ECLI:NL:RBLIM:2026:9203

ECLI:NL:RBLIM:2026:9203

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 21-08-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer C/03/354443 / HA RK 26-125
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Wraking
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Wrakingsverzoek ongegrond. (Motivering van een) procesbeslissing.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Wrakingskamer

Datum uitspraak: 21 augustus 2026

Zaaknummer : C/03/354443 / HA RK 26-125

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

Op het verzoek van:

[verzoeker 1] ,

thans verblijvende -in geschorste uitleveringsdetentie- in [plaats] ,

hierna: verzoeker 1,

raadsman mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht,

en

[verzoeker 2] ,

wonend te [woonplaats] ,

hierna: verzoeker 2,

raadsman mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht,

dat strekt tot wraking van de meervoudige strafkamer bestaande uit mr. G.H. Hermanides (voorzitter), mr. M.J.H. van den Hombergh en mr. S.A.M.C. van de Winkel, rechters in de rechtbank Limburg, hierna de rechters.

1. De procedure

Verzoekers hebben in de strafzaken met parketnummers 03.020058.22 (verzoeker 1), 03.243471.21 (verzoeker 2) en 03.069653.22 (verzoeker 2) op 21 juli 2026 een verzoek ingediend strekkende tot wraking van de rechters.

De rechters hebben op 12 augustus 2026 desgevraagd laten weten dat zij niet in de wraking berusten en tijdens de mondelinge behandeling zullen reageren op het wrakings-verzoek.

De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek op 13 augustus 2026 behandeld.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

mr. Moszkowicz;

verzoeker 2;

mr. G.H. Hermanides en mr. M.J.H. van den Hombergh;

de officier van justitie mr. M. Dekker.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Moszkowicz zijn pleitaantekeningen per e-mail verstuurd aan de griffier.

2. Het wrakingsverzoek

Verzoekers hebben ter onderbouwing van het wrakingsverzoek aangevoerd dat het verzoek zich richt zich tegen de wijze waarop de rechtbank is gekomen tot haar tussen-beslissing en de formulering daarvan. Die tussenbeslissing en de daaraan voorafgaande gang van zaken ter terechtzitting zoals die blijkt uit het proces-verbaal van 9 juli 2026 leveren volgens verzoekers tezamen een zwaarwegende aanwijzing op dat de rechtbank jegens verzoekers een vooringenomenheid koestert, althans dat de daarvoor bij verzoekers bestaande vrees naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is.

1. In de tussenbeslissing zijn de onderzoekwensen van de verdediging afgewezen.

De rechtbank heeft overwogen dat zij “geen enkele reden” heeft eraan te twijfelen dat de officier van justitie destijds aan de hem opgedragen inspanningsverplichting heeft voldaan, en evenmin aan de conclusie van het OM dat de identiteit van de gebruiker van het Sky-account [naam 1] in het onderzoek Coca niet bekend was. Dit terwijl de verdediging concrete, verifieerbare redenen tot twijfel naar voren heeft gebracht, die de rechtbank onbesproken laat.

2. De rechtbank heeft in 2022 op grond van het verdedigingsbelang het verzoek van de verdediging om een getuige (de gebruiker van het Sky-account [naam 1] ) te horen toegewezen, met daaraan gekoppeld een inspanningsverplichting voor de officier van justitie om de identiteit van deze getuige te achterhalen. De officier van justitie heeft in 2022 te kennen gegeven dat de getuige niet kon worden geïdentificeerd. De verdediging heeft de identiteit echter wél weten te achterhalen. De rechtbank heeft het verzoek tot het horen van deze getuige in de tussenbeslissing afgewezen omdat de verdediging “in de jaren 2024, 2025 en 2026” bij herhaalde pro forma- en regiezittingen het horen van de betreffende getuige nooit meer aan de orde heeft gesteld, zodat het verzoek als een nieuw verzoek is aangemerkt. De rechtbank verlegt daarmee de op het OM rustende inspanningsverplichting stilzwijgend naar de verdediging en rekent de verdediging aan dat zij vertrouwde op een mededeling van het OM waarop zij mocht vertrouwen. De rechtbank heeft de afwijzing in de beslissing van verzoeker [verzoeker 1] verder gegrond op de overweging dat “de verdediging noch verdachte zelf in al die jaren dat dit onderzoek loopt geen enkel inzicht heeft gegeven in de betrokkenheid die de verdachte heeft gehad bij de chatgesprekken.”, hetgeen suggereert dat er sprake is van betrokkenheid bij het tenlastegelegde, hetgeen in strijd is met het onschuldbeginsel en waarbij de rechtbank het zwijgen van verzoeker tegen hem gebruikt. Nu de identiteit van de getuige bekend is, deze beschikbaar is én eerder is toegewezen, is er geen valide reden om deze getuige niet te horen.

