ECLI:NL:RBLIM:2026:9012

ECLI:NL:RBLIM:2026:9012

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer C/03/334730 / FA RK 24-2831, C/03/353170 / JE RK 26-1038 en C/03/353171 / JE RK 26-1039
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

De kinderen blijven, nadat zij eerst via een machtiging tot uithuisplaatsing tijdelijk bij de vader zijn geplaatst, definitief bij de vader door toewijzing van het eenhoofdig gezag aan de vader. De beëindiging van het gezamenlijk gezag brengt met zich dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen van rechtswege bij de vader is. De resterende termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing is afgewezen. Het lukt de moeder nog altijd niet om emotionele toestemming aan de kinderen te geven voor contact met de vader. Ook tijdens en na de plaatsing bij vader heeft zij de kinderen klem gezet. Het verzoek van de moeder voor nader onderzoek of de benoeming van een bijzondere curator is afgewezen, omdat dit niet in het belang van de kinderen wordt geacht. De GI houdt de regie over de omgang tussen de kinderen en de moeder in het kader van de ondertoezichtstelling. Het verzoek van de moeder om een omgangsregeling vast te stellen is daarmee gedeeltelijk afgewezen. De kinderbijdrage van de vader aan de moeder is op nihil gesteld en het verzoek van de vader voor een kinderbijdrage van de moeder is afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Familie en jeugd

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummers: C/03/334730 / FA RK 24-2831

C/03/353170 / JE RK 26-1038 en C/03/353171 / JE RK 26-1039

Datum uitspraak: 20 augustus 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over ouderlijke verantwoordelijkheden en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak C/03/334730 / FA RK 24-2831 (ouderlijke verantwoordelijkheden) van

[vader] ,

wonende in [plaatsnaam] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers uit Horst, gemeente Horst aan de Maas;

tegen:

[moeder] ,

wonende in [plaatsnaam] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.J.S. Houtackers uit Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo,

over:

[minderjarig kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [plaatsnaam] ,

hierna te noemen: [minderjarig kind 1] ,

en

[minderjarig kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [plaatsnaam] ,

hierna te noemen: [minderjarig kind 2] ,

samen te noemen: de kinderen.

in de zaak C/03/353170 / JE RK 26-1038 en C/03/353171 / JE RK 26-1039 (verlenging machtiging uithuisplaatsing) van:

de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd in Roermond,

hierna te noemen: de GI,

over [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] .

De rechtbank merkt de vader en de moeder als belanghebbenden aan in de zaken C/03/353170 / JE RK 26-1038 en C/03/353171 / JE RK 26-1039.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in beide zaken betrokken:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Limburg, locatie Roermond, verder te noemen: de Raad.

1. Het verdere verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit het volgende:

in de zaak C/03/334730 / FA RK 24-2831

- de beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 29 januari 2026;

- het F9-formulier met bijlagen van de moeder, ontvangen op 26 juni 2026;

- het F9-formulier met bijlagen van de vader, ontvangen op 1 juli 2026;

- het F9-formulier met bijlagen van de moeder, ontvangen op 2 juli 2026;

- het verweerschrift met bijlagen van de moeder, ontvangen op 3 juli 2026;

- de brief met bijlagen van de moeder, ontvangen op 7 juli 2026;

in de zaken C/03/353170 / JE RK 26-1038 en C/03/353171 / JE RK 26-1039

- de beschikking van deze rechtbank van 14 juli 2026.

in alle zaken

- de beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 juli 2026 met zaaknummers 200.365.836/01 en 200.365.836/02 (ECLI:NL:GHSHE:2026:1981).

Op 8 juli 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de mondelinge behandeling met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

de vader met zijn advocaat;

de moeder met haar advocaat;

twee vertegenwoordigers van de GI;

een vertegenwoordigster van de Raad.

De vader heeft voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank schriftelijk verzocht om Yvoor als informant op te roepen. De rechtbank heeft hiervan afgezien, gelet op de zeer uitvoerige verslagen van Yvoor die door zowel de GI als de vader zijn overgelegd.

De hiervoor genoemde zaken zijn samen met de vorderingen (vervangende toestemming vakantie) van de vader (zaaknummer: C/03/353593 / KG ZA 26-250) behandeld. In deze kortgedingprocedure is op 13 juli 2026 afzonderlijk eindvonnis gewezen.

De rechtbank heeft [minderjarig kind 1] , gelet op de tijd die is verstreken sinds het laatste kindgesprek, opnieuw in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken in de zaak met zaaknummer C/03/334730 / FA RK 24-2831. [minderjarig kind 1] heeft op 8 juni 2026 met de voorzitter van de meervoudige kamer gesproken. De voorzitter heeft tijdens de zitting samengevat wat [minderjarig kind 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om [minderjarig kind 1] in het kader van de verlengingsverzoeken van de GI nog een keer apart uit te nodigen.

De rechtbank heeft [minderjarig kind 2] , gelet op haar leeftijd en het nadrukkelijke verzoek van de moeder om haar te horen, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Zij is uitgenodigd om op gesprek te komen op 7 juli 2026 of haar mening schriftelijk kenbaar te maken. Zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2. De laatste (tussen)beschikking van de rechtbank en de beschikking van het Gerechtshof

in de zaak C/03/334730 / FA RK 24-2831

Bij beschikking van 29 januari 2026 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het verzoek van de moeder om de beslissing op de verzoeken van de vader aan te houden in afwachting van de in te zetten systemische hulpverlening afgewezen, net als haar aanvullende, zelfstandige verzoek om over te gaan tot een NIFP-onderzoek, dan wel een deskundigenbericht te bevelen met een opdracht aan een forensisch mediator. Iedere beslissing op de verzoeken van de vader is aangehouden en de ouders zijn verzocht om uiterlijk een week voor de nadere mondelinge behandeling de meest recente stand van zaken bekend te maken. De rechtbank heeft in deze beschikking tevens in de zaken C/03/337579 / JE RK 24-2094 en C/03/337580 / JE RK 24-2095 het verzoek van de moeder om over te gaan tot een NIFP-onderzoek, dan wel een deskundigenbericht te bevelen afgewezen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] bij de vader verleend met ingang van 29 januari 2026 tot 12 augustus 2026.

de beschikking van het Gerechtshof van 7 juli 2026

Het Gerechtshof heeft de beschikking van de meervoudige kamer van de rechtbank van 29 januari 2026 bekrachtigd. De verzoeken van de moeder om een NIFP-onderzoek en/of deskundigenonderzoek te gelasten zijn door het Gerechtshof afgewezen.

in de zaken C/03/353170 / JE RK 26-1038 en C/03/353171 / JE RK 26-1039

Bij beschikking van 14 juli 2026 is in de zaken C/03/353170 / JE RK 26-1038 en C/03/353171 / JE RK 26-1039 de ondertoezichtstelling van [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] verlengd tot 12 augustus 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] verlengd tot 12 september 2026. De beslissing over de resterende termijn van de machtiging uithuisplaatsing is aangehouden.

