ECLI:NL:RBLIM:2026:9123

ECLI:NL:RBLIM:2026:9123

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer ROE 26/1556
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep tegen opgelegde dwangsom voor woonunits in strijd met het bestemmingsplan. Verzoek toegewezen gelet op de betrokken belangen. Geen uitspraak in de hoofdzaak.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

[naam] , uit Tegelen, verzoekster

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 26/1556

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 augustus 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. D.N. Lavain),

en

(gemachtigde: mr. C. Michels).

Procesverloop

1. Het college heeft aan verzoekster op 12 november 2025 (het primaire besluit) een last onder dwangsom opgelegd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2. Met het bestreden besluit van 8 april 2026 heeft het college het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Verzoekster is eigenaar van de [adres] in Tegelen. Op dit adres zijn, voor zover relevant, de kadastrale percelen 3938 en 4855 gelegen. Op perceel 3938 is een manegestal gevestigd. Op perceel 4855 zijn twee woonunits gerealiseerd. Voor het plaatsen van de woonunits is geen omgevingsvergunning verleend.

5. Verzoekster woont met haar twee minderjarige kinderen in een van de woonunits. De moeder van verzoekster verblijft incidenteel in de andere unit. Vanuit de door verzoekster bewoonde woonunit exploiteert zij de manege die op perceel 3938 gelegen is. De woonunit functioneert derhalve als bedrijfswoning.

6. Het college heeft op 27 mei 2025 geconstateerd dat er personen waren ingeschreven op de [adres] . Op 26 augustus 2025 heeft er een controle plaatsgevonden, waarbij de gerealiseerde woonunits op perceel 4855 zijn geconstateerd. Op 20 oktober 2025 heeft het college aan verzoekster kenbaar gemaakt voornemens te zijn om handhavend op te treden tegen de woonunits, omdat de woonunits volgens het college in strijd met het omgevingsplan op het perceel aanwezig zijn.

7. Op 12 november 2025 is aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd, waarbij haar is gelast de woonunits te verwijderen en verwijderd te houden. Doet zij dit niet, dan verbeurt zij een dwangsom van € 20.000,- per maand dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 100.000,-. De gestelde overtreding moet voor 1 maart 2026 beëindigd zijn. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

8. Verzoekster heeft op 21 februari 2026 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het tijdelijk plaatsen van de woonunits. Vervolgens heeft het college de begunstigingstermijn voor het voldoen aan de last onder dwangsom verlengd tot 1 juli 2026.

9. Met het bestreden besluit van 8 april 2026 heeft het college het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Het college heeft op 7 mei 2026 de door verzoekster aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Desgevraagd heeft het college ingestemd met het opschorten van de begunstigingstermijn tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.

10. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het weigeren van de door haar aangevraagde omgevingsvergunning. Zij heeft het college verzocht om in te stemmen met een rechtstreeks beroep bij de rechtbank, met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft ter zitting te kennen gegeven hier niet mee akkoord te gaan. Op het bezwaar van verzoekster tegen de weigering van de omgevingsvergunning was op het moment dat de zitting werd gehouden nog niet beslist door het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Kortsluiting

11. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de bodemrechter in de (eventuele) hoofdzaak niet.

Spoedeisend belang

12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een voldoende spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, gelet op de begunstigingstermijn die enkel is opgeschort in het kader van onderhavige voorlopige voorzieningprocedure. Om aan de last onder dwangsom te voldoen moet verzoekster op korte termijn op zoek naar vervangende woonruimte. Doet verzoekster dit niet, dan zal zij een dwangsom verbeuren. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoekster spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.

13. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter met partijen de mogelijkheid besproken om gelijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, de zogeheten ‘kortsluiting’. De voorzieningenrechter is van oordeel dat kortsluiting in dit geval niet wenselijk is. Naast de beroepsprocedure tegen het bestreden besluit loopt ook een bezwaarprocedure tegen de geweigerde omgevingsvergunning die ter legalisering van de woonunits dient. Veel van de door verzoekster aangevoerde beroepsgronden hebben mede betrekking op deze weigering. Verzoekster heeft het college verzocht om in te stemmen met een rechtstreeks beroep tegen de weigering, zodat de weigering op grond van artikel 8:14 van de Awb door de rechtbank gelijktijdig met het beroep tegen het bestreden besluit behandeld kan worden, maar daarmee heeft het college (nog) niet ingestemd. Daarnaast heeft verzoekster gesproken met een wethouder over het indienen van een nieuwe aanvraag voor het realiseren van een zorgconcept op de [adres] . Omdat de last onder dwangsom, de geweigerde vergunning en de nieuwe aanvraag onderling verbonden zijn, maar zich in verschillende fases van de procedure bevinden, acht de voorzieningenrechter het niet opportuun om op dit moment enkel ten aanzien van de last onder dwangsom een inhoudelijk oordeel te geven. Daarom zal de voorzieningenrechter geen uitspraak doen in de hoofdzaak.

