RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 25 augustus 2026
Zaaknummer: C/03/354549 / KG ZA 26-299
De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het volgende kort gedingvonnis gewezen
inzake
[de vader] , eiser in conventie, verweerder in reconventie,
hierna te noemen de vader,
wonend in [plaats 1],advocaat mr. W.R. Gorseling, kantoorhoudend in Cuijk, gemeente Land van Cuijk,
tegen:
[de moeder] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna te noemen de moeder,
wonend in [plaats 2],advocaat mr. A.P.J. Hendriks, kantoorhoudend in Horst, gemeente Horst aan de Maas.
1. Het verloop van de procedure
De vader heeft de moeder gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 25 augustus 2026, heeft hij gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna hij zijn vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader heeft toegelicht.
De moeder heeft aan de hand van een conclusie van antwoord verweer gevoerd en tevens een voorwaardelijke eis in reconventie ingesteld. De vader heeft geantwoord in reconventie en een voorwaardelijke vermeerdering van zijn eis in conventie ingesteld. De moeder heeft daarop nog nadere producties overgelegd.
Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.
Artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geeft de rechter de mogelijkheid om op de zitting mondeling uitspraak te doen. De rechter heeft hiervan gebruik gemaakt en aan de verschenen belanghebbenden de beslissing en de belangrijkste gronden van die beslissing meegedeeld. Dit vonnis vormt de volledige schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak van de rechter.
2. De feiten
Uit de inmiddels beëindigde affectieve relatie tussen de ouders zijn geboren de minderjarigen:
- [minderjarige 1], op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], op [geboortedag 2] 2021 in [geboorteplaats].
De ouders zijn belast met het gezag over de kinderen. De kinderen staan in de Basisregistratie Personen op het adres van de vader ingeschreven.
Uit artikel 3 van het door de ouders op 30 april 2024 gesloten ouderschapsplan blijkt dat de ouders een zorgregeling zijn overeengekomen waarbij de kinderen de helft van de tijd bij beide ouders verblijven.
In artikel 4 van voornoemd ouderschapsplan zijn de ouders als volgt overeengekomen:
“Wij spreken af dat, [minderjarige 1] zal starten op school in [plaats 1]. Wanneer ook [minderjarige 2] ingeschreven moet worden op een basisschool zullen wij in gesprek gaan over de locatie van de school van beide kinderen. Wij achten het in belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat wij bekijken wat de beste optie is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rekening houdend met de noodzaak van een de opbouw van een sociaal leven in zowel de woonplaats van ons beiden. Ook dient er rekening gehouden te worden naar de omstandigheden van de moeder. Het uitgangspunt van dit gesprek mag niet zijn dat [minderjarige 1] al op school zit in [plaats 1] en dit goed gaat. Wij zijn van mening dat hij het goed zal doen op iedere school.”.
In artikel 10 van voornoemd ouderschapsplan zijn de ouders als volgt overeengekomen:
“Een keuze voor een (type) school maken wij gezamenlijk. Wij zullen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in zoverre dit mogelijk is betrekken bij deze keuze.”.
En uit artikel 11 blijkt:
“Schoolkeuze: de gekozen school zal in de woonplaats van de hoofdverzorger liggen.”.
Op 14 januari 2025 zijn de ouders een aanvullend ouderschapsplan overeengekomen, waarin zij hebben bepaald dat, in afwijking van artikel 4 van het ouderschapsplan van 30 april 2024, zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] starten op een school in [plaats 1]. Vanaf het schooljaar 2026 zullen beide kinderen op een school in [plaats 2] starten en daar naar school gaan.
De man heeft bij de rechtbank Oost-Brabant een procedure aanhangig gemaakt over de school van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (bodemprocedure met voorlopige voorziening).