3. De rechtbank heeft ten aanzien van een andere getuige ( [getuige 1] , gebruiker van het Sky-account [naam 2] ) het verzoek om deze getuige te horen beoordeeld aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium en het verzoek afgewezen op de grond dat het “niet gemotiveerd” zou zijn. De verdediging heeft echter toegelicht welk belang met het verhoor is gemoeid.

4. De verdediging heeft met stukken onderbouwd dat de identificering van de getuige [naam 1] al in 2020 in België had plaatsgevonden en het OM toegang had tot de bestanden waarin deze identificering was vastgelegd. De rechtbank gaat hier in de tussenbeslissing verder niet op in en overweegt enkel dat zij in hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht geen aanleiding ziet de verdediging te volgen in haar stelling dat er door het OM bewust informatie is achtergehouden.

5. De rechtbank stelt het standpunt van het OM stelselmatig boven het gemotiveerde standpunt van de verdediging. De rechtbank laat daarbij het bewijs van de verdediging onbesproken en volgt “klakkeloos” het OM.

6. De gang van zaken ter terechtzitting was een voorbode van de uitkomst. Zo werd (onder meer) door de rechtbank, nadat de raadsman zijn rechtmatigheidspleidooi had gehouden en had verzocht die dag op de onderzoekwensen te beslissen, meegedeeld dat men wilde vasthouden aan de planning en te willen beginnen met de inhoudelijke pleidooien nog voordat op de onderzoekwensen was beslist. Bovendien werd door de rechtbank, terwijl werd aangedrongen op doorpleiten, gesuggereerd dat het “nog niet beslissen” op de getuigenverzoeken niet betekende dat deze niet zouden worden toegewezen.

7. De rechtbank is in de tussenbeslissing niet ingegaan op de door de verdediging aangetoonde discrepanties in de chatdata en de onjuistheid van het standpunt over het ‘Franse’ onderzoek en overwoog slechts dat zij zich voldoende voorgelicht achtte.

8. De gronden in samenhang bezien laten een patroon van vooringenomenheid zien.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben verzoekers het wrakingsverzoek aan de hand van de door mr. Moszkowicz voorgedragen pleitaantekeningen nader toegelicht. Verzoekers merken op dat de rechters tijdens de wrakingszitting aanvoeren dat het horen van de getuige [naam 1] / [getuige 2] is afgewezen omdat hij niet binnen een redelijke termijn kon worden gehoord, terwijl in de tussenbeslissing het horen van de getuige [getuige 2] (mede) is afgewezen omdat de verdediging de afgelopen jaren het horen van de getuige niet meer aan de orde heeft gesteld. In de tussenbeslissing is niets overwogen over een redelijke termijn.

3. Het standpunt van de rechters

Mr. Hermanides heeft tijdens de mondelinge behandeling namens de rechters aangevoerd dat er geen sprake is van (schijn van) vooringenomenheid bij de rechters. Tijdens de regiezitting van 29 augustus 2022 is door de rechtbank opdracht gegeven tot het horen van vijf getuigen, waaronder de getuige [getuige 3] / [naam 1] . In het proces-verbaal van die zitting staat dat het OM zich moet inspannen om de identiteit van de getuige te achterhalen “voor zover dat binnen een redelijke termijn mogelijk is”. Het OM heeft de identiteit van de getuige niet kunnen achterhalen en heeft dat gerelateerd in een proces-verbaal. De rechtbank heeft aan die mededeling niet getwijfeld. De getuige kon dan ook niet binnen een redelijke termijn worden gehoord, zodat de kwestie daarmee was afgehandeld. Daar is niet meer op teruggekomen, niet door de rechtbank, het OM of de verdediging. Er zijn vier jaren verstreken en er was geen lopende opdracht meer om de getuige te horen, zodat de rechtbank het verzoek als een nieuw verzoek heeft beoordeeld. Mr. Hermanides beschrijft verder het verloop van de procedure sinds de aanvang daarvan. Dat de rechtbank vast wilde houden aan de planning kan haar niet worden tegengeworpen. Een beslissing op een betrouwbaarheids- of rechtmatigheidsverweer wordt bij eindvonnis genomen. Verzocht wordt het verzoek tot wraking af te wijzen dan wel ongegrond te verklaren.

4. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen.

5. De beoordeling

Toetsingskader

Artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. In artikel 1 lid 1 van het Wrakingsprotocol rechtbank Limburg (verder: het Wrakingsprotocol) staat een vergelijkbare bepaling.

De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure dan ook of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hierbij van belang, maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.

De wrakingskamer neemt voor de beoordeling van het wrakingsverzoek de arresten van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413 en ECLI:NL:HR:2018:1770) tot uitgangspunt. In laatstgenoemd arrest overweegt de Hoge Raad als volgt:

4.2.1. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, eerste lid, IVBPR dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Daarnaast voorziet art. 512 Sv in de mogelijkheid dat op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, wordt gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ook bij de beoordeling van zo een verzoek dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, en dat slechts als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte of het openbaar ministerie een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte of het openbaar ministerie dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, dit vermoeden moet wijken.

Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Wat betreft de motivering van de (tussen)beslissing geldt evenzeer dat het gesloten stelsel van rechts-middelen zich ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.”

Ontvankelijkheid

Uit de namens verzoekers overgelegde stukken volgt dat zij op 20 juli 2026 kennis hebben genomen van de tussenbeslissing van de rechters van 10 juli 2026. Het wrakings-verzoek is ingediend op 21 juli 2026, zodat het verzoek op grond van artikel 513 lid 1 Sv tijdig is gedaan en verzoekers daarin in zoverre ontvankelijk zijn.

Voor zover verzoekers hebben betoogd dat de gang van zaken ter terechtzitting een voorbode was van de uitkomst omdat door de rechtbank werd aangedrongen op doorpleiten voordat op de onderzoekwensen was beslist (wrakingsgrond 6), is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek ten aanzien van dat onderdeel niet tijdig is gedaan. Uit de gebezigde formulering en de toelichting daarop door verzoeker [verzoeker 2] tijdens de behandeling in de wrakingskamer volgt dat op dat moment bij hen reeds een vrees voor vooringenomenheid is ontstaan. Dat betekent dat het wrakingsverzoek niet onverwijld is gedaan en het verzoek (ten aanzien van dat onderdeel) niet-ontvankelijk is.

Inhoudelijke beoordeling

De wrakingskamer dient, gelet op de namens verzoekers aangevoerde gronden en het hierboven aangehaalde toetsingskader, te beoordelen of de in de tussenbeslissing van 10 juli 2026 gegeven motiveringen van dien aard zijn dat zij in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kunnen worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechters. Meer inhoudelijk kan de wrakings-kamer immers niet toetsen, terwijl de wrakingsverzoeken niet zijn gebaseerd op de subjectieve partijdigheid van de rechters.

De wrakingskamer stelt ten aanzien van de tweede grond (omgang met de reeds toegewezen getuige [getuige 2] ) het volgende vast. Ter terechtzitting van 29 augustus 2022 heeft de rechtbank, gelet op het verdedigingsbelang, het verzoek tot het horen van de gebruiker van het Sky-account [naam 1] toegewezen, waarbij zij heeft overwogen “dat de identiteit van deze persoon op dit moment aan justitie onbekend is, maar zij is van oordeel dat op de officier van justitie een inspanningsverplichting rust om de identiteit van deze gebruiker te achterhalen voor zover dit binnen een redelijke termijn mogelijk is”. In november 2022 heeft de officier van justitie laten weten dat deze gebruiker niet kon worden geïdentificeerd aan de hand van de ter beschikking staande gegevens in het onderzoek Coca.

Ter terechtzitting van 9 juli 2026 heeft de verdediging naar voren gebracht dat de identiteit van [naam 1] sinds kort bij haar bekend was, dat die persoon ( [getuige 2] ) zich in detentie in Nederland bevindt en dat zij die persoon (alsnog) wenst te horen. Ook heeft de verdediging toen betoogd dat de rechtbank een al toegewezen verzoek tot het horen van een getuige niet kan afwijzen.

In haar tussenbeslissing van 10 juli 2026 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen, met de volgende motivering (voor zover voor de beoordeling voor het wrakingsverzoek relevant):

De rechtbank merkt op dat zij geen enkele reden heeft eraan te twijfelen dat de officier van justitie destijds heeft voldaan aan de opgedragen inspanningsverplichting en evenmin aan de conclusie van het Openbaar Ministerie dat op dat moment de identiteit van de gebruiker van het Sky-account in het onderzoek Coca niet bekend was. In de jaren 2024, 2025 en 2026 zijn (…) meerdere pro forma- en regiezittingen in deze zaak geweest en vele verzoeken door de verdediging gedaan en herhaald. Het horen van de gebruiker van het Sky-account [naam 1] is door de verdediging nooit meer aan de orde gesteld. Het thans door de verdediging (…) bij pleidooi gedane verzoek om deze getuige alsnog te horen, beschouwt de rechtbank dan ook als een nieuw verzoek. Nu dit verzoek in een dusdanig laat stadium van de gehele procedure is gedaan, zal de rechtbank dit verzoek beoordelen aan de hand van het noodzakelijkheids-criterium. (…) De verdediging heeft het verzoek naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende gemotiveerd, nu daaraan slechts ten grondslag ligt dat de getuige iets kan zeggen over de rolverdeling in de zaak Coca (…).

Zoals hiervoor is overwogen, komt de wrakingskamer geen oordeel toe over de juistheid van de door de rechters genomen beslissing. Die beoordeling is immers voorbehouden aan een rechter in hoger beroep. De wrakingskamer is van oordeel dat uit de motivering van de afwijzende beslissing (wat daar ook inhoudelijk van zij en ondanks het feit dat de begrijpelijkheid van de motivering te wensen over laat) niet kan worden afgeleid dat de rechters hun beslissing (mede) hebben gebaseerd op door hen reeds vastgestelde feiten of op een reeds gevormd oordeel over de vragen die bij een eindbeslissing aan de orde dienen te komen. Naar het oordeel van de wrakingskamer is dan ook geen sprake van een situatie waarin de motivering van de tussenbeslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid.

Ten aanzien van de overige verzoeken is de wrakingskamer met de verdediging van oordeel dat op onderdelen de motivering van de afwijzing daarvan (zeer) summier is of zelfs ontbreekt, maar dat is blijkens voornoemde jurisprudentie als zodanig geen grond voor wraking. Ook hier geldt dat naar het oordeel van de wrakingskamer niet is voldaan aan de situatie zoals onder 5.10. bedoeld. Dat wordt niet anders indien de gronden in samenhang worden bezien.

Het voorgaande brengt naar het oordeel van de wrakingskamer mee dat het wrakingsverzoek ten aanzien van grond 6 niet-ontvankelijk is en dat het verzoek overigens ongegrond is.

6. De beslissing

De wrakingskamer:

verklaart het verzoek ten aanzien van wrakingsgrond 6 niet ontvankelijk;

verklaart het verzoek voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.J. Quaedvlieg, voorzitter, mr. Y.J.C.A. Roeffen en mr. J. Schreurs-van de Langemheen, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 21 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.M.J. Quaedvlieg
  • mr. Y.J.C.A. Roeffen
  • mr. J. Schreurs-van de Langemheen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand