ECLI:NL:RBLIM:2026:943

ECLI:NL:RBLIM:2026:943

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 29-01-2026
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer ROE 25/3073
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening

Samenvatting

Voorlopige voorziening hangende bezwaar. Woningsluiting 13b Opiumwet. Evident onrechtmatig besluit. Sluiting is niet geschikt en noodzakelijk. Verzoek toewijzen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 januari 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit Schimmert, verzoekster

de burgemeester van de gemeente Brunssum, de burgemeester

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 25/3073

(gemachtigde: H.J.M. Meijers)

en

(gemachtigde: mr. C.C. van Amersfoort).

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de woning van verzoekster voor zes maanden te sluiten. Verzoekster is het daar niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 9 december 2025 heeft de burgemeester de woning van verzoekster gesloten voor de duur van zes maanden. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De burgemeester heeft de rechtbank per e-mailbericht van 15 december 2025 laten weten dat met sluiting van de woning wordt gewacht totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. De burgemeester heeft op 6 januari 2026 een verweerschrift ingediend. Verzoekster heeft hierop op 16 januari 2026 gereageerd.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de burgemeester. Verder is aan de zijde van de burgemeester N. Ruijpers verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?

3. Verzoekster is eigenaar en verhuurder van de woning. De burgemeester heeft op 4 november 2025 een bestuurlijke rapportage van de politie ontvangen. Uit de bestuurlijke rapportage volgt dat de woning op 12 augustus 2025 is betreden naar aanleiding van een openstaande gevangenisstraf van de bewoner van de woning. De woning is op dezelfde dag doorzocht. Tijdens de doorzoeking van de woning is het volgende aangetroffen:

De burgemeester heeft op 17 november 2025 het voornemen tot woningsluiting voor de duur van zes maanden toegezonden en verzoekster in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Verzoekster heeft hiervan gebruik gemaakt. De ‘nieuwe’ bewoner en huurder van de woning (hierna: de huidige bewoner), aan wie ook het voornemen tot sluiting kenbaar is gemaakt, heeft ook een zienswijze ingediend. De burgemeester heeft vervolgens geen aanleiding gezien om van het voornemen af te wijken en op 9 december 2025 besloten om de woning voor zes maanden te sluiten.

Toetsingskader

4. Als de burgemeester gebruik wil maken van haar bevoegdheid om een woning op grond van artikel 13b, van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Dat kader is beschreven in de uitspraken van 6 juli 2022 en 16 juli 2025. Hierbij moet beoordeeld worden of de sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.

Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan?

5. Niet in geschil is dat er in de woning van verzoekster een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen, zodat de burgemeester in beginsel bevoegd is de woning te sluiten. Hierbij is niet van belang wie er op het moment van het aantreffen in de woning woonde, of dat de voormalige of de huidige huurder is.

Mocht de burgemeester gebruikmaken van haar bevoegdheid?

6. De burgemeester dient een belangenafweging te maken bij haar beslissing of, en op welke wijze, zij van de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet gebruik maakt en waarbij het hiervoor genoemde toetsingskader van de Afdeling geldt. De evenredigheidsbeoordeling bestaat uit een beoordeling van de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van het besluit tot sluiten van de woning.

Geschiktheid en noodzakelijkheid

7. Als de burgemeester bevoegd is om een woning te sluiten, is de volgende vraag of de sluiting gelet op het tijdsverloop geschikt is en zo ja, of er een noodzaak bestaat om een woning te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in haar beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt.

Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of uit onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit de woning, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit de woning zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal en grote hoeveelheden contant geld en/of wapens. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van de woning noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken.

De voorzieningenrechter overweegt dat op 12 augustus 2025 een grote hoeveelheid drugs in de woning is aangetroffen. Uit de bestuurlijke rapportage volgt dat de woning is betreden vanwege het feit dat de toenmalige bewoner een gevangenisstraf had openstaan. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat de toenmalige bewoner vanaf augustus 2025 niet meer in de woning woont en hij de huurovereenkomst heeft opgezegd. Verder is niet in geschil dat de huidige bewoner van de woning op geen enkele wijze betrokken is bij de op 12 augustus 2025 aangetroffen situatie in de woning. De voorzieningenrechter dient te beoordelen of in de huidige situatie de sluiting van de woning nog noodzakelijk is (toetsing ex nunc) en de burgemeester dient dat in haar beslissing op het bezwaar van verzoekster ook te doen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de geschiktheid en de noodzakelijkheid van de woningsluiting in de huidige situatie onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de toenmalige bewoner van de woning vanaf augustus 2025 niet meer in de woning verblijft, zijn huurovereenkomst toen is opgezegd en de aangetroffen drugs in beslag zijn genomen. Gelet hierop is de overtreding beëindigd. Ook acht de voorzieningenrechter van belang dat niet is gebleken van bekendheid van de woning als drugspand of van een loop naar de woning die doorbroken moet worden. Er zijn geen meldingen van de politie of verklaringen van buurtbewoners over (drugsgerelateerde) overlast. Evenmin is gebleken van meldingen in de periode na doorzoeking van de woning en na het vertrek van de vorige bewoner. Bij een gebrek aan verdere aanknopingspunten over de concrete omstandigheden van het geval mag verondersteld worden dat, mede door het tijdsverloop tussen de doorzoeking van de woning en de beslissing op bezwaar, de situatie ter plaatste al is hersteld en de (mogelijk) negatieve effecten van de overtreding ongedaan gemaakt zijn. Er is onvoldoende gebleken dat de openbare orde in de omgeving van de woning (nog) is verstoord. Ook is niet gebleken dat de woning is gelegen in een voor (drugs)criminaliteit kwetsbare wijk. De impact van de overtreding op de omgeving (op het woon- en leefklimaat) is niet gebleken. Er zijn verder geen concrete feiten en omstandigheden bekend op basis waarvan de burgemeester heeft aangenomen dat verzoeksters woning bekend staat als drugspand. Dat met de sluiting van de woning een signaalfunctie in de gemeente wordt afgegeven acht de voorzieningenrechter in dit geval evenmin voldoende voor de onderbouwing dat sluiting evenredig is, omdat een bestuursrechtelijke herstelsanctie niet bedoeld is om af te schrikken of uit te dragen dat de burgemeester handhavend optreedt. Wat overblijft is de aard en hoeveelheid van de aangetroffen drugs en het door de burgemeester geschetste risico op criminaliteit als gevolg van de rol die de woning mogelijk heeft vervuld binnen een drugsketen. Wat die rol precies is geweest, blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende uit het dossier en de voorzieningenrechter stelt vast dat dit risico zich in de afgelopen maanden na de doorzoeking van de woning in ieder geval niet heeft verwezenlijkt.

Aangezien de overtreding inmiddels is beëindigd en niet gebleken is van aanwijzingen die duiden op feitelijke handel, een loop naar de woning en overlastmeldingen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verondersteld mag worden dat de situatie ter plaatse al is hersteld en dat de negatieve effecten van de overtreding ongedaan gemaakt zijn. De voorzieningenrechter heeft dan ook ernstige bedenkingen bij het standpunt van de burgemeester dat de sluiting van de woning geschikt en noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat rondom de woning en het herstel van de openbare orde enkel en alleen omdat er een grote hoeveelheid hard- en softdrugs is aangetroffen in de woning. Aan de beoordeling of de sluiting evenwichtig is komt de voorzieningenrechter daarom niet toe.

Gelet op het voorgaande is het de verwachting van de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit geen stand zal houden omdat het onrechtmatig is. Dit betekent dat de voorlopige voorziening wordt toegewezen.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 9 december 2025 is geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat de burgemeester de woning niet mag sluiten tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

9. Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekster vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.N.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.M.F. Roijen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026 .

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 29 januari 2026

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?