3. Het geschil
In conventie
De vader vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de moeder te gebieden de inschrijving van de minderjarigen op de basisschool te
[plaats 2], voor zover deze reeds heeft plaatsgevonden, binnen twee dagen in deze te
wijzen vonnis ongedaan te maken dan wel de minderjarigen aldaar uit te schrijven;
II. de moeder te gebieden ervoor zorg te dragen dat de minderjarigen gedurende de
onderhavige procedure ingeschreven blijven of opnieuw worden ingeschreven op
[basisschool 1] te [plaats 1], en aldaar onderwijs blijven volgen totdat in
de bodemprocedure onherroepelijk is beslist omtrent de schoolkeuze;
III. de moeder te verbieden de minderjarigen gedurende de onderhavige procedure in te
schrijven op een andere basisschool dan de [basisschool 1] te [plaats 1];
IV. de moeder te verbieden gedurende de onderhavige procedure uitvoering te geven aan
de voorgenomen schoolwissel van de minderjarigen naar [plaats 2];
V. althans een zodanige beslissing in goede justitie te nemen in het belang van de kinderen;
VI. te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
De moeder heeft in conventie tegen toewijzing van de vorderingen van de vader gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van zijn vorderingen, onder veroordeling van de proceskosten.
In reconventie
De moeder heeft op de in haar voormelde conclusie vermelde gronden in reconventie gevorderd, om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor het geval de voorzieningenrechter van mening mocht zijn dat de toestemming van de vader voor de uitschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij [basisschool 1] te [plaats 1] niet op correcte wijze is verleend, aan de moeder vervangende toestemming te verlenen tot uitschrijving van voornoemde kinderen op [basisschool 1] in [plaats 1] en te bepalen dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming(en) van de vader, de (mede-)gezaghebbend ouder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2];
II. voor het geval de voorzieningenrechter van mening mocht zijn dat de toestemming van de vader voor de inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij [basisschool 2] te [plaats 2] niet op correcte wijze is verleend, aan de moeder vervangende toestemming te verlenen tot inschrijving van voornoemde kinderen op [basisschool 2] in [plaats 2] en te bepalen dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming(en) van de vader, de (mede-)gezaghebbend ouder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2];
III. een voorlopige reguliere zorgregeling vast te stellen, zoals opgenomen in het door de moeder als productie 27 overgelegd overzicht, dan wel een voorlopige regeling vast te stellen die de voorzieningenrechter het meest passend en in het belang van de kinderen acht;
IV. de vader te gebieden om zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de schoolwissel en zodoende de kinderen in staat te stellen om onderwijs te kunnen volgen op [basisschool 2] in [plaats 2], dit op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de vader hieraan niet zijn medewerking verleent, en dit met een maximum tot € 10.000,-, dan wel een dwangsom op te leggen die de voorzieningenrechter redelijk acht;
V. te bepalen dat de vader het door hem ten behoeve van de kinderen ontvangen kindgebonden budget en de kinderbijslag vanaf januari 2025 tot de datum van dezen te wijzen beschikking dat hij niet op de kinderrekening heeft gestort alsnog binnen veertien dagen na datum beschikking dient te storten op de kinderrekening, dit op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag dat de vader hieraan niet zijn medewerking verleent, en dit met een maximum tot € 10.000,-, dan wel een dwangsom op te leggen die de voorzieningenrechter redelijk acht;
VI. te bepalen dat de vader het nog door hem ten behoeve van de kinderen te ontvangen
kindgebonden budget en de kinderbijslag, in ieder geval tot hierover duidelijkheid is in de
bodemprocedure, uiterlijk één dag na ontvangst hiervan dient te storten op de kinderrekening
dit op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag dat de vader hieraan niet zijn medewerking verleent, en dit met een maximum tot € 10.000,-, dan wel een dwangsom op te leggen die de voorzieningenrechter redelijk acht;
VII. te bepalen dat de vader, binnen zeven dagen na dezen te wijzen beschikking de moeder in kennis stelt met onderbouwing van stukken het door hem ten behoeve van de kinderen ontvangen kindgebonden budget en de kinderbijslag vanaf januari 2025 tot de datum van dezen te wijzen beschikking, dit op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag dat de vader hieraan niet zijn medewerking verleent, en dit met een maximum tot € 10.000,-, dan wel een dwangsom op te leggen die de voorzieningenrechter redelijk acht;
VIII. te bepalen dat de vader, binnen twee dagen na vaststelling van het te ontvangen kindgebonden budget en de hoogte van de kinderbijslag, in ieder geval tot hierover duidelijkheid is in de bodemprocedure, de moeder hiervan in kennis dient te stellen;
IX. de vader te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten.
De vader heeft tegen de vorderingen van de moeder in reconventie gemotiveerd verweer gevoerd en verzocht deze af te wijzen en te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, althans een beslissing te nemen die de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht.