3. De (aangehouden) verzoeken en verweren

in de zaak C/03/334730 / FA RK 24-2831

De vader heeft verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij

voorraad:

te bepalen dat de vader voortaan zal worden belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen;

de beschikking van 26 november 2021 te wijzigen en te bepalen dat de kinderen voortaan hun feitelijke hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben;

in het geval de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader zal worden bepaald de beschikking van 26 november 2021 te wijzigen en te bepalen dat de vader voortaan geen bijdrage meer aan de moeder verschuldigd is wegens de kosten van de kinderen.

De vader heeft op 1 juli 2026 zijn verzoek aangevuld in die zin dat hij de rechtbank verzoekt de kinderbijdrage te wijzigen en te bepalen dat de moeder een bedrag van € 125,- per kind per maand dient te betalen aan de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

De moeder heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vader in zijn verzoeken, dan wel tot afwijzing daarvan. Subsidiair heeft de moeder verzocht de beslissing op de verzoeken van de vader aan te houden voor de duur van een half jaar in afwachting van de in te zetten systemische hulpverlening.

De moeder heeft op 26 juni 2026 opnieuw verzocht, bij wege van zelfstandige verzoeken, om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

1. over te gaan tot een NIFP-onderzoek met benoeming van Formaat Jeugdforensische Diagnostiek, of een andere aan het NIFP gelieerd instituut, voor het uitvoeren van de navolgende onderzoeken:

- “Ouderschap en Gezin”;

- Een “persoonlijkheidsonderzoek volwassenen”, voor beide ouders;

- Zo nodig de interactie tussen de ouders en de kinderen te observeren

en daarover te rapporteren aan deze rechtbank.

2. Een deskundigenbericht te bevelen met de opdracht aan de forensisch mediators te

weten, [deskundige 1] en [deskundige 2] , om partijen te

begeleiden bij het maken en uitvoeren van gezamenlijke afspraken om te komen tot

herleving van de zorg- en contactregeling, danwel de rechtbank te informeren over hetgeen in het belang van de kinderen is en daarbij de volgende vragen te beantwoorden:

a. Welke hoofdverblijfplaats komt tegemoet aan de belangen van de kinderen?

b. Welke verdeling van de zorg- en opvoedtaken komt tegemoet aan de belangen van de kinderen en hoe moet die worden opgebouwd?

c. Kunt u de rechtbank rapporteren over het verloop van de Mediation en wat zijn uw bevindingen/opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

Dan wel hen te benoemen tot bijzonder curator.

3. Een nieuw raadsonderzoek te gelasten naar de vraag of een andere verdeling van de zorg en opvoedtaken dan die tussen partijen is afgesproken en vastgelegd in het belang van de kinderen is en hoe deze z.s.m. weer op te bouwen en welke hulpverlening partijen en de kinderen daarbij nodig hebben.

4. De reguliere zorg en contactregeling vast te stellen als volgt:

Even weken:

De vader haalt de kinderen vrijdag na schooltijd op bij school.

De kinderen blijven bij vader tot woensdagochtend en brengt ze naar school.

Oneven weken:

De moeder haalt de kinderen op woensdagmiddag na schooltijd op bij school.

Althans een zodanige (opbouw van) de zorg en contactregeling als de rechtbank in het belang van de kinderen acht.

4. Het verslag van Yvoor van mei 2026

Yvoor ziet op dit moment onvoldoende ruimte om op een betekenisvolle en werkzame manier verder te kunnen gaan met ouderbehandeling van de moeder. Yvoor omschrijft een terugkerende spanning in de werkrelatie met de moeder. Enerzijds geeft de moeder bij Yvoor aan dat zij onvoldoende wordt voorbereid en achteraf wordt gestraft voor wat zij zegt of doet. Anderzijds houdt zij pogingen tot voorbereiding en reflectie af, omdat zij deze ervaart als controle, beoordeling of verantwoording. De gesprekken met de moeder worden gekenmerkt door defensiviteit en wantrouwen. De moeder geeft aan dat zij alle gesprekken met Yvoor opneemt en deze laat horen aan haar psycholoog en/of Koach&Co, die vervolgens aangeven dat zij het goed doet en dat Yvoor te eenzijdig kijkt. De moeder blijft een negatieve focus hebben op de vader en kan niet reflecteren op haar eigen gedrag en handelen. Wanneer de behandelaar van Yvoor aan de moeder vraagt welk aandeel zij mogelijk zelf gehad zou kunnen hebben in de uithuisplaatsing, geeft moeder stellig aan dat zij geen enkel aandeel heeft gehad. Zij zegt dat er niets aan haar of haar handelen te wijten is.

Yvoor omschrijft een vader die, binnen de complexe situatie, probeert de kinderen zoveel mogelijk een stabiele opvoedomgeving te bieden. Yvoor merkt op dat hij binnen de ouderbehandeling stappen zet.

De kinderen lijken het fijn te hebben bij de vader thuis. Yvoor heeft een warme, positieve interactie waargenomen tussen de vader en de kinderen. De kinderen vertellen, maken grapjes en zoeken fysiek contact met de vader in de vorm van een knuffel of het vastpakken van een hand. In het contact met de behandelaar wordt opgemerkt dat de kinderen zich steeds meer openstellen. Yvoor ziet, in vergelijking met de periode voorafgaand aan de uithuisplaatsing, meer signalen van veilig hechtingsgedrag. Met name bij [minderjarig kind 1] ziet Yvoor dat hij ruimte lijkt te voelen om te reflecteren op zijn eigen gedrag of gevoel. Beide kinderen maken bij Yvoor een veerkrachtige indruk, waarbij er ruimte is om te spreken over de impactvolle gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden.

