RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11868797 \ CV EXPL 25-3558
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
1. [eisende partij 1] , 2. [eisende partij 2] ,
beiden te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisende partij 1] en [eisende partij 2] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde partij] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. D.J.P Starren.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de akte wijziging eis- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie- de conclusie van repliek, met een opnieuw gewijzigde eis, tevens antwoord in reconventie- de conclusie van dupliek tevens repliek in reconventie
- de conclusie van dupliek en een akte in reconventie.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde partij] huurt met ingang van 1 april 2018 een pand in [plaats 3] aan het adres [adres] van Valiance Makelaardij (hierna: Valiance). Vanaf 9 januari 2020 huurt [gedaagde partij] ditzelfde pand van Possedimenti B.V. De beheerder is dan Valiance.
Op 18 maart 2022 stuurt [gedaagde partij] aan Valiance een e-mail met de volgende inhoud:
Good morning
I hope you are doing well.
I still haven’t got an answer to an earlier question,
I would like to inform you that my company is changing my status from De eenmanszaak to B.V. (Besloten Vennootschap).
Do you agree with this status for our relations?
Valiance reageert als volgt:
Hello,
I spoke on this with [gedaagde partij] . I’ll come back with a statement asap.
Een inhoudelijke reactie van Possedimenti B.V. is vervolgens uitgebleven.
In het handelsregister is geregistreerd dat de eenmanszaak [de eenmanszaak] op naam van [gedaagde partij] met ingang van 1 juli 2022 is voortgezet door [de B.V.] (hierna: [de B.V.] ).
In mei 2024 worden [eisende partij 1] en [eisende partij 2] verhuurders.
3. Het geschil
IN CONVENTIE
[eisende partij 1] en [eisende partij 2] vorderen na wijziging van hun eis - samengevat - ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming, betaling van huur dan wel een gebruiksvergoeding voor zover de huurovereenkomst per 1 september 2025 is geëindigd, schadevergoeding en proceskosten.
[eisende partij 1] en [eisende partij 2] leggen aan hun vordering ten grondslag dat [gedaagde partij] de huur structureel te laat en niet uit eigen beweging betaalt, dat hij het gehuurde gebruikt in strijd met de woonbestemming zonder de vereiste vergunning, dat hij in het gehuurde arbeidsmigranten vestigt, handelt in strijd met gemeentelijke regelgeving en een beëindigings- en opleveringscontract van 1 september 2025 niet nakomt.
[gedaagde partij] voert verweer. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde partij] is dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] niet [gedaagde partij] , maar [de B.V.] hadden moeten dagvaarden omdat deze partij door contractoverneming in maart 2022 huurder is geworden. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] moeten daarom volgens [gedaagde partij] niet-ontvankelijkheid worden verklaard.
IN RECONVENTIE
[gedaagde partij] vordert, na wijziging van zijn eis, in reconventie dat de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. voor recht te verklaart dat sprake is van misbruik van procesrecht, omdat zonder deugdelijke feitelijke en juridische grondslag meerdere dagvaardingen zijn uitgebracht en procedures zijn aangevangen;
II. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de volledige, althans de daadwerkelijk door [gedaagde partij] gemaakte proceskosten in zowel conventie als reconventie, daaronder begrepen het werkelijk betaalde salaris van de gemachtigde en de nakosten, met en zonder betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis;
III. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de reconventie, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten, met en zonder betekening;
IV. uitsluitend voor het geval en onder de voorwaarde dat de kantonrechter oordeelt dat
de vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hoofdelijk (geheel of gedeeltelijk) toewijsbaar zijn, [eisende partij 1] en [eisende partij 2] veroordeelt tot terugbetaling aan [gedaagde partij] van de reeds betaalde huurpenningen over de periode vanaf 1 september 2025 tot aan de datum van het te wijzen vonnis, althans tot betaling van een bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal bepalen.
[eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben verweer gevoerd en dit verweer strekt tot afwijzing van de vordering in reconventie.
4. De beoordeling
IN CONVENTIE
[gedaagde partij] voert aan dat Valiance in maart 2022 is geïnformeerd over de omzetting van de eenmanszaak van [gedaagde partij] in [de B.V.] en dat deze vennootschap vanaf dat moment als huurder heeft te gelden. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben daartegen nooit bezwaar gemaakt. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben vervolgens uitsluiten met [de B.V.] gecommuniceerd. Alle huurbetalingen zijn sinds 2022 door [de B.V.] verricht. [de B.V.] is geen partij in deze procedure. Zij is niet gedagvaard en nimmer formeel als partij in het geding betrokken. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] laten na om in hun conclusie van repliek op dit primaire en dragende standpunt van [gedaagde partij] in te gaan.
De kantonrechter overweegt als volgt.
[de B.V.] is niet in de procedure betrokken. [de B.V.] is niet gedagvaard, noch is zij op een andere manier in het geding betrokken. [de B.V.] is dus geen partij in deze procedure. Alleen [gedaagde partij] is de gedaagde partij.
De kantonrechter stelt vast dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] in conventie de stelling van [gedaagde partij] dat sinds maart 2022 [de B.V.] de huurder is, niet hebben weersproken. Pas bij conclusie van dupliek in reconventie weerspreken [eisende partij 1] en [eisende partij 2] deze stelling, maar op dat moment was het debat in conventie gesloten. Deze betwisting zal de kantonrechter niet in conventie betrekken. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben dan ook de verkeerde partij in rechte betrokken en dit heeft tot gevolg dat alle vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] zullen worden afgewezen.
[eisende partij 1] en [eisende partij 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
542,50
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
IN RECONVENTIE
[gedaagde partij] legt aan zijn eis in reconventie ten grondslag dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] zonder geldige grond meerdere dagvaardingen hebben uitgebracht, waarvan één niet bij de
rechtbank is aangebracht, terwijl partijen op dat moment nog in overleg waren om een
minnelijke oplossing te bereiken. Deze handelwijze heeft volgens [gedaagde partij] geleid tot nodeloze kosten, onduidelijkheid over de procespositie van partijen en onterechte reputatieschade aan de zijde van [gedaagde partij] . Door aldus te handelen hebben [eisende partij 1] en [eisende partij 2] naar de mening van [gedaagde partij] misbruik gemaakt van procesrecht. Hun handelen staat op gespannen voet met de goede procesorde en de zorgvuldigheid die van een procespartij mag worden verwacht. Het voeren van een procedure zonder deugdelijke rechtsgrond, enkel met het doel druk uit te oefenen op de wederpartij, is in strijd met de beginselen van redelijkheid en billijkheid. [gedaagde partij] heeft hierdoor onnodig kosten moeten maken voor juridische bijstand en voorbereiding van verweer in meerdere trajecten. De daaruit voortvloeiende schade behoort volledig voor rekening van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] te komen. Subsidiair verzoekt [gedaagde partij] , voor het geval de rechtbank geen misbruik van procesrecht aanneemt, om [eisende partij 1] en [eisende partij 2] te veroordelen tot vergoeding van de daadwerkelijk door [gedaagde partij] geleden schade en gemaakte kosten, nader op te maken bij staat, op straffe van een dwangsom dan wel tot een bedrag dat de rechtbank in goede justitie passend acht.
[eisende partij 1] en [eisende partij 2] voeren aan dat de reconventionele vorderingen van [gedaagde partij] onvoldoende concreet zijn om een vordering tot schadevergoeding op te baseren. Het causaal verband tussen de gestelde schade en het handelen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] ontbreekt alsook bewijsstukken. Daarbij is geen rechtens te respecteren belang gesteld. Verder voeren [eisende partij 1] en [eisende partij 2] dat zij met goede redenen een procedure zijn gestart tegen [gedaagde partij] . [gedaagde partij] heeft zelf gesteld dat er geen schikking is bereikt en onderhandelen en procederen sluiten elkaar niet uit zolang er geen regeling is bereikt.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Misbruik van bevoegdheid doet zich voor als iemand een procedure instelt waarvan hij op voorhand had moeten begrijpen dat de rechtsvordering ongegrond is. Het aanvangen van een kansloze procedure zal echter niet licht als misbruik van bevoegdheid opgevat mogen worden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past immers terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. Slechts als de eiser op voorhand had moeten inzien dat de door hem aangevangen procedure geen kans van slagen had, kan sprake zijn van misbruik van procesrecht.
De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van misbruik van procesrecht. De stelling van [gedaagde partij] dat zonder geldige grond meerdere dagvaardingen zijn uitgebracht, waarvan er één niet bij de rechtbank is aangebracht, leidt niet tot de conclusie dat sprake is van misbruik van procesrecht. [gedaagde partij] stelt onvoldoende welke procedure dan zonder geldige grond is aangebracht en waarom [eisende partij 1] en [eisende partij 2] op voorhand hadden moeten begrijpen dat de rechtsvordering ongegrond is. Voor zover [gedaagde partij] doelt op de procedure tegen hem persoonlijk (terwijl hij stelt dat [de B.V.] de partij is die in rechte betrokken had moeten worden), overweegt de kantonrechter dat hij ervoor had kunnen kiezen zijn standpunt in eerder stadium kenbaar te maken aan [eisende partij 1] en [eisende partij 2] . Daarbij hebben [eisende partij 1] en [eisende partij 2] weliswaar in conventie verzuimd de stelling van [gedaagde partij] dat zij niet hem, maar [de B.V.] hadden moeten dagvaarden, te weerspreken, maar dat maakt niet dat zij zonder grond een procedure tegen [gedaagde partij] zijn gestart. Op dit aspect had een inhoudelijk debat gevoerd kunnen worden. De lat voor het aannemen van misbruik van procesrecht ligt hoger. Omdat de kantonrechter geen misbruik van procesrecht aanneemt, is een veroordeling in de daadwerkelijke proceskosten niet aan de orde.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
174,00
(2 punten × € 87,00)
- nakosten
€
43,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
217,50
5. De beslissing
De kantonrechter
In conventie:
wijst de vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] af,
veroordeelt [eisende partij 1] en [eisende partij 2] in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij 1] en [eisende partij 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eisende partij 1] en [eisende partij 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
In reconventie:
wijst de vorderingen van [gedaagde partij] af,
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 217,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.