Voorwaardelijke eisvermeerdering in conventie
De man heeft voorts een voorwaardelijke eisvermeerdering in conventie ingesteld, inhoudende dat:
VII. indien de voorzieningenrechter bepaalt dat de kinderen in [plaats 2] naar school gaan, dan verzoekt de vader de door de moeder verzochte reguliere regeling (onder punt 3) tijdelijk
vast te leggen met als enige wijziging dat de moeder de kinderen op woensdag na
schooltijd naar de vader brengt en donderdagochtend ophaalt en naar school brengt.
Op de door partijen betrokken stellingen zal de voorzieningenrechter hierna, voor zover nodig, ingaan.
4. De beoordeling
In conventie en in reconventie
Gelet op de samenhang van de over en weer ingestelde vorderingen zullen deze hierna gezamenlijk worden behandeld.
Spoedeisend belang
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over de kinderen. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke gezagsuitoefening op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. Indien sprake is van spoedeisend belang kunnen in kort geding ter zake ordemaatregelen worden gevorderd.
De vader vordert een gebod dan wel verbod in verband met een schoolwissel van de kinderen van de school in [plaats 1] naar de school in [plaats 2], tevens voorwaardelijk een gewijzigde zorgregeling vast te stellen. De moeder vordert vervangende toestemming voor die schoolwissel en medewerking van de vader daaraan, vaststelling van een (voorlopige) gewijzigde zorgregeling en nakoming door de vader van financiële afspraken tussen de ouders.
Het spoedeisend belang van de vorderingen over en weer over de schoolwissel acht de voorzieningenrechter gelegen in de aard van deze vorderingen, daarbij tevens in aanmerking genomen dat de kinderen vanaf 24 augustus 2026 een nieuw schooljaar zijn gestart en het belangrijk is dat er voor hen duidelijkheid komt over waar zij (voortaan) naar school zullen gaan. Datzelfde geldt voor de vorderingen van de ouders over wijziging van de zorgregeling, omdat deze vorderingen samenhangen met de door de moeder beoogde schoolwissel en het standpunt van de vader dat hij de huidige zorgregeling in dat geval niet meer kan nakomen. De voorzieningenrechter ziet evenwel geen spoedeisend belang in de vorderingen van de moeder over de kinderbijslag en het kindgebonden budget. Volgens de moeder verzuimt de vader al vanaf juli 2024 om de gemaakte financiële afspraken na te komen, zodat niet valt in te zien dat de moeder nu, twee jaar later, een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen daarover. Daar komt nog bij dat het gevorderde onvoldoende feitelijk is onderbouwd en dergelijke vorderingen zich ook niet lenen voor een behandeling in kort geding. Gelet hierop is de moeder niet-ontvankelijk in deze vorderingen, zodat de voorzieningenrechter hierna enkel nog de vorderingen van de vader en de vorderingen van de moeder onder I, II, III, IV, en IX inhoudelijk zal beoordelen.