14. Het voorgaande brengt met zich mee dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening enkel zal beschouwen in het licht van de belangen van partijen, zonder een oordeel te geven over de inhoud van de opgelegde last onder dwangsom.

Belangenafweging

15. Het belang van het college is gelegen in het algemeen belang dat met handhaving is gediend. Het college is in beginsel verplicht om handhavend op te treden wanneer een overtreding zich voordoet en het college bevoegd is om tot handhavend optreden over te gaan. Het belang van het college is in dit geval met name gelegen in het algemene belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het in dit licht beperken van de woonfunctie in het buitengebied. Andere, meer urgente belangen, zoals constructieve onveiligheid, klachten of overlast, heeft het college niet aangevoerd.

16. Tegenover het belang van het college staat het belang van verzoekster om nog enige tijd in de woonunit te kunnen wonen met haar minderjarige kinderen. Zij stelt dat het bewonen van de woonunit essentieel is voor de continuïteit van zorg voor de paarden in de manege op perceel 3938. Daarnaast stelt zij dat haar kinderen een stabiele woonsituatie nodig hebben om problemen in de ontwikkeling te voorkomen en dat zij geen andere woonruimte kan vinden.

17. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoekster bij het schorsen van de last onder dwangsom groter is dan het belang van het college om op dit moment handhavend op te treden tegen de woonunits. Dit belang is niet alleen gelegen in de door verzoekster omschreven omstandigheden, maar ook in het kunnen afwachten van een integrale beoordeling van zowel de opgelegde last onder dwangsom alsmede de door het college te nemen beslissing op bezwaar ten aanzien van de geweigerde omgevingsvergunning, mocht verzoekster zich met dit besluit niet kunnen verenigen. Een versplinterde behandeling van deze verschillende zaken, terwijl deze nauw met elkaar verbonden zijn, acht de voorzieningenrechter onwenselijk. De voorzieningenrechter ziet daarnaast niet in dat het voor het college onevenredig bezwaarlijk is om het handhavend optreden nog enige tijd uit te stellen.

18. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter - enkel op basis van een belangenafweging - het bestreden besluit schorsen tot 1 april 2027. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat het college binnen deze termijn een beslissing op het bezwaar van verzoekster tegen het weigeren van de omgevingsvergunning kan nemen en/of een standpunt kan innemen over de nog in te dienen nieuwe aanvraag. Binnen deze termijn moet dus duidelijk worden of voor het college het beëindigen van de woonfunctie op het perceel nog steeds het doel is. De voorzieningenrechter vindt dat verzoekster daarom deze termijn gegund moet worden. Als alle relevante besluiten voorliggen, kunnen deze ook integraal behandeld worden door de rechtbank. Indien nodig en gewenst staat het verzoekster daarbij vrij om, indien het college blijft bij het verwijderen van de woonfunctie, nogmaals om een voorlopige voorziening te verzoeken. Anderzijds geeft deze termijn, indien in een vroegtijdig stadium duidelijk zou worden dat het college geen medewerking wil verlenen aan verlening van een omgevingsvergunning, verzoekster ook de gelegenheid om andere woonruimte te zoeken.

Conclusie en gevolgen

19. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe. Omdat hij het verzoek toewijst, dient het college het door verzoekster betaalde griffierecht (€ 200,-) aan haar te vergoeden. Daarnaast bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van haar verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868,- (één punt voor het indienen van het verzoekschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 1). Van andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit tot 1 april 2027;

- bepaalt dat het college het door verzoekster betaalde griffierecht (€ 200,-) moet vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 26 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 26 augustus 2026.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L. van der Genugten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand