RECHTBANK LIMBURG
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Roermond
Zaaknummers: C/03/353797 / JE RK 26-1170
C/03/353798 / JE RK 26-1171
C/03/353799 / JE RK 26-1172
C/03/353800 / JE RK 26-1173
Datum uitspraak: 13 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG ROERMOND, gevestigd te Roermond, hierna te noemen: de GI;
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 4] 2011 in [geboorteplaats 1] (Spanje),
hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats 1] (Spanje),
hierna te noemen: [minderjarige 2] ;
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2018 in [geboorteplaats 1] (Spanje),
hierna te noemen: [minderjarige 3] ;
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 4] 2020 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 4] ;
hierna gezamenlijk te nomen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.B.R. Kranenburg, kantoorhoudend te Veghel;
[de (stief)vader] , hierna te noemen: de (stief)vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. T. de Jong, kantoorhoudend te Utrecht.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van der GI, ontvangen op 1 juli 2026;
het verweer met zelfstandig verzoek van de vader, ontvangen op 10 augustus 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat (telefonisch aangesloten);
- de moeder met haar advocaat en bijgestaan door een tolk Spaans;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben een briefje geschreven dat de moeder op de zitting heeft overhandigd. De kinderrechter heeft voorgelezen wat de kinderen hebben geschreven, waarna de aanwezigen hierop hebben kunnen reageren.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter met toepassing van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mondeling uitspraak gedaan, waarbij aan de verschenen belanghebbenden de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing zijn medegedeeld. Deze beschikking vormt de volledige schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak van de kinderrechter.
Vanwege de verknochtheid zijn de verzoeken van de GI over de omgang met vader en de verzoeken van de GI over de verlenging van de ondertoezichtstelling (bekend met zaaknummers: C/03/353540 / JE RK 26-1116 // JE RK 26-1116 // C/03/353541 / JE RK 26-1117 // C/03/353542 / JE RK 26-1118 // C/03/353543 / JE RK 26-1119) gelijktijdig behandeld. In beide procedures is een afzonderlijke beschikking gewezen.
2. De feiten
De moeder oefent alleen het gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij hebben een biologische vader waar geen contact mee is. De moeder en de (stief)vader zijn samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
De kinderen wonen bij de moeder.
Bij beschikking van 12 augustus 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] voor het laatst verlengd tot 22 augustus 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen op grond van artikel 1:265g lid 1 BW tussen de vader en de kinderen, in die zin dat:
er begeleide omgang plaats vindt één keer per twee weken gedurende 1 uur;
de omgang plaats vindt op een voor de kinderen geschikte locatie;
de vader mag alleen contact hebben met de kinderen onder een door de GI aangewezen professionele begeleiding;
de vader mag géén contact hebben met de kinderen buiten de begeleide afspraken om; dus ook geen telefonisch contact;
de vader mag niet in het huis van de moeder komen wanneer de kinderen aanwezig zijn of thuis kunnen komen;
de vader mag de kinderen niet zien of bezoeken bij de oma of in een ander netwerk;
de vader mag de kinderen niet zien of bezoeken op school of bij buitenschoolse activiteiten;
de vader mag wel telefonisch contact hebben met de school indien hij informatie wil hebben over schoolse zaken;
de vader neemt direct afstand van de kinderen en verlaat de situatie als hij ze op straat tegenkomt;
de kinderen en de ouders zijn op de hoogte van deze voorwaarden;
de betrokken hulpverlening is op de hoogte van deze voorwaarden.