School(wissel)
Voordat de voorzieningenrechter aan de belangenafweging toekomt, ziet zij aanleiding stil te staan bij hetgeen de ouders hebben verklaard over de ondertekening van de inschrijvingsformulieren in verband met de schoolwissel. De moeder heeft stellig verklaard dat de vader deze formulieren zelf heeft ondertekend. De vader heeft dit even stellig ontkend. Deze lezingen sluiten elkaar uit. Dit betekent dat één van de ouders op dit punt niet naar waarheid heeft verklaard. De voorzieningenrechter vindt dit ernstig en zorgelijk. Zij heeft dit ook tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk aan de ouders voorgehouden en de behandeling geschorst om hen in de gelegenheid te stellen zich hierover te beraden. Ook daarna zijn beide ouders onverkort bij hun tegenovergestelde verklaringen gebleven. De voorzieningenrechter kan op basis van de voorliggende stukken niet vaststellen welke ouder op dit punt niet naar waarheid heeft verklaard en zal daarover dan ook geen oordeel geven. Dat neemt niet weg dat de voorzieningenrechter het bijzonder kwalijk vindt dat de ouders in een procedure die betrekking heeft op een belangrijke beslissing over hun kinderen, over een zo concrete feitelijke kwestie verklaringen afleggen die onmogelijk beide juist kunnen zijn. Van de ouders mag worden verwacht dat zij, zeker omdat zij gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen, tegenover elkaar én tegenover de rechter naar waarheid verklaren en hun verantwoordelijkheid nemen voor de beslissingen die zij over hun kinderen nemen/hebben genomen. Het feit dat dit hier kennelijk niet gebeurt, baart de voorzieningenrechter zorgen over de wijze waarop de ouders invulling geven aan hun gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de kinderen. Voor de beslissing over de schoolkeuze is echter niet noodzakelijk dat wordt vastgesteld wie van de ouders op dit punt de waarheid spreekt. Ook wanneer de betwiste handtekening buiten beschouwing wordt gelaten, bieden de overige feiten en omstandigheden voldoende grondslag om dit geschil te beoordelen. De voorzieningenrechter zal hierna dan ook beoordelen welke beslissing over de school in het belang van de kinderen wenselijk is.
De voorzieningenrechter wijst de reconventionele vorderingen van de moeder onder
I. en II. toe, onder gelijktijdige afwijzing van de conventionele vorderingen van de vader. Dit betekent dat de kinderen worden uitgeschreven van [basisschool 1] in [plaats 1] en worden ingeschreven op [basisschool 2] in [plaats 2]. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Vast staat dat de ouders in januari 2025 een addendum op hun ouderschapsplan hebben ondertekend. Daarin hebben zij hun eerdere afspraak over de school van de kinderen gewijzigd en afgesproken dat ook [minderjarige 2] in [plaats 1] zou starten en dat beide kinderen vanaf het schooljaar 2026 naar een school in [plaats 2] zouden gaan. Die afspraak is ruim vóór de beoogde schoolwissel gemaakt.
De vader heeft gesteld dat het addendum door de moeder aan hem is voorgelegd, dat hij niet bij de totstandkoming daarvan betrokken is geweest, dat hij geen juridische kennis heeft en dat hij zich voorafgaand niet over de gevolgen van ondertekening daarvan heeft laten informeren. Dat maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet dat aan dit addendum geen betekenis toekomt. Het stond de vader vrij zich over de inhoud en de gevolgen van het addendum te laten informeren en daarover vragen te stellen of advies in te winnen, voordat hij dit ondertekende. Dat hij dit niet heeft gedaan of zich de gevolgen van de gemaakte afspraak mogelijk onvoldoende heeft gerealiseerd, komt voor zijn rekening. Daarbij komt dat het niet om een afspraak gaat die kort voor de beoogde schoolwissel of onder tijdsdruk tot stand is gekomen. De afspraak is van januari 2025, terwijl de overgang naar een school in [plaats 2] pas met ingang van het schooljaar 2026 was voorzien.
In lijn met deze afspraak zijn de kinderen in oktober 2025 bij de school in [plaats 2] aangemeld en in november 2026 heeft de moeder de school in [plaats 1] hiervan op de hoogte gesteld. Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat de vader hiervan op de hoogte was. De inschrijfformulieren zijn hem toegezonden en hij heeft de e-mail van de moeder aan de school in [plaats 1] over de overstap naar [plaats 2] in kopie ontvangen. Ook was hij betrokken bij verdere correspondentie over de overgang, waaronder het plannen van een intakegesprek en wenmomenten voor de kinderen. Ook zonder betekenis toe te kennen aan de betwiste handtekening van de vader op het inschrijfformulier van de school in [plaats 2], is van belang dat de vader gedurende de periode waarin door de moeder (en beide scholen) zichtbaar uitvoering werd gegeven aan de afspraak uit het addendum niet kenbaar heeft gemaakt dat hij daarmee niet instemde. Uit de stukken blijkt niet dat de vader de moeder heeft verzocht de voorbereidingen te staken, of dat hij zich tegenover de scholen tegen de overstap heeft verzet. Indien de vader meende dat de moeder zonder zijn instemming uitvoering gaf aan een schoolwissel waarmee hij het oneens was, had het op zijn weg gelegen dat tijdig en ondubbelzinnig kenbaar te maken.