5. De (nadere) standpunten en informatie

De vader

De vader handhaaft zijn verzoeken. De moeder blijft de kinderen klemzetten en belasten met volwassenproblematiek. Haar handelen rondom de uithuisplaatsing en het weglopen van de kinderen acht de vader zeer kwalijk en schadelijk. De moeder toont geen zelfreflectie en legt de schuld continue buiten zichzelf. Zij blijft zich ook negatief uitlaten over de vader. De vader kan zich vinden in het verslag van Yvoor. Wat de vader betreft heeft Yvoor de kern van de problematiek goed omschreven. Het eenhoofdig gezag is nodig omdat beslissingen door de moeder worden gefrustreerd en alles, hoe klein ook, door de moeder wordt aangegrepen om de strijd aan te gaan. Een voorbeeld hiervan zijn de bibliotheekpasjes van de kinderen, die de moeder niet wilde afgeven en waardoor van account gewisseld moest worden. De vader wordt iedere dag nog bestookt met berichten van de moeder. Er zullen nog heel wat beslissingen genomen moeten worden, ook rondom de hulpverlening voor de kinderen. De vader maakt zich hier zorgen over omdat de moeder iedere vorm van hulpverlening diskwalificeert en steeds andere hulpverlening wil. De vader verwacht niet dat de moeder haar medewerking zal verlenen aan hulpverlening, waardoor de strijd blijft bestaan. De vader zou graag zien dat de contactregeling onder regie van de GI blijft. Afhankelijk van hoe het loopt kan het contact worden uitgebreid. De kinderen doen het naar omstandigheden goed bij de vader. De vader merkt wel dat de kinderen veel hebben meegemaakt. Met name bij [minderjarig kind 1] , die het steeds beter lukt zijn beleving en gevoelens onder woorden te brengen, ziet de vader hoeveel last hij heeft van de situatie. Er is een grote behoefte aan rust, vooral bij de kinderen, maar ook bij de vader. De vader is verder van mening dat het verzoek van de moeder om opnieuw (diagnostisch) onderzoek te laten doen of een deskundige te benoemen moet worden afgewezen, omdat dit geen toegevoegde waarde heeft en enkel voor vertraging en onrust zorgt die niet in het belang van de kinderen is. Het benoemen van een bijzondere curator heeft evenmin toegevoegde waarde, omdat de GI en hulpverlening bij de kinderen betrokken zijn. Dat is voldoende.

De moeder

De moeder is van mening dat de verzoeken van de vader moeten worden afgewezen. Het aanvullend verzoek van de vader met betrekking tot de kinderbijdrage is onvoldoende onderbouwd om gemotiveerd te kunnen betwisten. De moeder vraagt de rechtbank daarom dit verzoek buiten beschouwing te laten en het verzoek van de vader met betrekking tot de nihil stelling van de kinderbijdrage af te wijzen. Het verzoek tot eenhoofdig gezag moet eveneens afgewezen worden. Een gezagswijziging is een ultimum remedium. Het uitgangspunt is gezamenlijk gezag en daar dient slechts in hele uitzonderlijke gevallen van worden afgeweken. De moeder betwist nadrukkelijk dat zij gezagsbeslissingen heeft tegengehouden of dat zij haar gezag misbruikt. De moeder heeft het gevoel dat het verzoek tot eenhoofdig gezag een middel is om de haar in een kwaad daglicht te zetten. Zij is van mening dat de vader dit verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. Het wijzigen van de hoofdverblijfplaats acht de moeder niet in het belang van de kinderen. De kinderen dienen vanuit haar thuissituatie te werken aan contact met de vader en niet andersom. De moeder maakt zich nog steeds grote zorgen over de veiligheid van de kinderen bij de vader. Zij is van mening dat haar zorgen en de uitspraken van de kinderen onvoldoende serieus worden genomen. Het doel van de uithuisplaatsing, namelijk het komen tot onbelast contact met beide ouders, is niet bereikt. Er is immers geen onbelast contact met de moeder of met haar netwerk. De kinderen moeten zo snel als mogelijk terug bij haar geplaatst worden. Met name uit de rapportages van Koach&Co blijkt wat de kinderen echt nodig hebben, namelijk contact met de moeder op basis van vertrouwen. Dit contact met de moeder wordt door de GI eenzijdig tegengehouden. Zij zetten in op controle en niet op vertrouwen. De moeder moet van de GI psychische hulp voor zichzelf regelen. Die hulp zou dan geboden moeten worden door iemand die openstaat voor contact met de GI, zodat de GI en de betrokken hulpverlening handvatten krijgen over hoe zij met de moeder moeten omgaan. Dat is vaag en subjectief, terwijl de GI het contact met de kinderen wel fors beperkt. De moeder is bij de huisarts geweest, maar die ziet geen aanleiding voor psychische hulp. Desgevraagd geeft de moeder aan dat zij zelf geen hulpvraag heeft geformuleerd, maar bij de huisarts heeft aangegeven dat de GI en de hulpverlening een doorverwijzing naar de GGZ voor diagnostiek en een persoonlijkheidsonderzoek nodig vinden. De moeder heeft al psychologische hulp vanuit de arbodienst en zij heeft gesprekken met een ervaringsdeskundige, de heer Vogels. De GI vindt dit echter niet voldoende. De rapportages van Koach&Co maken duidelijk dat een gedwongen kader, waarin kinderen zomaar bij de andere ouder worden geplaatst, zonder rekening te houden met hun belastbaarheid, voor de kinderen traumatisch is. De moeder verwijst naar productie 22 van haar verweerschrift, waarin ook in de media de negatieve gevolgen hiervan worden bevestigd. Als het traject met Koach&Co was doorgezet, had het allemaal niet zo ver hoeven komen. Vanuit de loyaliteit van de kinderen is het logisch dat ze naar de moeder willen en zelfs naar haar gevlucht zijn. De moeder wordt onterecht verweten dat zij niet juist heeft gehandeld toen de kinderen tot twee keer toe zijn weggelopen. De moeder erkent dat zij dingen anders had kunnen doen door bijvoorbeeld zelf de politie te bellen, maar benadrukt ook dat het een hele lastige situatie was waarbij zij het vertrouwen van de kinderen niet wilde verliezen. Zij heeft haar best gedaan om de situatie te de-escaleren en zich aan de afspraken uit het veiligheidsplan te houden. De kinderen betalen nu de prijs voor het tekortschieten van alle betrokkenen inclusief de hulpverlening en de GI. Er wordt niet geluisterd naar de kinderen. Alles waar de moeder voor vreesde, is werkelijkheid geworden. De aanpak van de rechtbank (het plaatsen van de kinderen bij de vader) ligt juridisch en wetenschappelijk zwaar onder vuur en belangrijker: in dit dossier was en is een andere aanpak mogelijk. De kinderen moeten teruggeplaatst worden bij de moeder en vanuit daar moet gewerkt worden aan onbelast contact met beide ouders, en wel in de vorm van de eerder geldende zorgregeling. De moeder voorziet daar geen problemen meer in, omdat voor iedereen duidelijk is wat daarvan afhangt. De contactmomenten met de kinderen zijn nu zeer beperkt en begeleid, waardoor de moeder geen onbelast contact kan hebben met de kinderen. De moeder weet niet meer wat ze anders zou moeten doen; zij voelt zich machteloos. Ze krijgt geen concrete feedback meer op de contactmomenten van Yvoor. De moeder heeft veel verdriet van de situatie, die niet alleen voor haar en de kinderen heel ingrijpend is, maar ook voor haar ouders, partner en stiefkinderen. De moeder wil met haar zelfstandige verzoeken een alternatieve weg bewandelen. Ook voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling en de noodzaak van de machtiging tot uithuisplaatsing is dit van belang, zodat de moeder haar verzoeken ook in die procedure doet. De moeder betwist dat dit voor vertraging of belasting van de kinderen zorgt. Een van de voorgestelde deskundigen heeft ook een psychologische achtergrond.

