van deze rechtbank van 2 maart 2026;
- het gewijzigde verzoek van de Raad, ontvangen op 24 juni 2026;
- de bereidverklaring van de GI, ontvangen op 26 juni 2026.
in de zaak C/03/349768 / JE RK 26-315:
- de beschikking van deze rechtbank van 3 april 2026.
De verzoeken zijn, gelet op de samenhang, gelijktijdig behandeld tijdens de mondelinge behandeling van 8 juli 2026. Daarbij zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de pleegouders;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De vader is niet naar de mondelinge behandeling gekomen.
2. De (aangehouden) verzoeken en verweren
in de zaak C/03/342277 / FA RK 25-1170
De Raad heeft aanvankelijk verzocht het gezag van de moeder te beëindigen en geadviseerd om de pleegouders tot voogden over [minderjarige 1] te benoemen. De Raad heeft op 24 juni 2026 zijn verzoek gewijzigd, in die zin dat niet langer de pleegouders benoemd dienen te worden tot de voogd(en) van [minderjarige 1] , maar de GI. De Raad heeft ook verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De moeder heeft verweer gevoerd en verzocht om het verzoek van de Raad af te wijzen. Zij vindt het beëindigen van haar gezag niet noodzakelijk en niet proportioneel. De moeder weet dat het perspectief van [minderjarige 1] niet meer bij haar ligt. Een lichtere maatregel, zoals het laten voortduren van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing volstaat ook. Enkel indien de rechtbank van oordeel is dat er goede gronden zijn om het gezag te beëindigen, wenst moeder op te merken dat zij in dat geval graag zou zien dat pleegouders met de voogdij worden belast.
in de zaak C/03/349768 / JE RK 26-315
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen tot 14 april 2027. Verder verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een pleeggezin
te verlengen tot 14 april 2027. Ook vraagt de GI de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De moeder wil het liefste dat de verzoeken worden afgewezen. Anders wil zij dat de verzoeken worden toegewezen voor korter dan een jaar. De moeder staat zonder meer open voor een (vrijwillige) plaatsing van [minderjarige 1] bij de pleegouders.
3. De tussenbeschikkingen
de beschikking van 2 maart 2026 in de zaak C/03/342277 / FA RK 25-1170
Bij beschikking van 2 maart 2026 is iedere beslissing op het verzoek van de Raad aangehouden en is de zaak in de stand waarin deze zich bevond verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank, locatie Roermond.
de beschikking van 3 april 2026 in de zaak C/03/349768 / JE RK 26-315
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 april 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 15 augustus 2026 en de machtiging om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin verlengd tot 15 augustus 2026. Iedere verdere beslissing op de verzoeken is aangehouden en de zaak is in de stand waarin deze zich bevond verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.
4. De nadere standpunten en informatie
Naar aanleiding van de informatie van de GI en de gesprekken met de moeder en pleegouders komt de Raad tot de conclusie dat een wijziging van het eerdere besluit, om de voogdij bij pleegouders te beleggen, in het belang van [minderjarige 1] is. Dit omdat er sprake is van een verslechterde communicatie tussen de moeder en de pleegouders. Er is op dit moment nauwelijks sprake van contact, terwijl dat wel zou moeten als de pleegouders de voogdij zouden krijgen. De Raad is dan ook van mening dat het op dit moment in het belang van [minderjarige 1] is om de voogdij te beleggen bij een neutrale partij, te weten de GI. De Raad benadrukt dat het herstellen van de communicatie tussen de moeder en de pleegouders en het goed houden ervan, van zeer groot belang voor [minderjarige 1] is. [minderjarige 1] heeft een rugzakje en heeft behoefte aan rust en duidelijkheid. De Raad benadrukt ook dat de moeder in de afgelopen jaren al heel wat vooruitgang heeft laten zien.
De GI staat achter het verzoek van de Raad en handhaaft zekerheidshalve het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. De GI geeft aan dat er na vier jaar duidelijkheid moet komen voor [minderjarige 1] . De GI is van mening dat voldoende is onderzocht of [minderjarige 1] terug kan naar de moeder, maar dat dit er niet inzit. De moeder kan dit soms zelf uitspreken, maar geeft soms ook aan dat ze [minderjarige 1] in de toekomst wel weer thuis wil hebben. Dit zorgt bij iedereen voor spanning. De moeder heeft in de afgelopen jaren heel wat stappen gezet, maar er wordt door de jaren heen ook een terugkerend patroon gezien met fases waarin het minder goed met haar gaat. Er is nog geen ruimte bij de moeder om alles wat zij heeft meegemaakt te verwerken en het patroon duurzaam te doorbreken.
De biologische vader van [minderjarige 1] is onvoorspelbaar en gevaarlijk, waardoor hij altijd een zorg blijft. De GI maakte zich zorgen over dat het vrijkomen van de biologische vader van [minderjarige 1] voor nieuwe onrust zou zorgen. Dit is tot nu toe meegevallen; hij heeft de moeder alleen een verzoek via social media gestuurd, maar verder met rust gelaten. De moeder heeft wel tegen de GI gezegd dat de vader mogelijk in haar e-mail kan en zo achter haar adres kan komen. De moeder houdt heel veel van [minderjarige 1] en zij probeert aan te geven wat ze aankan. De pleegouders en de moeder kunnen elkaar op dit moment niet goed vinden. Dit ging eerder beter. De GI is van mening dat de moeder en de pleegouders het goed willen doen voor de ander en elkaar niet willen kwetsen. De GI kan de moeder niet altijd goed bereiken. De GI moet meerdere malen bellen om haar te kunnen spreken of moet herinneringen sturen om te reageren op berichten via whatsapp. Er zijn tot op heden geen belangrijke of spoedeisende zaken geweest waarbij de moeder snel heeft moeten handelen of reageren, dus de GI kan niet beoordelen of de moeder dit voldoende kan. Het nemen van gezagsbeslissingen vraagt wel van de moeder om actief betrokken te zijn in het leven van [minderjarige 1] . Door de overvraging van de moeder is dit soms lastig, waardoor de GI zich ook afvraagt of zij inziet waarom bepaalde beslissingen nodig zijn voor [minderjarige 1] . Welke beslissing er ook genomen wordt, er moet gewerkt worden aan de verstandhouding tussen de moeder en de pleegouders. Deze was voorheen goed en dit moet hersteld worden.
De moeder geeft aan dat haar huidige zwangerschap fysiek zwaar is, met name omdat ze veel last heeft van haar bekkenbodem. Ze is op 20 december 2026 uitgerekend. De moeder verblijft nog steeds in het moeder-kind huis, maar hoopt nog voor de bevalling een nieuwe woonplek te hebben. De contactmomenten met [minderjarige 1] zijn soms wel pittig, omdat zij haar aandacht moet verdelen over twee kinderen. Met name rondom de eetmomenten vraagt [minderjarige 1] veel van de moeder. De moeder moet haar weg hier nog een beetje in vinden, maar vindt dat het al redelijk goed gaat. De wens die de moeder soms uit om [minderjarige 1] weer bij zich te hebben, komt uit haar hart. Ze weet dat deze wens niet realistisch is en ziet het meer als een soort droomscenario. De moeder heeft deze wens overigens nooit in het bijzijn van [minderjarige 1] geuit, enkel bij de GI. Het uitbreiden van de contactmomenten met overnachtingen is wel iets waar de moeder in de toekomst naar wil toewerken. De moeder is bang dat een gezagsbeëindiging betekent dat zij op een nog grotere afstand van [minderjarige 1] komt te staan. Haar grootste angst is dat zij [minderjarige 1] dan ook minder gaat zien. De moeder respecteert dat het perspectief van [minderjarige 1] bij de pleegouders ligt. De moeder is bang dat het inschakelen van een advocaat in de lopende procedures de verstandhouding met de pleegouders mogelijk verslechterd heeft. De moeder geeft tijdens de zitting aan dat de communicatie ook verslechterd is omdat zij het ontzettend druk heeft en soms vergeet te reageren op berichten en foto’s. Ze ziet de berichten van de pleegouders over [minderjarige 1] wel en neemt zich dan voor om op een later moment te reageren, maar dat vergeet zij soms. Dit gebeurt niet alleen bij de pleegouders, maar ook bij anderen. Als er beslissingen genomen moeten worden, kan de moeder wel meteen reageren. De moeder vindt het belangrijk dat de communicatie met de pleegouders hersteld wordt naar hoe het eerst was.