Pas in mei 2026 heeft de vader zich (uiteindelijk) tegen de schoolwissel verzet. De vader heeft ter zitting gesteld dat hij dit eerder wel al mondeling tegen de moeder heeft gezegd, maar dit blijkt nergens uit. Daarbij is mede van belang dat uit zijn uitlatingen vanaf mei 2026 aanvankelijk ook niet naar voren komt dat hij stelt nooit met de schoolwissel te hebben ingestemd, maar veeleer dat hij op zijn eerdere beslissing terugkwam. Zo stelt de vader in zijn e-mail van 8 juni 2026 aan de nieuwe school bijvoorbeeld: “Daarnaast wil ik nogmaals aangeven dat ik niet langer achter mijn eerdere keuze sta om de kinderen van school te laten wisselen.”. Evenmin blijkt dat hij zich destijds tot de school in [plaats 2] heeft gewend met de mededeling dat hij nooit toestemming heeft gegeven voor de uitschrijving in [plaats 1] en de inschrijving in [plaats 2]. Dit verdraagt zich moeilijk met zijn standpunt dat van instemming van meet af aan geen sprake is geweest.
Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het dan ook aannemelijk dat de vader aanvankelijk heeft ingestemd met de afspraak dat de kinderen vanaf het schooljaar 2026 in [plaats 2] naar school zouden gaan, maar daarop (eerst geruime tijd) later is teruggekomen. Ook indien de handtekening van de vader op het inschrijfformulier buiten beschouwing wordt gelaten, wijzen door de hem ondertekende afspraak in het addendum, het vervolgens gedurende langere tijd uitvoering geven aan die afspraak althans het zich niet verzetten tegen uitvoering daarvan door de moeder en het uitblijven van een ondubbelzinnig en tijdig bezwaar van de vader tegen de schoolwissel in die richting. De vader komt daarmee feitelijk terug op een eerder gezamenlijk genomen beslissing.
Hoewel het een ouder op zichzelf vrijstaat om van standpunt te veranderen, betekent niet dat een eerder gezamenlijk genomen en ook in uitvoering gebrachte beslissing over de kinderen zonder meer terzijde kan worden geschoven. Daarvoor zijn voldoende zwaarwegende omstandigheden vereist die maken dat het belang van de kinderen inmiddels een andere beslissing vergt. De enkele omstandigheid dat de vader nu een andere voorkeur heeft, is daarvoor onvoldoende. De voorzieningenrechter dient uiteindelijk een beslissing te nemen die in het belang van de kinderen wenselijk is. Daarbij weegt zwaar dat zij behoefte hebben aan duidelijkheid, rust en voorspelbaarheid. De moeder heeft onbetwist gesteld dat de kinderen geruime tijd zijn meegenomen in het voornemen om hen van school te laten wisselen. Zij hebben kennisgemaakt op de nieuwe school en met hun nieuwe klas en zaten in een proces van afscheid nemen van hun oude school. De moeder heeft bovendien gesteld dat de kinderen vanaf mei 2026 (nadat zij bij de vader vernamen dat zij toch niet van school zouden wisselen) veel onzekerheid en onrust hebben ervaren en dat [minderjarige 2] in de laatste schoolweek nog heeft gehuild op school omdat zij niet meer wist waar zij na de zomervakantie naar school zou gaan. Tegen die achtergrond zou het opnieuw ter discussie stellen van de schoolkeuze de voor de kinderen noodzakelijke duidelijkheid verder doorkruisen. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen de vader heeft aangevoerd geen zwaarwegende, in het belang van de kinderen gelegen reden om af te wijken van de tussen de ouders gemaakt en vervolgens (ver) uitgevoerde afspraak. De voorzieningenrechter acht het daarom van belang dat de kinderen vanaf het schooljaar 2026 de school in [plaats 2] bezoeken. Omdat de vader zich op het standpunt stelt dat hij voor de uit- en inschrijving geen toestemming heeft verleend, zal de voorzieningenrechter hiervoor vervangende toestemming verlenen.
