RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummers : 03/343704-24 en 03/281403-25 (ttz.gev.)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 2 september 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
gedetineerd (uit andere hoofden) in [detentieplaats] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 augustus 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De volgende slachtoffers hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces:
Namens de benadeelde partij [benadeelde 10] is op de zitting gehoord de heer [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland. De overige benadeelde partijen zijn niet op de zitting verschenen. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.
2. De tenlasteleggingen
De tenlasteleggingen zijn als bijlagen aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte, al dan niet samen met (een) ander(en):
in de zaak met parketnummer 03/343704-24:
feit 1: in de periode van 12 juli 2024 tot en met 23 oktober 2024 19 slachtoffers heeft opgelicht;
feit 2: in de periode van 12 juli 2024 tot en met 23 oktober 2024 met een valse sleutel geldbedragen van 18 slachtoffers heeft gestolen;
feit 3: op 19 juli 2024 heeft geprobeerd om [naam 2] op te lichten;
in de zaak met parketnummer 03/281403-25: zich in de periode van 1 juli 2024 tot en met 10 september 2024 al dan niet samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan de (criminele) uitbuiting van een minderjarige.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle feiten. Onder parketnummer 03/343704-24 feit 1 en 2 betreft dit negentien gevallen van het medeplegen van oplichting en achttien keer diefstal met een valse sleutel. Feit 3 betreft de poging tot oplichting in vereniging van mevrouw [naam 2] en onder parketnummer 03/281403-25 de criminele uitbuiting van [medeverdachte 2] .
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de uitbuiting (parketnummer 03/281403-25). Voor wat betreft de oplichting (feit 1), diefstal (feit 2) en poging tot oplichting (feit 3) onder parketnummer 03/343704-24 heeft de raadsman ook vrijspraak bepleit, met uitzondering van de feiten met betrekking tot de aangevers [benadeelde 9] (zaak 2), [naam 7] (zaak 3) en [naam 14] (zaak 18) ten aanzien waarvan de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank heeft gerefereerd.
Ten aanzien van parketnummer 03/343704-24 heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier – met uitzondering van de drie genoemde zaken – geen bewijs bevat voor betrokkenheid van de verdachte bij deze zaken. Hoewel de verdachte heeft verklaard dat hij de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] meerdere keren naar woningen van slachtoffers en pinautomaten heeft gebracht, kan hij zich de specifieke zaken niet herinneren. Ook de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn onvoldoende om de verdachte in verband te brengen met deze feiten. Hetzelfde geldt voor de waarneming van de auto van de verdachte in de omgeving van de woningen van de slachtoffers dan wel op plekken waar is gepind met de weggenomen pinpassen, aangezien de verdachte heeft verklaard dat hij zijn auto ook heeft uitgeleend aan andere ‘chauffeurs’. Het uitlenen van zijn auto dient in de visie van de verdediging te worden gekwalificeerd als medeplichtigheid nu geen sprake is van een voor medeplegen vereiste significantie bijdrage. Medeplichtigheid is echter niet tenlastegelegd.
Ten aanzien van parketnummer 03/281403-25 heeft de raadsman – onder verwijzing naar de overgelegde jurisprudentie – bepleit dat geen sprake is van uitbuiting, nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte het oogmerk van uitbuiting van [medeverdachte 2] had.
Het oordeel van de rechtbank
Parketnummer 03/343704-24
De bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Inleidende opmerkingen
In deze zaak hebben twintig veelal kwetsbare en oudere personen aangifte gedaan van (een poging tot) oplichting en diefstal met een valse sleutel. Uit de verschillende aangiftes komt naar voren dat de daders een min of meer vaste werkwijze hanteerden om de slachtoffers niet alleen bankpassen, maar ook contant geld, telefoons, een iPad en/of sieraden afhandig te maken. De slachtoffers werden gebeld door personen die zich voordeden als een medewerker van de bank, de fraude-afdeling of de politie, die hen vertelden dat er verdachte transacties waren gedaan vanaf hun bankrekening. Ook werd in enkele gevallen gezegd dat er mensen waren aangehouden die het adres van het slachtoffer in de auto hadden liggen om daar mogelijk te gaan inbreken. Vervolgens werd tegen hen gezegd dat zij hun pincode moesten wijzigen waarbij de bellers de slachtoffers er toe bewogen hun pincode te noemen en een zogenaamd nieuwe pincode in te spreken). Tevens werden zij bewogen om de bankpas in een envelop te stoppen en deze af te geven aan een koerier. Om het vertrouwen van de slachtoffers te winnen werd door de medewerker in het telefoongesprek een code genoemd waarmee de persoon die de bankpas zou ophalen zich aan de deur zou identificeren. In enkele gevallen kwam de koerier binnen bij het slachtoffer en werden ook sieraden, contant geld, telefoons en/of een iPad meegenomen. Nadat de bankpassen waren opgehaald, werd het slachtoffer aan de lijn gehouden en werd met die bankpas(sen) geld opgenomen van de bankrekening(en) van het betreffende slachtoffer. In enkele gevallen werden op diverse plekken cadeaubonnen of dure goederen gekocht met de bankpassen.
Het samenwerkingsverband bestond steeds uit ten minste drie personen: een beller, een ophaler/pinner en een chauffeur. De rol van de beller was de slachtoffers ervan te overtuigen dat zij daadwerkelijk een medewerker van de bank aan de lijn hadden zodat zij ertoe overgingen hun pincode te verstrekken en hun bankpas af te geven aan de ophaler. Die ophaler verrichtte vervolgens verschillende (pin)transacties met de bankpas, waarbij de ophaler/pinner telkens werd vervoerd door een chauffeur. De chauffeur was ook degene die telkens de gepinde geldbedragen en andere weggenomen goederen in ontvangst nam en de ophaler/pinner vervolgens zijn “loon” uitbetaalde. De verdachte wordt ervan verdacht dat hij betrokken is bij deze strafbare feiten en de feiten samen met anderen heeft gepleegd.