De GI verzoekt ook om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI voert aan dat de (stief)vader op 24 januari 2025 is veroordeeld voor het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van heroïne en het vervaardigen en het in het bezit hebben van kinderporno van zijn stiefdochter [minderjarige 2] . In het vonnis zijn bijzondere voorwaarden gesteld. Tijdens de proefperiode heeft de vader zich hier niet aan gehouden. Daarna is de voorwaardelijke straf omgezet in detentie en zijn alle bijzondere voorwaarden komen te vervallen. In juni 2025, na de detentie, heeft de GI voorwaarden gesteld aan het contact tussen de vader en de kinderen. In de kern komt het erop naar dat vader de kinderen alleen onder begeleiding mag zien. In augustus 2025 is de begeleide omgang bij [hulpverlening 1] gestart. Iedere twee weken is er één uur begeleide omgang met alle kinderen tegelijk. Van tevoren dient de vader een alcohol- en drugstest af te leggen en bij een positieve uitslag wordt de omgang afgezegd. Tot nu toe verloopt de begeleide omgang goed en zijn er bij de start van deze begeleide omgang twee momenten niet kunnen doorgegaan vanwege een positieve test. Zowel de (stief)vader als de moeder hebben gevraagd om de omgang uit te breiden, maar daar gaat de GI niet in mee. De veiligheid van de kinderen in het contact met de (stief)vader kan niet worden gegarandeerd. De vader wil geen inzicht geven in de problematiek of wat er vanuit het NIFP-onderzoek naar voren kwam. In zijn ogen klopt het onderzoek niet en lopen de kinderen geen risico want de drugsverslaving speelt niet meer en de vader is aangemeld bij de GGZ (via de huisarts) voor behandeling. Zonder inhoudelijke informatie kan de GI er echter niet op vertrouwen dat het voor de kinderen voldoende veilig is. Daarbij hebben de jongste drie kinderen aangegeven dat zij de huidige omgang prima vinden. Het zou wat langer mogen en er is geen behoefte aan meer contact. De vader kan zich dat niet voorstellen en wil dat het contact wordt uitgebreid. Ook de moeder ageert steeds meer tegen de voorwaarden. Het is daarom beter als de afspraken door de rechtbank worden vastgelegd.
De GI heeft op de zitting toegelicht dat de kinderen van de ouders niet mogen weten wat er allemaal is gebeurd. De kinderen begrijpen daarom niet waarom ze de vader alleen onder begeleiding mogen zien. De GI vindt het belangrijk dat aan de kinderen wordt uitgelegd wat zich heeft afgespeeld, niet op een platte manier maar kindvriendelijk. De GI heeft geen omgangsverslagen ontvangen van [hulpverlening 1], wel is bekend dat de (stief)vader goed kan aansluiten bij de kinderen. Zonder nadere informatie over de persoonlijke problematiek van de (stief)vader kan de GI niet beoordelen of er iets veranderd is. De vader zou zich moeten laten opnemen en heeft daar niet voor gekozen. Als de vader niet open is over zijn situatie, is niet duidelijk of de veiligheid van de kinderen gewaarborgd is en is het ook niet verantwoord om het contact uit te breiden. De vader zou een persoonlijkheidsonderzoek kunnen laten afnemen zodat er een duidelijk beeld over hem ontstaat. De GI kan ermee instemmen (na overleg met de gedragswetenschapper) dat het contactmoment met vader wordt uitgebreid naar 2 uur per 2 weken onder begeleiding van een professionele instantie. De oma en de moeder zijn niet objectief om die taak over te nemen. Daarnaast mogen de kinderen niet uit elkaar worden getrokken. De GI wil geen verschil maken, dat zou ze onnodig pijn doen. Ook de oudste twee kinderen denken immers dat de (stief)vader hun biologische vader is. De kinderen geven zelf ook aan dat ze samen willen blijven. Opschalen naar drie omgangsmomenten per week is een enorme belasting voor de kinderen en gaat ten koste van de sociale tijd. Een uitbreiding met één uur is voor nu haalbaar. De GI zal eerst met [hulpverlening 1] moeten overleggen of de frequentie ook kan worden opgevoerd naar wekelijks contact. De GI stelt hierbij wel als voorwaarde dat er ingestoken zal worden op de opvoedvaardigheden van vader en het afnemen van een persoonlijkheidsonderzoek.
4. Het verweer en zelfstandig verzoek van de vader
De (stief)vader voert verweer en is van mening dat het verzoek van de GI moet worden afgewezen. De (stief)vader kan zich niet vinden in de frequentie en de duur van de vast te stellen zorgregeling en ook niet in de voorwaarden. De regeling is te summier en komt niet tegemoet aan de belangen van de kinderen. Het is juist dat de vader is veroordeeld voor een strafbaar feit. De vader heeft veel spijt van wat er is gebeurd. Feit is ook dat de vader is bestraft en dat hij zijn straf heeft uitgezeten. Inmiddels is de vader al 26 maanden clean en staat hij op de wachtlijst voor behandeling bij het [hulpverlening 2] ([hulpverlening 2]) in [woonplaats] . Ook zal de vader meewerken aan een nieuw persoonlijkheidsonderzoek nu het NIFP-rapport geen representatieve weergave geeft. Dat is ook de reden waarom de vader het rapport niet wil delen. Hoewel de omgangsmomenten positief verlopen worden de vader maar vooral de kinderen onredelijk zwaar bestraft. Er is geen reden waarom de omgang qua uren niet kan worden uitgebreid. Door de aanwezigheid van begeleiding is de veiligheid van de kinderen gewaarborgd. Het zijn met name de jongste kinderen die de vader erg missen.
De vader verzoekt daarom een andere regeling vast te leggen inhoudende dat:
primair:
er drie keer per week gedurende twee tot drie uur begeleid contact is met de kinderen, waarbij [minderjarige 3] en [minderjarige 4] de eerste twee momenten aanwezig zijn; bij het derde moment zijn alle kinderen aanwezig;
subsidiair:
er drie keer per week gedurende twee tot drie uur begeleid contact is met de kinderen, waarbij [minderjarige 3] en [minderjarige 4] alleen aanwezig zijn tijdens het eerste moment; bij contactmoment twee alleen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ; bij contactmoment drie alle kinderen.
De vader heeft de kinderen al 2 jaar niet meer gezien, hij wil meer contact. De vader is al ruim twee jaar clean en is maar één keer positief getest, vlak na de vrijlating. Op dit moment heeft hij vooral last van de borderline stoornis en heeft hij eetproblemen. De vader is hiervoor aangemeld bij het [hulpverlening 2] maar het kan nog een half jaar duren voordat de hulp wordt opgestart. De vader benadrukt ook dat hij zal meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek. De GI voert geen argumenten aan waarom er niet meer contact kan zijn. Zo nodig kan oma of moeder de begeleiding voor een deel overnemen. Het argument dat de kinderen zogenaamd sociale tijd moeten missen is niet aannemelijk gezien de leeftijd van de kinderen. Het is ook geen reden om de kinderen het contact met hun vader te onthouden. Het kan op termijn zelfs een ontwikkelingsbedreiging worden. Daarbij geven de kinderen zelf aan dat ze hun vader meer willen zien. Een alternatief zou zijn om de kinderen te splitsen als oma de omgang zou begeleiden. De vader wil de kinderen ook splitsen omdat hij meer tijd met de jongste kinderen wil doorbrengen, zij missen hem het meest.
5. Standpunt van de moeder
De moeder is ook van mening dat er meer omgang moet komen. Nu er geen omgangsverslagen zijn kan er ook niet worden afgeleid dat de begeleide omgang niet goed verloopt. Andere contra-indicaties die het uitbreiden van de omgang belemmeren zijn er niet. De vader doet zijn best en de moeder ondersteunt hem in zijn verzoek. De kinderen zijn heel duidelijk en willen hun vader meer zien. De moeder vindt het goed als de kinderen worden opgesplitst en als het netwerk de begeleiding op zich neemt. Het heeft zelfs haar voorkeur als de omgang door oma wordt begeleid. Als het nodig is kan de moeder de begeleiding overnemen maar eigenlijk vindt ze het niet nodig dat de omgang wordt begeleid.
6. De mening van de kinderen
[minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben allebei een brief geschreven voor de kinderrechter. De kinderen schrijven kort samengevat dat ze hun vader meer willen zien.
7. De beoordeling
De moeder, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de Spaanse nationaliteit. Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De rechtbank is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland ligt. Gelet op dit laatste feit is Nederlands recht op de verzoeken van toepassing.
Op grond van artikel 1:265g, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen, voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De kinderrechter is van oordeel dat er voor de (stief)vader en de vier kinderen een zorgregeling voor [minderjarige 3] en Jasmijn en een omgangsregeling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet worden vastgelegd van twee uur per week onder professionele begeleiding. De verzoeken van de GI en de vader wijst de kinderrechter af. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
De kinderen en de (stief)vader hebben al een jaar begeleide omgang van 1 uur per twee weken. Naar het oordeel van de kinderen is dat heel beperkt om de band tussen de vader en de kinderen te behouden. Voor de ontwikkeling van de kinderen is het juist belangrijk dat die band blijft. De kinderrechter acht het daarom in het belang van de kinderen als er wekelijks contact is, zeker nu de kinderen nog zo jong zijn. Door de GI en de ouders wordt gesteld dat de begeleide omgang goed verloopt. Nu er geen omgangsverslagen zijn ingebracht en er ook geen concrete zorgen naar voren zijn gebracht, gaat de kinderrechter er ook vanuit dat er tijdens de begeleide momenten geen zorgen zijn over het functioneren van de vader en hij bij deze regeling in staat is om aan te sluiten bij de kinderen. Daarbij kan de kinderrechter zich voorstellen dat het niet makkelijk is om de aandacht over alle vier kinderen goed te verdelen en hen allen voldoende aandacht te geven in een uur. De kinderrechter acht het dan ook in het belang van de kinderen om deze zeer minimale regeling waar de GI al een jaar uitvoering aan geeft, in beperkte zin uit te breiden. Voor een (hele) ruime regeling zoals de vader die wenst zijn echter wel nog te veel contra-indicaties.