De pleegouders staan achter de verzoeken van de Raad en de GI. De communicatie met de moeder is volgens hen verslechterd omdat de moeder sinds carnaval 2026 niet meer reageert op berichten met foto’s van [minderjarige 1] . De pleegouders doen er alles aan om de moeder zoveel mogelijk te betrekken in het leven van [minderjarige 1] , maar het doet hen ook pijn als er geen reactie van de moeder komt. Dit baart de pleegouders ook zorgen over de bereikbaarheid van de moeder als er mogelijk spoedeisende gezagsbeslissingen genomen zouden moeten worden. Het is voor de pleegouders ook lastig dat de moeder bij de Raad dingen aangeeft over het speen- en eetgedrag van [minderjarige 1] , terwijl de pleegouders hier anders in staan.
Gelet op de moeizame communicatie zouden de pleegouders het fijn vinden als, bij een gezagsbeëindiging, de GI benoemd wordt tot voogd. De pleegouders merken verder op dat het voor de moeder soms lastig is om haar aandacht te verdelen over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] tijdens de contactmomenten. Zij maken zich zorgen over hoe deze eruit gaan zien als de nieuwe baby van de moeder er ook nog bij zal zijn en de moeder haar aandacht over drie kinderen moet verdelen. De pleegouders begrijpen dat het voor de moeder gevoelsmatig lastig is als haar gezag over [minderjarige 1] zou worden beëindigd. De pleegouders benadrukken dat de moeder altijd de moeder van [minderjarige 1] blijft en dat zij haar overal bij zullen blijven betrekken, ook als zij geen gezag meer zou hebben. Zelfs de uitnodiging om naar de camping te komen in de zomer blijft staan. De pleegouders willen graag werken aan de onderlinge communicatie met de moeder.
5. Het oordeel van de rechtbank
de gezagsbeëindiging
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
De rechtbank stelt vast dat aan het bepaalde in artikel 1: 266 lid 1 onder a BW is voldaan. [minderjarige 1] wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. De moeder heeft door haar verstandelijke beperking en problematiek op het gebied van (onder meer) middelengebruik, huiselijk geweld, financiën en huisvesting, [minderjarige 1] geen veilige en stabiele opvoedsituatie kunnen geven. [minderjarige 1] verblijft hierdoor sinds haar geboorte in een pleeggezin. De moeder heeft in de afgelopen jaren wel stappen gezet. Zo is er inmiddels geen sprake meer van middelengebruik en is de gewelddadige relatie met de biologische vader van [minderjarige 1] beëindigd. Desondanks blijft de moeder beperkt belastbaar en heeft haar problematiek ook invloed op de samenwerking tussen de moeder, het pleeggezin en de GI, die wisselend verloopt. Daarbij komt dat de moeder na de geboorte van [minderjarige 1] nog een andere dochter heeft gekregen ([minderjarige 2]), op dit moment opnieuw zwanger is en dat zij het nu al moeilijk vindt om haar aandacht over de kinderen te verdelen. Het perspectief van [minderjarige 1] ligt al geruime tijd bij de pleegouders en er wordt door de GI dan ook niet meer gewerkt aan een thuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder. De moeder heeft één keer per week een contactmoment met [minderjarige 1] voor de duur van drie uur onder begeleiding van [hulpverlening]. Gelet op de beperkte belastbaarheid wordt deze vorm en frequentie van contact op dit moment het hoogst haalbare geacht. [minderjarige 1] is inmiddels bijna vier jaar en verblijft al net zo lang niet meer bij de moeder, waardoor de rechtbank van oordeel is dat de aanvaardbare termijn is verstreken.
Nu vaststaat dat het perspectief [minderjarige 1] niet meer bij de moeder ligt, zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in beginsel niet langer de geëigende maatregelen.