De rechtbank gaat ervan uit dat bij deze vorm van oplichting een vorm van organisatie nodig is waarbij verschillende personen betrokken zijn die ieder een bepaalde rol vervullen, met financieel gewin als gezamenlijk doel. De handelingen die zijn verricht bij de oplichtingen en diefstallen duiden op een geraffineerd gezamenlijk en vooropgezet plan. Het bellen met de slachtoffers, het doorgeven van de pincodes, het ophalen van de bankpassen en het vervolgens opnemen van geld of aankopen verrichten met deze bankpassen, zijn handelingen die een nauwgezette planning en afstemming vereisen. Vanaf het moment dat er contact wordt gelegd met de slachtoffers, is snelheid geboden. De hiervoor genoemde handelingen moeten worden verricht voordat de slachtoffers zich realiseren wat er is gebeurd, de pintransacties met de bankpassen worden ontdekt en rekeningen of bankpassen worden geblokkeerd. Deze vorm van oplichting vergt dus een intensieve en nauwe samenwerking tussen de verschillende betrokkenen.
Verklaring van de verdachte ter terechtzitting
De verdachte heeft ter terechtzitting van 19 augustus 2026 verklaard dat hij een aantal keer is opgetreden als chauffeur. Hij heeft de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in zijn Toyota Aygo met het kenteken [kenteken] vervoerd naar de adressen van slachtoffers om bankpassen en/of andere goederen op te halen. Vervolgens heeft hij hen naar verschillende locaties gebracht om met de weggenomen pinpassen en bijbehorende pincodes geld op te nemen dan wel cadeaubonnen of goederen met de pinpas te kopen. De verdachte nam het geld en/of de andere goederen in ontvangst en hij betaalde de medeverdachten uit. Daarna droeg hij alles over aan de ‘opdrachtgever’ en werd ook hij uitbetaald voor zijn aandeel, aldus de verdachte. Met uitzondering van zaak 19 kan hij zich niet herinneren welke specifieke gevallen dit betrof. Wanneer hij zelf niet kon rijden, leende hij zijn auto uit aan een andere ‘chauffeur’ om pinpassen bij slachtoffers op te gaan ophalen. Ook in die gevallen kreeg hij een vergoeding voor het ter beschikking stellen van zijn auto.
Zaaksdossiers 1 tot en met 7: medeverdachte [medeverdachte 1]
De verdenking tegen verdachte is onderverdeeld in verschillende aangiftes die in het dossier een zaaknummer hebben gekregen. In de zaken 1 tot en met 7 is [medeverdachte 1] aangemerkt als medeverdachte die de rol van haler/pinner vervulde.
De rechtbank stelt in deze zaken vast dat de verdachte betrokken is geweest bij oplichting en diefstal met een valse sleutel. Dit betreft de volgende aangevers, data en feiten:
Zaak 1: [naam 6] , 12 juli 2024 (feit 1 en 2);
Zaak 2: [benadeelde 9] , 14 juli 2024 (feit 1 en 2);
Zaak 3: [naam 7] , 14 juli 2024 (feit 1 en 2)
Zaak 4: [benadeelde 5] , 17 juli 2024 (feit 1 en 2);
Zaak 5: [benadeelde 11] , 18 juli 2024 (feit 1 en 2);
Zaak 6: [naam 2] , 19 juli 2024 (feit 3);
Zaak 7: [naam 15] , 19 juli 2024 (feit 1).
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bekend in al deze zaken betrokken te zijn geweest als ophaler van de bankpassen en/of andere goederen en als pinner. Zij heeft verder verklaard dat zij altijd met dezelfde auto is rondgereden door een jongen die zij ‘ [naam 8] ’ noemt. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij medeverdachte [medeverdachte 1] naar woningen van slachtoffers en pinautomaten heeft gereden in zijn Toyota Aygo met het kenteken [kenteken] . In de zaak 3 is deze auto op 14 juli 2024 waargenomen op camerabeelden in de omgeving van de woning van de aangeefster [naam 7] . Op deze beelden is de verdachte herkend als de bestuurder van de auto.
In de zaken 1, 2, 5 en 7 is de Toyota gezien op de meest logische route van het adres waar de bankpas is opgehaald naar de plek waar vervolgens is gepind, dan wel in de omgeving van de plek waar is gepind.
Gelet op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] en de herkenning van verdachte als bestuurder van de Toyota Aygo op 14 juli 2024 die door [medeverdachte 1] ‘ [naam 8] ’ werd genoemd, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de persoon is die in alle zaken waarin [medeverdachte 1] de bestuurder ‘ [naam 8] ’ noemt, te weten de zaken 1 tot en met 7, de rol van chauffeur heeft vervuld bij de (poging tot) oplichting en de diefstallen. De rechtbank gaat voorbij aan de enkele stelling van de verdachte dat hij niet in alle gevallen de chauffeur kan zijn geweest, omdat dit gelet op de late tijdstippen niet mogelijk was door zijn enkelband en hij zich niet in alle door medeverdachte [medeverdachte 1] beschreven situaties herkent, aangezien hij deze stelling niet heeft onderbouwd.
Zaken 8 tot en met 19: medeverdachte [medeverdachte 2]
In de zaken 8 tot en met 19 is [medeverdachte 2] als medeverdachte aangemerkt.
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs voor zijn betrokkenheid van de volgende zaken dient te worden vrijgesproken:
Zaak 8: [benadeelde 8] , 6 juli 2026 (feit 1 en 2);
Zaak 9: [benadeelde 7] , 9 juli 2024 (feit 1 en 2);
Zaak 11: [naam 9] , 20 augustus 2024 (feit 1 en 2);
Zaak 12: [naam 10] , 20 augustus 2024 (feit 1 en 2).
Zaak 13: [benadeelde 3] , 22 augustus 2024 (feit 1 en 2).
De rechtbank overweegt daartoe dat in deze gevallen geen rechtstreekse betrokkenheid van de verdachte kan worden vastgesteld. Gelet op de verklaring van [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 2] door meerdere chauffeurs is rondgereden. In de genoemde gevallen is de auto van verdachte niet waargenomen in de omgeving van de woningen of bij de pinlocaties. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het feit dat [medeverdachte 2] gedurende de feiten vaak in contact stond met het Snapchat-account [naam 11] onvoldoende om betrokkenheid vast te stellen. Immers is gebleken dat meerdere personen van dit account gebruik maakten.