De GI

De GI neemt geen standpunt in over de verzoeken van de vader. Voor de GI is wel duidelijk dat de kinderen bij de vader moeten blijven. Als de rechtbank bepaalt dat de vader voortaan alleen gezag heeft, zal de GI aandacht blijven houden voor het contact tussen de moeder en de kinderen. De GI kan daar dan ook nog steeds aanwijzingen over geven. Het contact moet uiteindelijk ook uitgebreid kunnen worden. De kinderen vinden het nu nog moeilijk zich te verhouden in de dynamiek tussen ouders. Daarbij belast vooral de moeder de kinderen fors. [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] gaan gebukt onder de druk die de moeder en het systeem rondom de moeder uitoefenen op de kinderen. De kinderen doen uitingen van mishandeling die in het verleden (en nu nog steeds) geplaatst werden en worden in het kader van ouderonthechting en coalitiegedrag, omdat de kinderen geen verdere inhoud kunnen geven aan deze uitingen. Wat betreft de omgeving van de kinderen ziet de GI dat de grootouders moederszijde onderdeel zijn van de aanhoudende strijd. Waar de kinderen bij staan, diskwalificeren zij de vader en de hulpverlening. Dit geeft geen basis om de kinderen uit deze aanhoudende strijd te krijgen en te houden. Ook de uitvoering van de uithuisplaatsing van de kinderen is door toedoen van de moeder onnodig geëscaleerd. Erdoor is politie aan te pas moeten komen om de kinderen aan de vader over te dragen en dat is niet in het belang van de kinderen. Sterker nog: het is zeer schadelijk. De moeder laat weinig tot geen zelfreflectie zien en laat zich leiden door haar emoties. Dit heeft er ook op andere momenten toe geleid dat de politie ingeschakeld is om de situatie te de-escaleren. Yvoor komt niet tot een behandelovereenkomst met de moeder. De moeder staat niet open voor de systeem- of ouderbehandeling, al zegt ze tijdens de zitting dit wel te willen. De moeder (h)erkent de zorgen niet die de hulpverlening en GI hebben ten aanzien van haar gedrag en handelen. Volgens de moeder moet de hulpverlening zich met name richten op de vader en zijn onveilige situatie. Yvoor kan hierdoor geen behandeling bieden aan de moeder, terwijl de GI dat juist noodzakelijk vindt. Yvoor vindt inzet van GGZ nodig, zodat diagnostiek bij en een persoonlijkheidsonderzoek van de moeder kan worden uitgevoerd. De moeder zegt een eigen behandelaar te hebben, maar wil daarvan geen gegevens delen. Afstemming tussen de GI, de reeds betrokken hulpverlening en de door de moeder ingezette psycholoog/hulpverlening is dan ook niet mogelijk. Bij de huisarts komt zij niet verder omdat zij geen concrete hulpvraag heeft. De GI heeft de moeder aangeboden om mee te gaan naar de huisarts om de situatie nader toe te lichten en de moeder te ondersteunen, maar dit wil de moeder niet vanwege privacyoverwegingen. Zolang de moeder geen behandeling aangaat, vindt de GI een uitbreiding van het contact met de kinderen niet in het belang van de kinderen en is overdracht naar het vrijwillig kader niet mogelijk. De GI ziet geen meerwaarde in een NIFP-onderzoek of de benoeming van een deskundige. Het is van belang, met name voor de kinderen, dat het traject bij Yvoor kan worden voortgezet en dat er snel rust en duidelijkheid komt.

6. Het advies van de Raad

De Raad vindt het in het belang van de kinderen dat hun hoofdverblijfplaats bij de vader wordt vastgesteld. De kinderen zijn toe aan duidelijkheid. Het verslag van Yvoor laat duidelijk zien waar de pijnpunten zitten en waaraan gewerkt moet worden. Een nieuw onderzoek door de Raad of een andere deskundige heeft daarom geen meerwaarde. Of er een NIFP-onderzoek moet komen laat de Raad over aan de rechtbank. Eenhoofdig gezag maakt dat de GI in het kader van de ondertoezichtstelling de moeder met minder mandaat kan aansturen. Er is wel voldaan aan de wettelijke criteria voor eenhoofdig gezag. De kinderen zitten klem. Ook ziet de Raad geen mogelijkheden voor verandering op korte termijn. Dan moet het nog noodzakelijk zijn. De Raad wil de moeder niet breken door alles af te nemen en vraagt daarom om het verzoek ten aanzien van het gezag aan te houden als een laatste ‘wake up call’ voor de moeder.

7. De mening van [minderjarig kind 1]

vertelt dat het goed met hem gaat, maar dat de situatie niet zo fijn is. Het was in het begin moeilijk om bij zijn vader te zijn, omdat hij graag bij zijn moeder wilde zijn. Toen hij begon te wennen bij zijn vader was het uiteindelijk oké. [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] zien de moeder nu bij Yvoor. [minderjarig kind 1] vindt het wel eens lastig als zijn vader boos wordt en dat heeft hij ook aan hem uitgelegd. [minderjarig kind 1] vindt het fijn dat hij er met zijn vader over kan praten. Dat lukt ook goed zonder dat daar iemand anders bij is. [minderjarig kind 1] geeft aan de laatste tijd slecht te eten door de hele situatie. Het allerliefst wil [minderjarig kind 1] dat het gewoon weer normaal is; dat hij evenveel contact kan hebben met zijn vader als met zijn moeder.

8. De verdere beoordeling

De beslissing van de rechtbank om [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] bij de vader te plaatsen is een zeer ingrijpende beslissing geweest, niet alleen voor de kinderen, maar voor alle betrokkenen. De rechtbank vindt het verdrietig dat de uithuisplaatsing voor de kinderen op een traumatische wijze is verlopen. De moeder heeft een groot aandeel gehad in het laten escaleren van de situatie. De rechtbank vindt het handelen van de moeder daarin zeer kwalijk. De moeder heeft, ondanks een duidelijke rechterlijke beslissing daartoe nog geprobeerd de uithuisplaatsing uit te stellen en te voorkomen. De moeder heeft vervolgens laten weten mee te werken aan de uithuisplaatsing, maar onder de voorwaarde dat de kinderen zouden worden vervoerd door de politie. Hoewel de rechtbank beseft dat de uithuisplaatsing van de kinderen voor de moeder enorm lastig is en is geweest, heeft zij hiermee opnieuw laten zien dat zij de belangen van de kinderen niet boven haar eigen belang kan plaatsen. De rechtbank betreurt dit des te meer nu het verloop van een mogelijke uithuisplaatsing tijdens de zitting van 18 december 2025 met de moeder is besproken. De moeder heeft toen toegezegd dat er, ondanks haar eerdere uitlatingen, in het geval van een uithuisplaatsing, geen politie aan te pas zou hoeven te komen. Het tegendeel is dus gebleken.