Omdat gezagsbeëindiging een maatregel is die diep ingrijpt in het gezinsleven van zowel de ouder van wie het gezag wordt beëindigd als de minderjarige over wie het gezag wordt uitgeoefend, moet terughoudend met deze maatregel worden omgegaan. Om deze reden dient de maatregel aan de eisen van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en dus ook aan de maatstaven die in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zijn vastgelegd, getoetst te worden. Dit brengt met zich dat onderzocht moet worden of de maatregel noodzakelijk is. Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de maatregel in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd. De rechtbank zal op grond hiervan hierna beoordelen of een gezagsbeëindiging noodzakelijk en proportioneel is.
De rechtbank acht de gezagsbeëindiging van de moeder noodzakelijk en proportioneel, zodat de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige 1] zal beëindigen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
De rechtbank is van oordeel dat door de problematiek van de moeder in combinatie met haar overvraging bij instandhouding van het gezag een aanzienlijk risico bestaat dat gezagsbeslissingen onvoldoende van de grond komen of onnodig vertraagd zullen worden. Dat is niet in het belang van [minderjarige 1] . De rechtbank constateert dat de moeder overvraagd wordt op verschillende vlakken. Er is sprake van een patroon, waarbij een combinatie van haar persoonlijke problematiek, onrust en/of overvraging met periodes ervoor zorgt dat het minder goed gaat met de moeder. De moeder heeft in de afgelopen jaren vooruitgang laten zien, maar heeft ook nog de nodige stappen te zetten. De moeder heeft, boven op haar persoonlijke problematiek, haar handen vol aan haar dochter [minderjarige 2] en de nieuwe zwangerschap (met bijhorende fysieke ongemakken). Door alles wat er speelt lukt het haar niet altijd om op berichten of foto’s die de pleegouders sturen te reageren, terwijl dat wel in het belang van [minderjarige 1] en de verstandhouding met de pleegouders is. Daarbij geeft de moeder toe dat zij ook niet altijd bereikbaar is voor anderen, zoals de GI. De GI moet de moeder vaak meerdere malen bellen en herinneringen sturen om te reageren op berichten. De moeder voert weliswaar aan dat zij, als het om belangrijke zaken gaat, wel direct kan en zal reageren, maar daar vertrouwt de rechtbank niet op. De rechtbank is van oordeel dat het mogelijk niet (voortvarend) kunnen nemen van beslissingen een te groot risico met zich meebrengt ten aanzien van bijvoorbeeld (medische) spoedbeslissingen of andere beslissingen die snel moeten worden genomen. Voor de rechtbank weegt mee dat de overvraging van de moeder in ieder geval ook niet minder zal worden in de nabije toekomst, gelet op de komst van haar derde kindje over een aantal maanden. De rechtbank benadrukt dat het gaat om onmacht van de moeder en niet om onwil. Het is voor de rechtbank duidelijk dat de moeder ontzettend veel van [minderjarige 1] houdt en naar haar beste kunnen er voor [minderjarige 1] probeert te zijn.
De rechtbank is van oordeel dat het in stand houden van het gezag van de moeder daarnaast voor te veel onrust en onduidelijkheid zorgt. De moeder geeft aan zich erbij te hebben neergelegd dat het perspectief van [minderjarige 1] in het pleeggezin ligt, maar doet soms uitspraken die het tegenovergestelde doen lijken. De moeder licht tijdens de zitting toe dat deze uitspraken meer als een soort wens van het hart gezien moeten worden en niet als een serieuze bedenking over het perspectief van [minderjarige 1] . De rechtbank kan echter niet anders dan concluderen dat deze wisselende uitspraken grote onrust veroorzaken bij de betrokken instanties en met name bij de pleegouders en daarmee ook indirect bij [minderjarige 1] .
Het is voor de rechtbank duidelijk dat de moeder niet doelbewust onrust wil veroorzaken met haar uitspraken. Haar “hartenwens om al haar kinderen bij zich te hebben”, is invoelbaar en kan de moeder dan ook niet kwalijk genomen worden. Dit maakt de situatie van [minderjarige 1] en de beslissing van de rechtbank echter niet anders.