De rechtbank stelt in de overige zaken vast dat verdachte wel betrokken is geweest bij oplichting en diefstal met een valse sleutel. Dit betreft de volgende aangevers, data en feiten:
Zaak 10: [naam 12] , 15 juli 2024 (feit 1 en 2);
Zaak 14: [naam 13] , 30 augustus 2024 (feit 1 en 2);
Zaak 15: [benadeelde 1] , 1 september 2024 (feit 1 en 2);
Zaak 16: [benadeelde 2] , 2 september 2024 (feit 1 en 2);
zaak 17: [naam 16] , 3 september 2024 (feit 1 en 2);
Zaak 18: [benadeelde 4] , 7 september 2024 (feit 1 en 2);
Zaak 19: [naam 14] , 10 september 2024 (feit 1 en 2).
Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij als ophaler van de bankpassen en/of andere goederen en als pinner betrokken is bij deze zaken. Hij heeft verder verklaard dat hij door meerdere ‘chauffeurs’ naar de betreffende locaties is gereden, waaronder ook door de verdachte. Met betrekking tot zaak 10 ( [naam 12] ) heeft [medeverdachte 2] verklaard dat de jongen met de enkelband die dag chauffeur was. De rechtbank stelt vast dat dit de verdachte betreft. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij als chauffeur betrokken was bij zaak 19. Op de camera-beelden in de zaken 14 tot en met 19 is de auto van de verdachte te zien in de omgeving van de woningen van de aangevers dan wel locaties waar is gepind met de weggenomen bank-passen. Met betrekking tot de ANPR-foto’s van zaak 18 ( [benadeelde 4] ) heeft verdachte ter zitting aangegeven dat hij zichzelf heeft herkend als de bestuurder van de auto die te zien is op deze beelden.
Gelet op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] , de verklaring van de verdachte en de camerabeelden is de rechtbank van oordeel dat verdachte de persoon is die in de zaken 10, 18 en 19 de rol van chauffeur heeft vervuld bij de oplichtingen en diefstallen en dat hij in de zaken 14 tot en met 17, waarbij zijn auto is waargenomen, in ieder geval zijn auto ter beschikking heeft gesteld ten behoeve van deze feiten.
Zaak 20: [benadeelde 10] : onbekende koerier/pinner
Ten slotte is er in zaaksdossier 20 sprake van een onbekende pinner. Dit betreft de aangifte van [benadeelde 10] waaruit blijkt dat op 23 oktober 2024 met de door oplichting verkregen bankpas contactloos is betaald bij de Albert Heijn aan [adres] in Maastricht. In de auto van de verdachte is onder de bijrijdersstoel de kassabon aangetroffen van deze betaling. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat bij zaak 20 in ieder geval de auto van de verdachte is gebruikt bij deze oplichting en diefstal.
Medeplegen
Uit vorenstaande volgt dat de verdachte de rol van chauffeur vervulde in de zaken 1 tot en met 7, 10, 18 en 19 door de medeverdachten [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] naar de woningen van de slachtoffers en de locaties waar werd gepind of betaald met de weggenomen bankpassen te vervoeren. Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen vergt deze wijze van oplichting en diefstal een intensieve en nauwe samenwerking tussen de verschillende betrokkenen. Daarbij is de rol van de chauffeur onmisbaar om de (poging tot) oplichting en diefstal te laten slagen. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren immers afhankelijk van verdachte om hen naar de slachtoffers en pinlocaties toe te brengen. Bovendien moesten zij het geld en andere weggenomen goederen aan de verdachte afgeven en werden zij door hem uitbetaald. Gelet op het voorgaande kwalificeert de rechtbank de rol van de verdachte als medepleger.
Dat geldt ook voor de zaken 14 tot en met 17 en 20, waarin weliswaar niet kan worden vastgesteld of de verdachte de chauffeur was, maar in ieder geval wel kan worden vast-gesteld dat de verdachte zijn auto ter beschikking heeft gesteld aan het samenwerkings-verband om deze feiten te plegen. Naar oordeel van de rechtbank maakt het voor de beoordeling van de substantiële bijdrage van verdachte in deze context geen verschil of verdachte zelf heeft opgetreden als chauffeur of dat hij zijn auto beschikbaar heeft gesteld aan andere chauffeurs. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij, in de gevallen waarin hij zelf niet beschikbaar was om als chauffeur op te treden, zijn auto uitleende aan andere chauffeurs met het enkele doel om deze feiten te gaan plegen, alsmede dat hij voor het ter beschikking stellen van zijn auto ook telkens een vergoeding heeft gekregen. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dan ook dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders. Er was een duidelijke onderlinge taakverdeling en de verdachte heeft als vervoerder dan wel door zijn auto ter beschikking te stellen aan de andere betrokkenen binnen het samenwerkingsverband een significante bijdrage geleverd aan de (poging tot) oplichtingen en diefstallen, zodat sprake is van medeplegen.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt het medeplegen van (poging tot) oplichting en diefstal met een valse sleutel, met dien verstande dat hij partieel wordt vrijgesproken van de zaken 8, 9, 11, 12 en 13.
Parketnummer 03/281403-25
De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) criminele uitbuiting van de minderjarige medeverdachte [medeverdachte 2] bij de hiervoor bewezenverklaarde oplichtingen en diefstallen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Juridisch kader
Artikel 273f, eerste lid, sub 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) ziet op de uitbuiting van minderjarigen en stelt diverse handelingen, waaronder het vervoeren, met het oogmerk van uitbuiting strafbaar. Anders dan bij de uitbuiting van volwassen (artikel 273f Sr, eerste lid, sub 1) hoeft daarbij geen sprake te zijn geweest van het hanteren van (een van de) dwangmiddelen.
Dit onderdeel van de strafbaarstelling van mensenhandel strekt ter bescherming van minderjarigen. Bij hen wordt ervan uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. De leeftijd van het slachtoffer is geobjectiveerd en opzet of schuld daaromtrent is voor het bewijs dan ook niet vereist. De wetgever heeft tot uitdrukking willen brengen dat aan de wil van de minderjarige en daarmee de instemming geen betekenis toekomt.