De vordering van de moeder onder IV. zal worden afgewezen, omdat nergens uit blijkt dat de vader geen medewerking zal verlenen aan de uitvoering van de schoolwissel zoals bij dit vonnis bepaald. Daarin betrekt de voorzieningenrechter nog dat de vader zelf ook (voorwaardelijk) een gewijzigde zorgregeling heeft verzocht, voor het geval de voorzieningenrechter zou oordelen dat de kinderen in [plaats 2] naar school moeten gaan.
De zorgregeling
De ouders zijn ter zitting tot overeenstemming gekomen over de zorgregeling. Deze overeenstemming houdt als volgt in:
week 1:
- de kinderen verblijven op maandag, dinsdag en woensdagochtend voor school bij de moeder, waarbij de moeder ze naar school brengt en haalt. De moeder brengt de kinderen op woensdagmiddag uit school naar de vader of zijn ouders, waarna zij bij de vader zullen verblijven tot maandagochtend (week 2) voor school. Op vrijdag haalt de moeder de kinderen uit school en brengt ze naar de vader;
week 2:
- de moeder haalt de kinderen op maandagochtend op bij de vader en brengt ze naar school, waarna zij tot en met woensdagochtend voor school bij de moeder verblijven, waarbij de moeder ze naar school brengt en haalt. De moeder brengt de kinderen op woensdagmiddag uit school naar de vader of zijn ouders, waarna ze tot vrijdag voor school bij de vader verblijven. De vader brengt ze die vrijdagochtend naar school, waarna de moeder de kinderen uit school ophaalt en zij vervolgens weer bij haar zullen verblijven tot de week erna woensdagochtend (week 1).
De voorzieningenrechter zal voornoemde regeling vastleggen als voorlopige regeling, nu niet gebleken is dat dit niet in het belang van de kinderen is.
Proceskosten
Op grond van artikel 237 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt de partij die in het vonnis in het ongelijk wordt gesteld in de kosten veroordeeld. De kosten mogen echter gecompenseerd worden in familierechtelijke zaken. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter momenteel onvoldoende aanleiding. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
wijst het gevorderde af;
in reconventie
verleent de moeder toestemming, die de toestemming van de van de vader vervangt,
voor de uitschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij [basisschool 1] in [plaats 1];
verleent de moeder toestemming, die de toestemming van de vader vervangt,
voor de inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij [basisschool 2] in [plaats 2];
wijzigt de zorgregeling, in die zin dat de kinderen voorlopig, totdat de ouders een andere regeling overeenkomen of daarover anders wordt beslist, bij de ouders zullen verblijven als volgt:
week 1:
- de kinderen verblijven op maandag, dinsdag en woensdagochtend voor school bij de moeder, waarbij de moeder ze naar school brengt en haalt. De moeder brengt de kinderen op woensdagmiddag uit school naar de vader of zijn ouders, waarna zij bij de vader zullen verblijven tot maandagochtend (week 2) voor school. Op vrijdag haalt de moeder de kinderen uit school en brengt ze naar de vader;
week 2:
- de moeder haalt de kinderen op maandagochtend op bij de vader en brengt ze naar school, waarna zij tot en met woensdagochtend voor school bij de moeder verblijven, waarbij de moeder ze naar school brengt en haalt. De moeder brengt de kinderen op woensdagmiddag uit school naar de vader of zijn ouders, waarna ze tot vrijdag voor school bij de vader verblijven. De vader brengt ze die vrijdagochtend naar school, waarna de moeder de kinderen uit school ophaalt en zij vervolgens weer bij haar zullen verblijven tot de week erna woensdagochtend (week 1).
verklaart de beslissing onder 5.2., 5.3.. en 5.4. uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het anders of meer gevorderde.
in conventie en in reconventie
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is mondeling gewezen en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026 door mr. Van Swaaij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 8 september 2026.