Ook toen de kinderen twee keer zijn weggelopen van de vader naar de moeder heeft de moeder naar het oordeel van de rechtbank niet in het belang van de kinderen gehandeld. Dit blijkt uit de verslagen van de crisisdienst en de door de GI naar voren gebrachte informatie. De eerste keer dat de kinderen zijn weggelopen heeft de moeder niet gemeld dat de kinderen bij haar waren, waardoor de politie hen middels een burgernetactie heeft moeten zoeken. De moeder weigerde de kinderen vervolgens mee te geven. De tweede keer heeft de moeder wel gemeld dat de kinderen bij haar waren, maar is zij met de kinderen uit eten gegaan in plaats van hen terug naar de vader te brengen. Wederom weigerde de moeder om de kinderen mee te geven, waardoor opnieuw assistentie van de politie nodig was om de kinderen terug bij de vader te krijgen. De moeder is na afloop aangehouden en heeft een nacht in de cel doorgebracht. Beide keren stelt de moeder haar eigen voorwaarden en heeft zij de situatie onnodig geëscaleerd in het bijzijn van de kinderen. Zij heeft zelfs de aanwezige hulpverlening uitgescholden en herhaaldelijk gezegd dat de kinderen niet veilig zijn bij de vader. Dit heeft de situatie voor de kinderen, die al enorm beladen en ingewikkeld was, nog moeilijker gemaakt.

De kinderen zijn uiteindelijk samen met de vader op een neutrale locatie geplaatst om tot rust te komen, waarna zij zijn teruggekeerd naar de woning van de vader. Sindsdien zijn de kinderen niet meer weggelopen. Het is positief dat de kinderen op hun eigen school zijn kunnen blijven, omdat de moeder afstand heeft gehouden tot de school waar zij ook werkt(e).

Hoewel het de bedoeling was dat Koach&Co de kinderen en de ouders zou ondersteunen en begeleiden, is die hulpverlening gestopt vanwege een onderzoek naar vermeende fraude binnen Koach&Co. De gemeente geeft daarom geen toestemming meer voor de inzet van Koach&Co en dus valt de financiering daarvan ook weg. Omdat Yvoor al eerder bij het gezin betrokken was, heeft de GI Yvoor benaderd en hebben zij de (systemische) hulp weer opgepakt.

De contactmomenten tussen de moeder en de kinderen worden sinds de uithuisplaatsing begeleid en verlopen moeizaam. De GI heeft daarom de contactmomenten beperkt. Uit de verslagen van Yvoor blijkt dat de moeder tijdens de contactmomenten gefocust is en blijft op de terugkeer van de kinderen bij haar thuis en dingen doet en zegt die de kinderen verder in loyaliteitsconflict brengen en houden. De GI heeft dezelfde ervaring. Een voorbeeld is het schriftje dat de moeder meerdere keren heeft meegenomen naar de contactmomenten. Tijdens de contactmomenten heeft de moeder de kinderen vragen laten beantwoorden in het schriftje. Toen er door de GI gevraagd werd wat er in het schriftje stond, weigerde de moeder inzage te geven. In de huidige procedure heeft de moeder zelf enkele pagina’s uit het schriftje ingediend. Daarop is te zien dat de moeder vragen heeft opgeschreven, die de kinderen hebben beantwoord. De moeder geeft aan dat zij via het schriftje meer te weten wilde komen over de kinderen. Haar vragen zien volgens de moeder op hoe het met de kinderen gaat en op het sporten of andere hobby’s van de kinderen. Het doel van het overleggen van de pagina’s is om transparant te zijn over haar communicatie met de kinderen, aldus de moeder. De rechtbank constateert echter dat de vragen van de moeder zien op de situatie bij de vader. Een voorbeeld hiervan is de vraag: “ben je ergens bang voor?” waarbij [minderjarig kind 1] heeft geschreven: “ja, voor papa”. De moeder legt tijdens de zitting uit dat zij dit een algemene vraag vindt, omdat [minderjarig kind 1] lange tijd bang is geweest voor het donker. Andere, meer neutrale, vragen zoals naar de hobby’s van de kinderen zijn uit de overgelegde stukken niet gebleken. De rechtbank heeft daarom de indruk dat het doel van het schriftje, en het vervolgens indienen van de losse pagina’s, is geweest om de vader in een negatief daglicht te stellen. De rechtbank heeft tijdens de zitting geprobeerd om aan de moeder uit te leggen waarom het stellen van dit soort vragen de kinderen alleen maar verder klemzet tussen de ouders, zeker op deze manier. De moeder ziet dit anders. Dat de kinderen klem zitten ziet ook Yvoor tijdens en rondom de contactmomenten. De kinderen lijken tijdens de contactmomenten bezig met het reguleren van de spanning tussen de ouders en doen uitspraken die de loyaliteitsproblematiek bevestigen. Zo geeft [minderjarig kind 2] bijvoorbeeld bij de moeder aan dat make-up ‘toch niet mag van papa’, terwijl achteraf blijkt dat [minderjarig kind 2] zich bij de vader al meerdere keren heeft opgemaakt.

De rechtbank ervaart tijdens het kindgesprek in juni een hele andere [minderjarig kind 1] , dan tijdens de eerdere kindgesprekken. Waar [minderjarig kind 1] in december 2025 alleen maar negatief over de vader kon praten en vertelde hem niet meer te willen zien, kon [minderjarig kind 1] nu over beide ouders positieve en negatieve punten opnoemen en zegt hij beide ouders te willen zien.

in de zaak C/03/334730 / FA RK 24-2831

Nader onderzoek en bijzonder curator

De moeder verzoekt een NIFP- of raadsonderzoek te gelasten, een deskundigenbericht te bevelen, dan wel een bijzondere curator te benoemen. Deze verzoeken heeft zij eerder in de procedure ook ingediend en die zijn door de rechtbank bij beschikking van 29 januari 2026 afgewezen (en later eveneens door het Gerechtshof). De moeder stelt dat er sprake is van een gewijzigde omstandigheid ten opzichte van de eerdere afwijzing(en). Hoewel de omstandigheden in die zin zijn veranderd dat [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] inmiddels enige tijd bij de vader verblijven en op dit moment beperkt contact hebben met de moeder, zal de rechtbank het verzoek opnieuw afwijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.