De handelingen omschreven in lid 1, sub 2 zijn slechts strafbaar als deze zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van een persoon of personen. De vraag of, en zo ja, wanneer sprake is van ‘uitbuiting’ is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de te verrichten activiteit, de beperkingen die deze activiteit voor de betrokkene(n) meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte is behaald.
Uitbuiting veronderstelt een bepaalde mate van onvrijwilligheid, die ziet op de onmogelijk-heid om zich aan een bepaalde situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten uitbuiten. Uit jurisprudentie volgt dat uitbuiting eerder aan de orde is in het geval van (zeer) kwetsbare slachtoffers, zoals minderjarigen en als het gaat om het uitvoeren van strafbare activiteiten in plaats van het verrichten van andere arbeid.
De daadwerkelijke uitbuiting hoeft nog niet te hebben plaatsgevonden; voldoende is de onmiskenbare bedoeling van de dader. Wel moet het opzet gericht zijn op de uitbuiting. Voorwaardelijk opzet is niet voldoende.
Handeling: vervoeren
De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat de verdachte in ten minste drie gevallen de medeverdachte [medeverdachte 2] naar de woningen van slachtoffers heeft gebracht om bankpassen en/of andere goederen op te halen en hem vervolgens naar verschillende locaties heeft gereden om met de weggenomen bankpassen pintransacties te verrichten. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank de handeling ‘vervoeren’ op als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr.
Oogmerk van uitbuiting
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of de verdachte bij het vervoeren van [medeverdachte 2] handelde met het oogmerk van uitbuiting.
Uit het dossier en het verhandelde op de zitting valt op te maken dat verdachte in opdracht van een ander [medeverdachte 2] op ten minste drie verschillende data naar verschillende locaties heeft vervoerd ter uitvoering van handelingen in het kader van oplichting en diefstal met valse sleutel. De duur van de te verrichten activiteit is daarmee beperkt wanneer die wordt vergeleken met andere zaken van criminele uitbuiting waarbij een slachtoffer wordt ingezet voor een reeks van criminele activiteiten. Volgens de Hoge Raad hoeft echter het slechts enkele malen laten plegen van een strafbaar feit niet aan het aannemen van ‘oogmerk tot uitbuiting’ in de weg te staan (HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:672).
In de onderhavige zaak wordt de beperkte duur van de strafbare activiteit echter naar oordeel van de rechtbank niet gecompenseerd door de aard van de gedraging. De rechtbank weegt daarin mee dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte degene is geweest die [medeverdachte 2] heeft geronseld voor deze activiteiten, alsmede dat, hoewel het gaat om het doen verrichten van een criminele activiteit waarbij de pakkans en risico’s juist voor [medeverdachte 2] groot waren, deze ook aanwezig waren voor de verdachte. De verdachte bleef immers telkens in zijn eigen auto wachten in de directe nabijheid van de verschillende locaties om [medeverdachte 2] weer op te pikken. Ook ten aanzien van het economisch voordeel van de verdachte kan niet worden vastgesteld dat de verdachte aanzienlijk meer betaald kreeg voor zijn aandeel dan [medeverdachte 2] . Hoewel er sprake was van een verschil in beloning voor hun bijdrage betreft dit voor allebei slechts een fractie van de waarde van de weggenomen geldbedragen en/of goederen.
Evenmin is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier volgt dat bij [medeverdachte 2] sprake was van een bepaalde mate van onvrijwilligheid in die zin dat het voor hem onmogelijk was om zich aan de situatie te onttrekken, noch dat hij in een situatie werd gehouden waarin hij redelijker-wijs geen andere keus had dan zich te laten uitbuiten. Immers komt uit het dossier een beeld naar voren dat bij [medeverdachte 2] een bepaalde mate van eigen initiatief en eigen belang aanwezig was om de feiten te plegen. Evenmin is gebleken van omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [medeverdachte 2] zich – behoudens zijn minderjarigheid – in een bijzondere kwetsbare positie bevond.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte [medeverdachte 2] heeft vervoerd met het oogmerk van criminele uitbuiting, als bedoeld in artikel 273f eerste lid, sub 2 Sr. Dat maakt dat de verdachte hiervan wordt vrijgesproken.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
Parketnummer 03/343704-24
feit 1:
op meerdere tijdstippen in de periode van 12 juli 2024 tot en met 23 oktober 2024 te Heerlen en Maastricht en Meerssen en Holtum, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, althans met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels
1. [naam 6] en
2. ) [benadeelde 9] en
3. ) [naam 7] en
4. ) [benadeelde 5] en
5. ) [benadeelde 11] en
6. ) [naam 15] en
9. ) [naam 12] en
13. ) [naam 13] en
14. ) [benadeelde 1] en
15. ) [benadeelde 2] en
16. ) [naam 16] en
17. ) [benadeelde 4] en
18. ) [naam 14] en
19.) [benadeelde 10]
heeft bewogen tot de afgifte van geld en/of telefoons en/of Ipad’s en/of sieraden en het ter beschikking stellen van gegevens (pincodes) door
- zich onder valse naam voor te doen als een bankmedewerker en/of voornoemde slachtoffers meermaals te verzekeren dat hij/zij bankmedewerkers waren (door aanvullende informatie te verstrekken) en
- voornoemde slachtoffers te vertellen dat er fraude was gepleegd met hun bankrekening en/of dat er verdachte transacties waren waargenomen vanaf de bankrekening en/of dat geprobeerd was om geld van de bankrekening over te boeken en/of dat hierdoor spoedig actie moest worden ondernomen en