[minderjarige 1] groeit al sinds haar geboorte niet bij de moeder op, heeft door alles wat zij heeft meegemaakt een ‘rugzakje’ en heeft na vier jaar behoefte aan en recht op rust en duidelijkheid. Een gezagsbeëindiging van de moeder zal [minderjarige 1] duidelijkheid geven en draagt eraan bij dat [minderjarige 1] erop mag vertrouwen dat zij mag opgroeien bij de pleegouders tot aan haar volwassenheid, waardoor zij zich optimaal kan ontwikkelen. Een ‘lichtere’ maatregel, namelijk het door de moeder laten behouden van het gezag en het voortduren van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, wordt (gelet op al het voorgaande) niet in het belang van [minderjarige 1] geacht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat indien het gezag van de moeder in stand zou worden gelaten, jaarlijks een verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] zou moeten plaatsvinden. De rechtbank is van oordeel dat dit in de toekomst te belastend is voor [minderjarige 1] en alle andere betrokken partijen. [minderjarige 1] is nu nog jong, maar komt straks op een leeftijd waarop haar mening hierover gevraagd zal worden. De wens van de moeder om de plaatsing van [minderjarige 1] bij de pleegouders in het vrijwillig kader te laten voortduren, acht de rechtbank niet haalbaar. Daarvoor is de communicatie tussen de moeder en de pleegouders onvoldoende, is de moeder niet voldoende bereikbaar voor de hulpverlening en de pleegouders en is zij onvoldoende in staat om zelfstandig (voortvarend) beslissingen te nemen over [minderjarige 1] die in haar belang zijn.
Deze beslissing neemt niet weg dat de moeder altijd de moeder van [minderjarige 1] zal blijven en een belangrijke rol zal blijven spelen in het leven van [minderjarige 1] . Het verlies van het ouderlijk gezag leidt niet tot een beperking van het recht op omgang met [minderjarige 1] . De moeder houdt het recht om omgang te hebben met [minderjarige 1] en [minderjarige 1] heeft onverminderd recht op omgang met haar moeder. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat de pleegouders (en de GI) de moeder actief zullen blijven betrekken in het leven van [minderjarige 1] .
Voogdij
De beëindiging van het gezag van de moeder zal ertoe leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige 1] komt te ontbreken, omdat de moeder alleen het ouderlijk gezag uitoefent. De rechtbank zal daarom op grond van artikel 1:275 BW een voogd benoemen. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat de voogdij het beste bij een neutrale partij kan worden belegd. Het contact tussen de moeder en de pleegouders verloopt op dit moment moeizaam. Aangezien de GI reeds betrokken is en zich bereid heeft verklaard de voogdij op zich te nemen, zal de rechtbank deze gezinsvoogdijinstelling belasten met de voogdij. De GI kan dan regie voeren over het verdere contact tussen [minderjarige 1] en de moeder, waardoor de pleegouders zich primair kunnen richten op de opvoeding van [minderjarige 1] .
De rechtbank merkt wellicht ten overvloede op dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat actief gewerkt wordt aan het herstellen van de band en communicatie tussen de moeder en de pleegouders. De rechtbank acht het zeer positief dat zowel de moeder als de pleegouders tijdens de zitting hebben aangegeven hiervoor open te staan, ongeacht de uitkomst van de procedure.
Aantekening in het gezagsregister
De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit gezagsregisters tevens bepalen dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het centrale gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing over de gezagsbeëindiging uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat deze meteen geldt, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat.
Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
Gelet op de beslissing tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder en de bepaling van de voogdij van de GI over [minderjarige 1] , komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De rechtbank zal daarom het verzoek van de GI afwijzen.
6. De beslissing
De rechtbank:
in de zaak C/03/342277 / FA RK 25-1170
beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder] over:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
benoemt tot voogd(es) over [minderjarige 1] , de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister;
in de zaak C/03/349768 / JE RK 26-315
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Meijden (voorzitter), mr. Vogels en
mr. Noelmans-Verbong, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op
14 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. Bouvrie als griffier.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.