De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat er rust en duidelijkheid komt. Het inzetten van een NIFP of raadsonderzoek, dan wel benoeming van (een) deskundige(n) of bijzondere curator zou voor de kinderen het tegenovergestelde betekenen en dat is niet in hun belang. De rechtbank sluit hierbij ook aan bij haar overwegingen zoals opgenomen in de beschikkingen van 29 januari 2026 en 14 juli 2026 en bij de overweging van het Gerechtshof zoals opgenomen in haar beschikking onder rechtsoverweging 6.14. Niet gebleken is dat de hulpverlening van Yvoor ontoereikend of niet doortastend genoeg is om een duidelijk beeld te krijgen van de situatie en hierop door te pakken. Er is een vertrouwensband met de kinderen en er ligt een duidelijke en grondige verslaglegging. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht om een definitieve beslissing te kunnen nemen op de nog voorliggende verzoeken. De vertraging en spanning die nieuwe onderzoeken meebrengen vindt de rechtbank niet wenselijk. Wat de moeder met dit verzoek wil bereiken, namelijk ervoor zorgen dat de kinderen onbelast contact kunnen hebben met beide ouders, kan en dient naar het oordeel van de rechtbank op een andere manier bewerkstelligd te worden. Het is in het belang van de kinderen dat de moeder zich neerlegt bij de inzet van Yvoor, meewerkt en openstelt en niet blijft zoeken naar instanties of hulpverlening die haar visie bevestigen. In het benoemen van een bijzondere curator voor de kinderen ziet de rechtbank ook geen toegevoegde waarde. De kinderen hebben een vertrouwensband met de hulpverlening van Yvoor en de GI blijft in het kader van de ondertoezichtstelling betrokken, waardoor de belangen van de kinderen naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewaarborgd zijn.

Het gezag

Wettelijk kader

Dit verzoek van de vader is gebaseerd op artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel bepaalt dat op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen de rechtbank het gezamenlijk gezag kan beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Het tweede lid van artikel 1:253n BW verklaart het eerste en derde lid van 1:251a BW van overeenkomstige toepassing. Het uitgangspunt van de wetgever is dat beide ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun kind(eren) (blijven) uitoefenen.

Op grond van artikel 1:251a, eerste lid BW kan de rechtbank bepalen dat het gezag aan een van de ouders toekomt indien:

a. sprake is van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.

Omdat gezagsbeëindiging een maatregel is die diep ingrijpt in het gezinsleven van zowel de ouder van wie het gezag wordt beëindigd als de minderjarigen over wie het gezag wordt uitgeoefend, moet terughoudend met deze maatregel worden omgegaan. Om deze reden dient de maatregel aan de eisen van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en dus ook aan de maatstaven die in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zijn vastgelegd, getoetst te worden. Dit brengt met zich dat onderzocht moet worden of de maatregel noodzakelijk is. Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de maatregel in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd.

Gewijzigde omstandigheden

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. Toen de vader zijn verzoek indiende, was de gewijzigde omstandigheid dat hij en de kinderen al geruime tijd geen contact meer hadden met elkaar. Gedurende de procedure zijn de omstandigheden nog verder gewijzigd, in die zin dat de kinderen nu wel weer contact hebben met de vader en zelfs bij hem wonen, maar nu zeer beperkt contact hebben met de moeder. De strijd tussen de ouders heeft in de afgelopen jaren de klempositie van de kinderen verder versterkt en is inmiddels tot onaanvaardbare proporties uitgegroeid.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank zal het verzoek van de vader, om voortaan het eenhoofdig gezag te hebben over [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] , toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan het zogenoemde ‘klem of verloren’ criterium. Dat de kinderen klem zitten is een gegeven, waar beide ouders ook zelf op wijzen. Zij leggen de oorzaak daarvan echter bij de andere ouder. De kinderen hebben in de afgelopen jaren veel meegemaakt door en in de strijd tussen de ouders. Er zijn periodes geweest dat deze strijd ervoor heeft gezorgd dat het contact van de kinderen met een van de ouders volledig is verbroken. Verder zijn de kinderen meermaals getuige geweest van de strijd tussen de ouders, waar ook het netwerk een rol in speelt, en de strijd tussen de moeder en de hulpverlening. De rechtbank concludeert dat de kinderen getraumatiseerd zijn door wat zij hebben meegemaakt. De ingrijpende beslissing om de kinderen bij de vader te plaatsen heeft ervoor gezorgd dat de kinderen in ieder geval weer contact hebben met beide ouders, ook al is het contact met de moeder op dit moment minimaal. Toch blijft er sprake van een fors loyaliteitsconflict bij beide kinderen. Dit wordt ook onderschreven door de betrokken hulpverlening, de Raad, de GI en het Gerechtshof. De rechtbank is van oordeel dat met name de houding van de moeder, haar gebrek aan (zelf)reflectie en emotionele toestemming aan de kinderen om van de vader te mogen houden en hem een belangrijke plek in hun leven te gunnen, hieraan ten grondslag ligt. De moeder blijft met haar uitspraken en handelen de kinderen verder klemzetten en belasten. Het lukt haar niet om de uitspraken van de kinderen te zien in de context van het loyaliteitsconflict waarin zij zich bevinden. De moeder ziet deze uitspraken als een bevestiging van haar stellingen en gebruikt de uitspraken ook in die zin, naar de stellige overtuiging van de rechtbank ten onrechte. De moeder blijft de strijd met de vader, de hulpverlening en de GI opzoeken. Alle regelzaken en beslissingen, groot of klein, van bibliotheekpasje tot vakanties en inschrijvingen, leveren een grote strijd op. De ouders kunnen niet met elkaar communiceren en zelfs met de GI als buffer blijft de strijd aanhouden. Hierdoor is het niet mogelijk (voortvarend) beslissingen te nemen. Dit brengt een te groot risico met zich, zeker ten aanzien van spoedbeslissingen, maar ook voor andere gezagsbeslissingen. Daarnaast maakt de rechtbank zich grote zorgen over de strijd tussen de moeder en de hulpverlening. De moeder lijkt niet open te staan voor hulpverlening, behalve die welke zij passend vindt en die in de overtuiging van de moeder meegaan. Het lukt de moeder vaak niet om het belang van de kinderen voorop te stellen, waardoor het risico te groot is dat (verdere) hulpverlening voor de kinderen vertraging oploopt of onvoldoende van de grond komt, terwijl de kinderen dit vanwege alles wat zij hebben meegemaakt juist hard nodig hebben. De kinderen, en hun ontwikkeling, raken hiermee verloren in de strijd. De rechtbank acht dit niet langer aanvaardbaar en dat betekent dat de ouders niet langer samen het gezag over de kinderen kunnen uitoefenen.