Vaststaat dat de vader is veroordeeld voor een ernstig strafbaar feit waarbij hij onder andere in het bezit was van kinderpornografisch materiaal van [minderjarige 2] . In het kader van het strafproces (zo blijkt uit het vonnis) is door de psycholoog beschreven dat de (stief)vader snel overvraagd is en in paniek raakt. In die situaties is hij volgens de psycholoog een speelbal van zijn emoties en valt hij al een kwart eeuw lang telkens terug op drank en drugs. De psycholoog heeft geconcludeerd dat bij de (stief)vader sprake is van een borderlinepersoonlijkheidsstoornis, stoornissen in gebruik van cannabis, cocaïne en heroïne en ADHD en dat diverse klinische en ambulante behandelingen nog te weinig effect hebben gehad. Hoewel de (stief)vader stelt dat hij inmiddels al 13 maanden geen drugs meer gebruikt (en er ook al een jaar geen positieve testen meer zijn geweest), heeft de kinderrechter nog steeds zorgen over het functioneren van de (stief)vader. Hij erkent dat hij een borderlinepersoonlijkheidsstoornis heeft waardoor hij hulp nodig heeft, onder andere bij zijn emotieregulatie. Voor hulpverlening staat hij nog steeds op de wachtlijst. Het risico dat de (stief)vader bij een (hele) ruime zorg/omgangsregeling overvraagd wordt en onvoldoende kan aansluiten bij de vier kinderen acht de kinderrechter dan ook nog te groot. Een uitbreiding in de zorg/omgangsregeling zoals de (stief)vader dat wenst kan pas overwogen worden als het traject bij het [hulpverlening 2] loopt en er (middels een nieuw persoonlijkheidsonderzoek) meer zicht is op het functioneren van de (stief)vader. Daarbij acht de kinderrechter het op dit moment niet verantwoord als de begeleiding wordt overgenomen door iemand uit het netwerk. Van zowel de moeder als de oma (vaderzijde) kan niet verwacht worden dat zij de omgang en het functioneren van de (stief)vader met voldoende afstand kunnen beoordelen. Ook acht de kinderrechter het niet in het belang van de kinderen als op dit moment in het kader van de zorg/omgangsregeling onderscheid wordt gemaakt tussen hen. Ook de twee oudste kinderen gaan er immers nog vanuit dat de (stief)vader hun biologische vader is en hebben behoefte aan contact met hem. Zolang de kinderen niet zijn voorgelicht kan er geen onderscheid tussen hen worden gemaakt.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter een regeling vaststellen waarbij een zorgregeling geldt voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en een omgangsregeling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , inhoudende dat alle vier de kinderen samen wekelijks 2 uur bij de vader zijn onder professionele begeleiding. Deze regeling vindt plaats onder de regie van de GI. Omdat die begeleiding mogelijk niet per direct elke week beschikbaar is, zal de kinderrechter bepalen dat de regeling per direct wordt uitgebreid naar 2 uur per twee weken en zo snel mogelijk naar 2 uur per week. De kinderrechter wijst de GI erop dat als [hulpverlening 1] de wekelijkse begeleiding niet kan bieden er gezocht moet worden naar een andere aanbieder.
De kinderrechter zal, nu er een andere regeling wordt vastgelegd, de door de GI verzochte voorwaarden niet expliciet opnemen in het dictum. De GI kan in het kader van haar regiefunctie echter wel voorwaarden aan deze nieuwe zorgregeling stellen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
8. De beslissing
De kinderrechter:
bepaalt dat de (stief)vader in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken contact zal hebben met [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en er met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een omgangsregeling zal gelden van twee uur per week onder professionele begeleiding, met een opbouw zoals beschreven in 7.6 en onder regie van de GI;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026 door mr. Vogels, kinderrechter, in aanwezigheid van Dullens-Servais als griffier, en op schrift gesteld op 28 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.