- voornoemde slachtoffers te vertellen dat zij/hij de slachtoffers ging(en) helpen en een collega van hem/haar onderweg was aan wie voornoemde slachtoffers hun bankpassen moesten afgeven en met die rekeninghouders een (verificatie)code af te spreken met welke voornoemde collega zich aan de deur zou identificeren en
- voornoemde slachtoffers te verzekeren dat (contante) gelden en/of sieraden en/of andere waardevolle goederen konden worden veiliggesteld in een kluis van de bank en voornoemde slachtoffers te bewegen tot afgifte van deze goederen aan de persoon die aan de deur kwam, waardoor bovengenoemde slachtoffers werden bewogen tot bovenomschreven afgiften;
feit 2:
op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 juli 2024 tot en met 23 oktober 2024 te Heerlen en Maastricht en Sittard en Gulpen, meermalen tezamen en in vereniging met anderen telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedragen, welke geldbedragen toebehoorden aan
1.) [naam 6] en
2.) [benadeelde 9] en
3.) [naam 7] en
4.) [benadeelde 5] en
5.) [benadeelde 11] en
8.) [naam 12] en
12.) [naam 13] en
13.) [benadeelde 1] en
14.) [benadeelde 2] en
15.) [naam 16] en
16.) [benadeelde 4] en
17.) [naam 14] en
18.) [benadeelde 10]
waarbij hij, verdachte en zijn mededaders het weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutels te weten door oplichting verkregen bankpassen en pincode;
feit 3:
op 19 juli 2024, te Maastricht tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels [naam 2] te bewegen tot de afgifte van bankpassen en creditcards van haar bankaccounts en te bewegen tot het ter beschikking stellen van gegevens (pincodes),
- zich onder valse naam heeft voorgedaan als een bankmedewerker en
- voornoemd slachtoffer heeft verteld dat geprobeerd was om geld van de bankrekening over te boeken en dat hierdoor spoedig actie moest worden ondernomen en
- voornoemd slachtoffer heeft verteld een collega van hem onderweg was aan wie voornoemd slachtoffer haar bankpassen moest afgeven en met dat slachtoffer een code af te spreken met welke voornoemde collega zich aan de deur zou identificeren,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
parketnummer 03/343704-24
feit 1: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
feit 2: medeplegen van diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd;
feit 3: poging tot medeplegen van oplichting.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht, gelet op de bepleite vrijspraken, te volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. De raadsman ziet daarbij geen aanleiding voor een voorwaardelijk strafdeel, nu de reclassering de verdachte ook kan begeleiding in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling.
Subsidiair heeft de raadsman - in geval van bewezenverklaring van de uitbuiting - bepleit te volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar waarvan 2 jaar voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarden meldplicht, meewerken aan diagnostiek en een eventueel daaruit voortvloeiende behandelverplichting. De raadsman ziet geen meerwaarde in een contact- en locatieverbod met de slachtoffers nu verdachte niet degene is geweest die de slachtoffers heeft gebeld of bij hen aan de deur is geweest.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer vier maanden samen met anderen schuldig gemaakt aan dertien gevallen van oplichting en één poging daartoe door middel van bankhelp-deskfraude. Naast contante geldbedragen, hebben de verdachte en zijn mededaders de slachtoffers ook meermalen sieraden of andere kostbare voorwerpen afhandig gemaakt. Daarnaast is in twaalf gevallen geld opgenomen of zijn betalingen verricht met de uit oplichting verkregen bankpassen met bijbehorende codes, waarmee de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde diefstallen. Al deze feiten zijn in vereniging gepleegd.
Bankhelpdeskfraude is een ernstige vorm van criminaliteit die, naast financiële schade, veel overlast en gevoelens van onmacht en onveiligheid bij de veelal oudere en kwetsbare slachtoffers teweegbrengt. De daders hebben telefonisch contact gezocht met een grote hoeveelheid slachtoffers en zich daarbij voorgedaan als bankmedewerkers. Aan de slachtoffers werd voorgehouden dat de bank had ontdekt dat er verdachte transacties van de bankrekening van de slachtoffers werden gepleegd. In sommige gevallen deed men zich ook voor als medewerker van de politie en werd verteld dat er mensen waren aangehouden die het adres van het slachtoffer in de auto hadden liggen om daar mogelijk te gaan inbreken. Vervolgens werd er “hulp” aangeboden om dit te voorkomen. Aan de telefoon werd het vertrouwen van de slachtoffers gewonnen. Door leugens hebben de daders verschillende slachtoffers ertoe aangezet om hun bankpassen, bijbehorende pincodes en soms hoeveelheden contant geld, telefoons, een iPad en sieraden af te geven. Het is de verdachte die als chauffeur de ophalers van de waardevolle goederen in de buurt van de woning van de slachtoffers afzette of zijn auto daarvoor uitleende. Daarna bracht de verdachte (of een “collega” met de auto van de verdachte) de ophalers naar een pinautomaat of winkel, om daar geld te pinnen of spullen te kopen met de uit oplichting verkregen bankpassen en pincodes. Tegen de tijd dat de slachtoffers opmerkten dat er iets niet in orde was, waren het geld en de verdachten al verdwenen. Hoewel de verdachte niet degene is geweest die de slachtoffers telefonisch heeft benaderd, is de rol van de verdachte in het geheel aanzienlijk en onmisbaar geweest.
De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij, samen met anderen, op deze doortrapte en slinkse wijze geld en goederen afhandig heeft gemaakt van meerdere kwetsbare slachtoffers op leeftijd. Dit zijn ernstige feiten die, naast financiële schade, veel overlast en gevoelens van onmacht, schaamte en onveiligheid bij de slachtoffers teweeg hebben gebracht. Ook is het vertrouwen van de slachtoffers in financiële instanties en de politie hiermee ernstig misbruikt. Daar komt bij dat deze oudere slachtoffers veelal aangewezen zijn op hulp van derden waarvoor vertrouwen in die derden wezenlijk is en juist dat vertrouwen zijn zij door het handelen van de verdachte en zijn mededaders verloren. Dat maakt hun leven ingewikkeld. De verdachte en zijn mededaders waren kennelijk maar uit op één ding: snel en makkelijk veel geld verdienen, waarbij op geen enkele wijze oog is geweest voor de belangen van de slachtoffers.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 22 juli 2026 waaruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld vermogensdelicten en hij het bewezenverklaarde heeft gepleegd terwijl hij liep in een voorwaardelijke invrijheidstelling van 480 dagen. De verdachte droeg in dit kader een enkelband. De rechtbank rekent de verdachte de brutaliteit van het plegen van strafbare feiten, terwijl hij nota bene met een enkelband onder toezicht stond, sterk aan.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 5 augustus 2026, waaruit blijkt dat er sprake is van een gemiddeld tot hoog recidive-risico. Hoewel de verdachte zich de afgelopen periode volwassener lijkt op te stellen in het kader van het werken aan een positieve toekomst, is het onvoldoende duidelijk geworden of hij oprechte of slechts sociaal wenselijke uitspraken doet. Reclasseringstoezicht wordt dan ook wenselijk geacht om de verdachte te begeleiden naar een maatschappelijk aanvaardbaar leven, zowel op praktisch als op psychosociaal en procrimineel vlak. Daarnaast wordt diagnostiek op psychisch vlak aangewezen geacht om duidelijk te krijgen waarom de verdachte steeds terugvalt in risicovol en crimineel gedrag en daarnaast ook kinderachtig gedrag, zodat het reclasseringstoezicht doeltreffender kan worden ingezet en kan worden beoordeeld of eventuele ambulante behandeling is aangewezen.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf rekening gehouden met de straffen die rechters in soortgelijke strafzaken opleggen. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat de verdachte eerder is veroordeeld voor onder andere voor vermogensdelicten. Eerder opgelegde gevangenisstraffen alsmede het reclasseringstoezicht en de enkelband in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling hebben hem er niet van weerhouden om wederom de fout in te gaan. Gelet hierop, in combinatie met de ernst van de feiten, kan niet anders worden gereageerd dan met een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal ook een voorwaardelijk deel opleggen op als stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte nogmaals zal recidiveren.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 40 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht. Bij het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden een meldplicht alsmede het meewerken aan diagnostiek en eventueel daaruit voortvloeiende ambulante behandeling opleggen, zoals door de reclassering is geadviseerd. De rechtbank ziet - evenals de officier van justitie en de verdediging - geen aanleiding om tevens een contact- en locatie-verbod ten aanzien van de slachtoffers op te leggen, nu de verdachte niet degene is geweest die de slachtoffers telefonisch heeft benaderd of bij hun woning is geweest.
7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vorderingen
Ten aanzien van het ten gevolge aan de verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde hebben zich meerdere benadeelde partijen in het strafproces gevoegd. De benadeelde partijen vorderen de volgende bedragen:
Benadeelde partij
Vordering materiële schade
Vordering immateriële schade
[benadeelde 1]
€ 1.723,-
[benadeelde 2]
€ 1230,-
[benadeelde 3]
€ 619,-
€ 750,-
[benadeelde 4]
€ 16.807,-
1.500,-
[benadeelde 5]
€ 416,40
[benadeelde 11]
€ 500,-
[benadeelde 7]
€ 19.510,-
[benadeelde 8]
€ 490,-
[benadeelde 9]
€ 50,-
[benadeelde 10]
€ 3.318,33
€ 650,-
Het standpunt van de officier van justitie
Niet-ontvankelijk
De benadeelde [benadeelde 2] is volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering nu uit de onderbouwing blijkt dat de gevorderde bedragen reeds door de verzekering zijn vergoed.
De door benadeelde [benadeelde 7] gevorderde schade met betrekking tot de weggenomen sieraden is reeds door de verzekering vergoed. Waarom deze sieraden een voor de benadeelde een (veel) hogere waarde hebben dan door de verzekering is vergoed, is verder niet nader onderbouwd. Nadere onderbouwing van dit punt levert tevens onevenredige belasting van het strafgeding op, waardoor de benadeelde voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Materiële schade
De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de vorderingen van alle dertien benadeelde partijen kunnen worden toegewezen voor het bedrag dat zij met de weggenomen bankpassen van hun rekeningen is gepind alsmede de andere materiële kosten die daarmee in rechtstreeks verband staan, te weten:
benadeelde [benadeelde 3] : de installatie van een deurbelcamera ad € 109,- en het aanvragen van een nieuw telefoonnummer ad € 20,-;
benadeelde [benadeelde 4] : de aanvraag van een nieuwe pinpas ad € 9,-;
benadeelde [benadeelde 5] : de waarde de weggenomen telefoon, welke door de officier van justitie op € 100,- wordt geschat.
De door [benadeelde 4] gevorderde waarde van de weggenomen sieraden is door de benadeelde slechts geschat en niet nader onderbouwd. Nadere onderbouwing van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, waardoor de benadeelde voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Immateriële schade
Voorts acht de officier van justitie de door de benadeelden [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 9] en [benadeelde 10] gevorderde immateriële schade voldoende onderbouwd en redelijk, zodat ook deze posten voor toewijzing in aanmerking komen.
Tot slot heeft de officier van justitie heeft gevorderd de toe te wijzen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente alsmede om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
Niet-ontvankelijk
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelden [benadeelde 2] en [benadeelde 11] niet-ontvankelijk zijn in hun vordering dan wel dat deze dienen te worden afgewezen, nu de schade reeds door de verzekering is vergoed.
Ook dient de benadeelde [benadeelde 7] conform de overwegingen in het vonnis van medeverdachte [medeverdachte 2] niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.
Materiële schade
De verdediging heeft zich met betrekking tot de door de benadeelden [benadeelde 8] , [benadeelde 3] , [benadeelde 1] en [benadeelde 10] gevorderde materiele schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De door de benadeelde [benadeelde 5] gevorderde materiële schade dient te worden gematigd tot een bedrag van € 100,-, zijnde een geschatte waarde van de weggenomen telefoon.
De benadeelde [benadeelde 4] dient conform de overwegingen in het vonnis van medeverdachte [medeverdachte 2] niet-ontvankelijk te worden verklaard in de gevorderde schade van de weggenomen sieraden.
Immateriële schade
De raadsman heeft in het kader van de door de benadeelden [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 9] en [benadeelde 10] gevorderde immateriële schade verwezen naar de overwegingen van de rechtbank in het vonnis van medeverdachte [medeverdachte 2] . De rechtbank is daarin – kort gezegd – van oordeel dat de aard en de ernst van de gepleegde strafbare feiten niet meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelden zijn in dit deel van de vorderingen dan ook niet-ontvankelijk.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt over deze tien vorderingen het volgende.
Niet-ontvankelijk vanwege vrijspraak
De verdachte wordt door de rechtbank vrijgesproken ten aanzien van de aangevers [benadeelde 7] , [benadeelde 8] en [benadeelde 3] . De rechtbank zal deze drie benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.
Reeds vergoede schade
Evenals de officier van justitie en de verdediging stelt de rechtbank vast dat de door de benadeelden [benadeelde 2] en [benadeelde 11] gevorderde schade reeds is vergoed door de verzekering, waardoor deze vorderingen dienen te worden afgewezen.
Materiële schade
De benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] en [benadeelde 10] hebben immateriële schade gevorderd. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
[benadeelde 1]
De vordering is door de verdediging niet weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook
niet onredelijk of ongegrond voorkomt, acht de rechtbank de vordering van € 1.723,- toewijsbaar.
[benadeelde 10]
De vordering is door de verdediging niet weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook
niet onredelijk of ongegrond voorkomt, acht de rechtbank de vordering van € 3.318,33 toewijsbaar.
[benadeelde 5]
De vordering van € 416,40 ziet op de aanschaf van een nieuwe mobiele telefoon met hoesje. De kosten van aanschaf van een nieuwe telefoon met hoesje staan naar het oordeel van de rechtbank echter in onvoldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde. Naar het oordeel van de rechtbank is wel aannemelijk dat het slachtoffer schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Op grond van het dossier staat vast dat de benadeelde schade heeft geleden door de weggenomen telefoon. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek (BW) schat de rechtbank de hoogte van de materiële schade op € 100,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
[benadeelde 4]
De vordering is door de verdediging met betrekking tot de posten ‘gepind geldbedrag en betalingen in winkel’ en ‘kosten aanvraag nieuwe bankpas’ niet weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voorkomt, acht de rechtbank deze schadeposten van in totaal € 1.807,- toewijsbaar.
Ten aanzien van de post ‘gestolen sieraden’ stelt de benadeelde partij dat de waarde van de sieraden die zij heeft afgegeven door oplichting een waarde vertegenwoordigden van ongeveer € 15.000,-. De benadeelde partij heeft dit bedrag niet met stukken onderbouwd, zodat de vordering niet toewijsbaar is. Indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld om dit bedrag nader te onderbouwen, zou dit een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Dit leidt naar het oordeel van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring, nu de rechtbank overigens ook onvoldoende aanknopingspunten ziet om van haar schattingsbevoegdheid gebruik te kunnen maken.
Immateriële schade
De benadeelden [benadeelde 4] , [benadeelde 9] en [benadeelde 10] hebben tevens immateriële schade-vergoeding gevorderd. De rechtbank overweegt dat artikel 6:106 van het BW slechts in bepaalde gevallen recht geeft op vergoeding van immateriële schade. Toegespitst op deze zaak is hiervoor vereist dat een benadeelde partij stelt en onderbouwt dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW. Hiervan is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106 aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen. Uit de toelichting van de drie benadeelde partijen blijkt dat zij na het gebeuren gevoelens van onveiligheid, angst, wantrouwen alsmede slechte nachtrust hebben ervaren. Hoewel sprake is van een geraffineerde oplichting, waarbij misbruik is gemaakt van de hoge leeftijd en geringe weerbaarheid van benadeelden en de slachtoffers daarvan ongetwijfeld nadelige gevolgen hebben ondervonden, brengen de aard en de ernst van de gepleegde strafbare feiten niet mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder verdere onderbouwing kan worden aangenomen.
De rechtbank verklaart de benadeelden [benadeelde 4] , [benadeelde 9] en [benadeelde 10] dan ook niet-ontvankelijk in de vorderingen met betrekking tot de immateriële schade.
Slotsom
Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank voor de ontvankelijke vorderingen van de benadeelde partijen tot de volgende toegewezen schadebedragen komt:
Benadeelde partij
Toe te wijzen materiele schade
Wettelijke rente
[benadeelde 1]
€ 1.723,-
1 september 2024
[benadeelde 10]
€ 3.318,33
23 oktober 2024
[benadeelde 5]
€ 100,-
17 juli 2024
[benadeelde 4]
€ 1.807,-,
7 september 2024
Wettelijke rente
De toe te wijzen geldbedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover. De rechtbank zal de ingangsdatum van deze rente voor elke benadeelde partij bepalen op de dag dat de verdachten de pintransacties/betalingen vanaf de rekeningen van de slachtoffers hebben verricht, zoals vermeld in bovenstaande tabel.
Veroordeling in de proceskosten van de benadeelde partijen
De verdachte wordt tevens veroordeeld in de proceskosten die door of namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] en [benadeelde 10] zijn gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zijn te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet verder aanleiding om in het belang van benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] en [benadeelde 10] de schadevergoedingsmaatregel, als bedoeld in artikel 36f Sr, aan de verdachte op te leggen, als extra waarborg voor betaling.
Hoofdelijk
De rechtbank stelt vast dat de verdachte de strafbare feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht tezamen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van de benadeelden hoofdelijk toewijzen voor zover ook medeverdachte [medeverdachte 2] is veroordeeld tot vergoeding van de schade (inzake benadeelden [benadeelde 1] en [benadeelde 4] ). Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.
8. Het beslag
Verbeurdverklaring
De rechtbank zal de twee inbeslaggenomen geldbedragen (goednummers (G1750674 en G1750660) verbeurd verklaren. Naar oordeel van de rechtbank behoren deze geldbedragen aan de verdachte toe, nu de verdachte zijn stelling dat het geldbedrag van € 3.000,- aan zijn broer toebehoort niet heeft onderbouwd en niet aannemelijk heeft gemaakt. Voorts is de rechtbank van oordeel dat deze geldbedragen, gelet op de wijze waarop deze zijn aangetroffen in combinatie met het feit dat de verdachte niet over een legaal inkomen beschikte, geheel of gedeeltelijk uit de baten van de strafbare feiten zijn verkregen.
Teruggave
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de overige in beslag genomen goederen aan de beslagene, nu niet kan worden vastgesteld dat deze enig verband houden met het bewezenverklaarde en geen strafvorderlijk belang als bedoeld in artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering zich daartegen nog verzet.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 63, 311, 326 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het onder parketnummer 03/281403-25 tenlastegelegde;
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Straf
Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen (parketnummer 03/343704-24 feit 1 en 2)
Beslag
- verklaart verbeurd de volgende onder parketnummer 03/343704-24 in beslag genomen voorwerpen:
- gelast de teruggave van de onder parketnummer 03/343704-24 volgende in beslag genomen voorwerpen aan verdachte:
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B.A. Ferwerda, voorzitter, mr. M.J.M. Goessen en
mr. J. Linders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 2 september 2026.
Mr. M.J.M. Goessen is buiten staat dit vonnis mede te onderteken.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
Parketnummer 03/343704-24
1.
Hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 juli 2024 tot en met 23 oktober 2024 te Heerlen en/of Maastricht en/of Meerssen en/of Holtum en/of Sittard, gemeente Sittard-Geleen en/of Gulpen, gemeente Gulpen-Wittem in elk geval in Nederland,
meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels
1. [naam 6] en/of
2. ) [benadeelde 9] en/of
3. ) [naam 7] en/of
4. ) [benadeelde 5] en/of
5. ) [benadeelde 11] en/of
6. ) [naam 15] en/of
7. ) [benadeelde 8] en/of
8. ) [benadeelde 7] en/of
9. ) [naam 12] en/of
10. ) [naam 9] en/of
11. ) [naam 10] en/of
12. ) [benadeelde 3] en/of
13. ) [naam 13] en/of
14. ) [benadeelde 1] en/of
15. ) [benadeelde 2] en/of
16. ) [naam 16] en/of
17. ) [benadeelde 4] en/of
18. ) [naam 14] en/of
19.) [benadeelde 10]
heeft bewogen tot de afgifte van geld en/of telefoons en/of Ipad’s en/of sieraden, althans enig goed en/of het ter beschikking stellen van gegevens (pincodes) en/of het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld door
- zich onder valse naam voor te doen als een bankmedewerker en/of voornoemde slachtoffers meermaals te verzekeren dat hij/zij bankmedewerkers waren (door aanvullende informatie te verstrekken) en/of
- voornoemde slachtoffers te vertellen dat er fraude was gepleegd met hun bankrekening en/of dat hun bankrekening was gehackt, althans dat er verdachte transacties waren waargenomen vanaf de bankrekening en/of dat geprobeerd was om geld van de bankrekening over te boeken en/of dat de computer een virus had en/of dat hierdoor spoedig actie
moest worden ondernomen en/of
- voornoemde slachtoffers te vertellen dat zij/hij de slachtoffers ging(en) helpen en/of een collega van hem/haar/hen onderweg was aan wie voornoemde slachtoffers hun bankpassen moesten afgeven en/of met die rekeninghouders een (verificatie)code af te spreken met welke voornoemde collega zich aan de deur zou identificeren en/of
- voornoemde slachtoffers te verzekeren dat (contante) gelden en/of sieraden en/of andere waardevolle goederen konden worden veiliggesteld in een kluis van de bank en/of voornoemde slachtoffers te bewegen tot afgifte van deze goederen aan de persoon die aan de deur kwam, waardoor bovengenoemde slachtoffers en/of ander(en) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);
2.
Hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 juli 2024 tot en met 23 oktober 2024 te Heerlen en/of Maastricht en/of Meerssen en/of Holtum en/of Sittard, gemeente Sittard-Geleen en/of Gulpen, gemeente Gulpen-Wittem in elk geval in Nederland,
meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en), welk(e) geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehoorde(n)aan
1. [naam 6] en/of
2. ) [benadeelde 9] en/of
3. ) [naam 7] en/of
4. ) [benadeelde 5] en/of
5. ) [benadeelde 11] en/of
6. ) [benadeelde 8] en/of
7. ) [benadeelde 7] en/of
8. ) [naam 12] en/of
9. ) [naam 9] en/of
10. ) [naam 10] en/of
11. ) [benadeelde 3] en/of
12. ) [naam 13] en/of
13.) [benadeelde 1] en/of
14.) [benadeelde 2] en/of
15. ) [naam 16] en/of
16. ) [benadeelde 4] en/of
17. ) [naam 14] en/of
18.) [benadeelde 10]
in elk geval een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen geld onder zijn/hun bereik eeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s) te weten door oplichting verkregen, althans onder valse voorwendselen en/of diefstal verkregen bankpas(sen) en/of pincode, in elk geval (een) sleutel(s) tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren;
3.
hij op of omstreeks 19 juli 2024, te Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander
wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels
1) [naam 2]
te bewegen tot de afgifte van bankpassen en/of creditcards van haar bankaccounts, althans enig goed en/of te bewegen tot het ter beschikking stellen van gegevens (pincodes),
en/of te bewegen tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld
- zich onder valse naam heeft voorgedaan als een bankmedewerker en/of voornoemd slachtoffer heeft verzekerd dat zij bankmedewerkers waren (door aanvullende informatie te verstrekken) en/of - voornoemd slachtoffer heeft verteld dat er fraude was gepleegd met
haar bankrekening en/of dat haar bankrekening was gehackt, althans dat er verdachte transacties waren waargenomen vanaf de bankrekening en/of dat geprobeerd was om geld van de bankrekening over te boeken en/of dat de computer een virus had en/of dat hierdoor spoedig actie moest worden ondernomen en/of
- voornoemd slachtoffer heeft verteld dat zij/hij slachtoffer ging(en) helpen en/of een collega van hem/haar/hen onderweg was aan wie voornoemd slachtoffer haar bankpassen moest afgeven en/of met dat slachtoffer een (verificatie)code af te spreken met welke voornoemde
collega zich aan de deur zou identificeren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 03/281403-25
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juli 2024 tot en met 10 september 2024 te Heerlen, Maastricht en/of Gulpen, gemeente Gulpen-Wittem, in elk geval in Nederland meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander, te weten [medeverdachte 2] , geboren op 7 juni 2007, (telkens) heeft vervoerd en/of overgebracht, met het oogmerk van uitbuiting van die[medeverdachte 2] , terwijl die [medeverdachte 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, door die [medeverdachte 2] (telkens) te vervoeren van en naar woningen van slachtoffers van bankhelpdeskfraude, pinautomaten en/of winkels.