De rechtbank verwacht niet dat er binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. De rechtbank heeft in de beschikking van 29 januari 2026 onder 8.3. al opgesomd wat er allemaal geprobeerd is om de situatie voor de kinderen te verbeteren. Na de beschikking van 29 januari 2026 zijn nieuwe pogingen gedaan, maar ook weer tevergeefs. De rechtbank is het met de GI en Yvoor erover eens dat de moeder persoonlijke hulpverlening nodig heeft om te leren reflecteren op haar eigen doen en laten en emotionele toestemming te geven aan de kinderen om van hun vader te houden en uit te dragen dat zij het fijn bij hem te mogen hebben. Zolang zij dit niet kan, zullen de kinderen belast blijven worden en kan er van onbevangen contact met beide ouders geen sprake zijn. Het lukt Yvoor door de houding van de moeder onvoldoende om met haar tot een constructieve samenwerking te komen om ouderbehandeling aan te gaan. Hoewel de moeder aangeeft hulp te willen, lijkt zij alleen hulpverlening te accepteren die haar visie op de situatie deelt. Zo blijft zij hangen aan Koach&Co, die relatief kort betrokken is geweest en zoekt zij bevestiging bij de heer Vogels, een ervaringsdeskundige in de jeugdzorg. Hoewel zij zich op advies van de GI wel gemeld heeft bij de huisarts, is het niet tot een doorverwijzing naar psychische hulp gekomen omdat de moeder geen hulpvraag heeft. Op het aanbod van de GI om mee te gaan naar de huisarts om de situatie uit te leggen, wil de moeder niet ingaan. Voor de rechtbank is een duidelijk patroon zichtbaar, waarbij de moeder geen intrinsieke motivatie heeft voor hulpverlening die daadwerkelijk tot verbetering van de situatie kan komen. Het resultaat daarvan is dat er geen passende hulp van de grond komt en geen verandering wordt bewerkstelligd. De moeder is ervan overtuigd dat zij handelt in het belang van de kinderen, maar de rechtbank vindt dat zij – ondanks haar overtuiging – de belangen van de kinderen juist schaadt. Niemand lijkt haar te kunnen bewegen tot (zelf)reflectie. Ook de rechtbank heeft tevergeefs tijdens de zittingen pogingen gedaan om de moeder te “spiegelen” en haar te laten reflecteren op haar houding en handelen. De moeder blijft echter van mening dat niets aan haar of haar handelen te wijten valt.

De rechtbank betreurt dat zij de ingrijpende beslissing moet nemen om het gezag van de moeder te beëindigen. De rechtbank gunt de moeder en vooral de kinderen dat beide ouders volledig betrokken zijn in het leven van de kinderen en beslissingen in hun belang kunnen nemen. De hiervoor beschreven gedragingen en houdingen van de moeder leiden echter helaas tot de conclusie dat de moeder hiertoe op dit moment niet in staat is en dat een gezamenlijke gezagsuitoefening juist in strijd is met de belangen van de kinderen. De rechtbank ziet, gelet op alles wat al geprobeerd is, geen aanleiding om aan te nemen dat de opstelling van de moeder binnen afzienbare tijd zal veranderen. De rechtbank ziet daarom ook geen meerwaarde in het geven van een laatste ‘wake up call’ zoals voorgesteld door de Raad. De moeder heeft genoeg ‘wake up calls’ gehad. Deze zaak loopt al bijna twee jaar en is meerdere keren aangehouden om de moeder kansen te geven om met hulpverlening verandering aan te brengen. Ook in andere procedures tussen de ouders en in het kader van de ondertoezichtstelling is steeds opnieuw in niet mis te verstane bewoordingen aangegeven dat de moeder aan zet is en dat er echt iets moet gaan veranderen om de situatie voor de kinderen te verbeteren. De procedures zelf zorgen daarbij voor onrust, ook bij de kinderen. [minderjarig kind 1] is vanwege zijn leeftijd al meerdere keren uitgenodigd door de rechtbank voor een kindgesprek. [minderjarig kind 2] heeft inmiddels ook een eerste uitnodiging gehad. Een nieuwe aanhouding van de zaak is dan ook niet in het belang van de kinderen. Dit zorgt voor te veel onrust, terwijl juist grote behoefte bestaat aan rust en duidelijkheid.

De rechtbank acht de gezagsbeëindiging van de moeder noodzakelijk en proportioneel. Het in stand houden van het gezag van de moeder betekent dat iedere gezagsbeslissing aanleiding kan en waarschijnlijk ook zal zijn voor nieuwe en verhoogde strijd en onrust. Het is dringend noodzakelijk dat de strijd stopt en de kinderen vanuit een rustige en stabiele omgeving kunnen werken aan het verwerken van de traumatische gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt en kunnen bouwen aan hun groei en ontwikkeling.

Aantekening in het gezagsregister

De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit gezagsregisters tevens bepalen dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het centrale gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.

De hoofdverblijfplaats

Omdat de rechtbank het eenhoofdig gezag aan de vader zal toekennen komt zij niet meer toe aan de beoordeling van de door de vader verzochte vaststelling van de hoofdverblijfplaats. De vader kan als enige gezaghebbende ouder nu immers zelf bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij hem hebben.

De omgangsregeling

Wettelijk kader

Gelet op de beslissing over het gezag, die hierna ook uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard, zal de rechtbank het verzoek met betrekking tot de omgang beoordelen aan de hand van artikel 1:377a BW. Er is dus ook geen sprake meer van een zorgregeling, maar van een omgangsregeling.

Het verzoek is gebaseerd op artikel 1:377a BW. Dit artikel bepaalt dat kinderen recht hebben op omgang met hun ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hen staat. De rechtbank stelt op verzoek van de ouders of één van hen een omgangsregeling vast. De rechtbank kan een regeling bepalen die haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.

Inhoudelijke beoordeling

Dat de moeder geen gezag meer heeft, neemt niet weg dat zij de moeder van [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] blijft en een belangrijke rol speelt en zal blijven spelen in het leven van de kinderen. Het verlies van het ouderlijk gezag leidt niet tot een beperking van het recht op omgang met de kinderen. De moeder houdt het recht om omgang te hebben met de kinderen en de kinderen hebben onverminderd recht op omgang met hun moeder.

De rechtbank zal bepalen dat het omgang tussen de moeder en de kinderen zal plaatsvinden onder regie van de GI in het kader van de ondertoezichtstelling. De rechtbank acht de door de moeder verzochte omgangsregeling nu niet in het belang van de kinderen. De rechtbank legt hierna uit waarom.

Op dit moment worden de kinderen tijdens de beperkte en begeleide contactmomenten geconfronteerd met verwarrende en belastende uitspraken en acties van de moeder en diens netwerk. Zolang deze belasting en het gebrek aan emotionele toestemming voortduren, bestaat het reële risico dat omgang meer spanning en druk oplevert dan veiligheid en geborgenheid. De rechtbank is daarom van oordeel dat een ruimere omgangsregeling in dit stadium niet in het belang van de kinderen is. Er moet uiteraard gestreefd worden naar een ruime en onbegeleide omgang tussen de moeder en de kinderen, maar wel op een zorgvuldige manier. Het belang van de kinderen dient hierbij telkens voorop te worden gesteld. De rechtbank benadrukt dat de moeder het zelf in de hand heeft of deze omgang kan worden uitgebreid of niet. Het is aan de moeder om stappen te zetten en samen met de betrokken hulpverlening, dan wel nog in te zetten eigen hulpverlening, te zorgen dat de kinderen niet verder worden klemgezet.

De rechtbank zal dus bepalen dat de omgang tussen de moeder en de kinderen zal (blijven) plaatsvinden onder regie van de GI. De rechtbank vindt het in het belang van de kinderen dat er (in het kader van de ondertoezichtstelling) aandacht blijft voor het contact tussen de moeder en de kinderen en dat de mogelijkheden tot uitbreiding regelmatig onderzocht moeten worden. Het belang van de kinderen dient hierbij voorop te staan en te allen tijde moet voorkomen worden dat de kinderen (opnieuw) het contact met een van de ouders verliezen. Beide ouders zijn belangrijk voor de kinderen.

De kinderbijdrage

Door de plaatsing van de kinderen bij de vader is er opnieuw discussie ontstaan over de kinderbijdrage. De vader is gestopt met het betalen van de kinderbijdrage, waarop de moeder het LBIO heeft ingeschakeld. De vader heeft de situatie aan het LBIO uitgelegd, maar het LBIO geeft aan niet bevoegd te zijn om het incassotraject stop te zetten. Dit kan alleen de moeder en zij heeft bij het LBIO kenbaar heeft gemaakt het incassotraject voort te willen zetten. De rechtbank permitteert zich op te merken dat inning van de kinderbijdrage vanaf de plaatsing van de kinderen bij de vader als onredelijk en strijd verhogend kan worden bestempeld.

Wettelijk kader

De verzoeken van de vader met betrekking tot de kinderbijdrage zijn gebaseerd op artikel 1:401 BW. Hieruit volgt dat een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Wijziging van omstandigheden

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die een wijziging van de kinderbijdrage rechtvaardigt. De kinderen zijn sinds de uithuisplaatsing bij de vader. Naar aanleiding van de beslissing over het gezag, zullen de kinderen voortaan ook hun hoofdverblijf bij de vader hebben.

Kinderbijdrage van de vader

De rechtbank zal het aanvankelijke verzoek van de vader met betrekking tot wijziging van de kinderbijdrage toewijzen, in die zin dat hij voortaan (met ingang van de datum van deze beschikking) geen bijdrage meer aan de moeder verschuldigd is voor de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De rechtbank legt hierna uit waarom.

Het aanvankelijke verzoek van de vader met betrekking tot de kinderbijdrage is geformuleerd als een voorwaardelijk verzoek, namelijk voor het geval dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader bepaald wordt. Hoewel de rechtbank de hoofdverblijfplaats niet formeel bij de vader zal vaststellen, is dit wel het feitelijke gevolg van het toewijzen van het eenhoofdig gezag aan de vader. De rechtbank komt daarom toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

Doordat de kinderen bij de vader wonen, is hij verantwoordelijk voor hun verblijfsoverstijgende kosten en de verblijfskosten bij hem. Dit maakt een door hem te betalen kinderbijdrage aan de moeder in beginsel niet meer aan de orde. Nu de moeder vanaf het moment dat de kinderen bij de vader zijn gaan wonen nog slechts zeer beperkte kosten maakt voor de kinderen, stelt de rechtbank vast dat voor nu een einde is gekomen aan de alimentatieplicht van de vader.

Gelet op de specifieke bewoording van het voorwaardelijke verzoek kan de rechtbank de kinderbijdrage niet met terugwerkende kracht (met ingang van de plaatsing van de kinderen bij de vader) wijzigen, maar enkel met ingang van de toewijzing van het eenhoofdig gezag. De rechtbank zal daarom met ingang van de datum van deze beschikking de door de vader te betalen kinderbijdrage zoals vastgesteld bij beschikking van 26 november 2021 op nihil stellen.

Kinderbijdrage van de moeder

De rechtbank zal het aanvullend verzoek van de vader met betrekking tot een door de moeder te betalen kinderbijdrage afwijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.

Het verzoek van de vader is te algemeen om te beoordelen, laat staan een bijdrage vast te stellen. Niet alleen de behoefte van [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] , maar ook de draagkracht van partijen (en daarmee hun draagkrachtverhouding), kan niet worden vastgesteld.

Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust de stelplicht ten aanzien van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen bij de vader, aangezien hij heeft verzocht om een kinderbijdrage vast te stellen. De vader beroept zich immers op het rechtsgevolg ervan, te weten dat de moeder alimentatie aan hem dient te voldoen. Het had op de weg van de vader gelegen om stellingen in te nemen over de hoogte van de behoefte van [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] , de draagkracht van partijen en die stellingen te onderbouwen. Dat hij dat heeft nagelaten, komt voor zijn rekening en risico.

De uitvoerbaarheid bij voorraad

De rechtbank zal de beslissing over het gezag, de omgangsregeling en de nihil stelling van de kinderbijdrage uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat deze meteen geldt, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat.

in de zaken C/03/353170 / JE RK 26-1038 en C/03/353171 / JE RK 26-1039

Resterende termijn verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Gelet op de beslissing over het gezag en daarmee ook (indirect) de hoofdverblijfplaats van de kinderen, komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van de resterende termijn van het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De rechtbank zal daarom het verzoek van de GI voor de resterende termijn afwijzen.

9. De beslissing

De rechtbank:

in de zaak C/03/334730 / FA RK 24-2831

beëindigt het gezamenlijk gezag van de ouders en bepaalt dat de vader voortaan alleen belast is met het ouderlijk gezag over [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] ;

wijzigt de omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen, zoals vastgesteld bij beschikking van 26 november 2021 en gewijzigd bij beschikking van 15 maart 2023, in die zin dat de omgang tussen de moeder en de kinderen onder regie van de GI zal plaatsvinden;

stelt de door de vader aan de moeder te betalen kinderbijdrage voor [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] op nihil met ingang van de datum van deze beschikking;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal toesturen aan het centrale gezagsregister, om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie;

wijst het meer of anders verzochte af;

in de zaken C/03/353170 / JE RK 26-1038 en C/03/353171 / JE RK 26-1039

wijst het verzoek voor wat betreft de resterende termijn van de machtiging uithuisplaatsing af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C.M. van der Meijden (voorzitter), mr. S.J. Vogels en mr. K.G.J. Noelmans-Verbong, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op

20 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. M.C. Bouvrie als griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.C. Bouvrie als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand