RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.213612.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 4 september 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1979,
wonende te [adres] .
De verdachte (hierna ook: [verdachte] ) wordt bijgestaan door mr. M.F.M. Geeratz, advocaat kantoorhoudende te Venlo.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 augustus 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. J.B.J.G.M. Schyns. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
Deze zaak is gelijktijdig doch niet gevoegd behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte] met het parketnummer 03.213659.25.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
op 12 juli 2025 te Tegelen samen met een ander heeft gepoogd om [slachtoffer] opzettelijk te doden door met een personenauto tegen de personenauto van [slachtoffer] aan te rijden en/of meermaals met kracht tegen diens hoofd te slaan met een paraplu en/of een knuppel, althans een lang en/of hard voorwerp (primair),
dan wel [slachtoffer] hierdoor opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (subsidiair),
dan wel heeft gepoogd hem hierdoor zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (meer subsidiair).
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, omdat beide verdachten, door meerdere keren met kracht met een paraplu en een knuppel op het hoofd van [slachtoffer] te slaan, bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zij hem zouden doden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit, omdat er allereerst geen wettig en overtuigend bewijs in het dossier zit voor de tenlastegelegde poging doodslag door met een hoge snelheid met de auto op [slachtoffer] zijn auto in te rijden. Daarnaast was er ook geen sprake van een poging doodslag of (poging tot) toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door het porren met de paraplu, aangezien deze handelingen in de regel niet kunnen leiden tot de dood of zwaar lichamelijk letsel. Er is geen voorwaardelijk opzet, nu de aanmerkelijke kans ontbreekt. Daarbij kan het letsel van [slachtoffer] niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel als wel sprake zou zijn van opzet en is onduidelijk hoe dat letsel is ontstaan.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
[slachtoffer] heeft aangifte gedaan en heeft – zakelijk weergegeven en voor zover relevant – het volgende verklaard:
Pleegdatum/tijd: tussen zaterdag 12 juli 2025 om 13:45 uur en zaterdag 12 juli 2025 om 14:51 uur
V: Vraag / opmerking verbalisant
A: Antwoord / opmerking aangever
V: Vertel eens over wat er gisteren dan allemaal gebeurde.A: Ik ben gisteren (de rechtbank begrijpt 12 juli 2025) thuis de auto in gestapt. (...) Ik rij een zilvergrijze Suzuki Swift. (...) Ik draaide toen vanaf de [straatnaam 1] te Tegelen de [straatnaam 2] op en na ongeveer 500 meter komt er mij een auto tegemoet gereden. Ik zag dat deze op mij instuurde. Deze reed frontaal tegen mij aan. Ik heb nog proberen iets uit te wijken, maar dat ging daar niet. Het is daar zeer smal. Na de frontale botsing, zag ik direct [medeverdachte] achter het stuur zitten van de andere auto en naast hem zat [verdachte] . Ik weet [verdachte] zijn achternaam niet. Ik weet wel dat hij officieel is geëmigreerd naar Spanje. (...) Ik zag na de botsing dat [medeverdachte] en [verdachte] beiden uitstapten. Ik had op dat moment al snel mijn portieren afgesloten. Ik zag hierbij dat [medeverdachte] en [verdachte] zeer opgefokt uitstapten. Ik weet dat [medeverdachte] mijn vrouw in het begin van de week een berichtje had gestuurd met daarin de tekst dat hij mij nog wel zou krijgen, maar niet bij ons thuis. Ik zag dat [medeverdachte] over zijn motorkap sprong en bij mijn portier kwam staan. Ik zag dat hij aan de deur trok. Deze ging niet open. Ik zag dat hij toen begon te slaan en schoppen tegen het portier en het raam. Dit lukte ook niet. Ik zag dat hij vervolgens op mijn motorkap klom. Ik zag dat hij begon te trappen op mijn voorraam. Deze begon direct te barsten, maar ging niet helemaal kapot. Ik zag dat [medeverdachte] naar de achterzijde van zijn auto liep. Ik zag dat hij twee voorwerpen uit de kofferbak haalde. Volgens mij waren dit een paraplu en nog een soort slagvoorwerp. Ik weet niet exact wat dit voor iets was. Dit slagvoorwerp was lang. Ik zag dat [medeverdachte] de paraplu aan [verdachte] overhandigde en dat hij zelf het andere slagvoorwerp vasthield.Ik was op dat moment zelf al verschoven naar de bijrijderskant van mijn auto ommijzelf te beschermen. Volgens mij knalden allebei de ramen er direct uit. Toen ben ik terug naar de bestuurderskant gekropen, omdat [medeverdachte] aan de bijrijderskant stond. Ik hoopte op die manier via de bestuurderskant weg te komen. Zodra ik de bestuurdersportier opende en uit wilde stappen, werd ik direct weer terug in de auto geduwd door [verdachte] . Ik zag dat [medeverdachte] op dat moment in mijn auto hing via de bijrijderskant. De deur was niet open, hij hing door het kapotte raam. Ik ben toen in elkaar gedoken om mijzelf te gaan beschermen, want ik had duidelijk een vermoeden wat mij te wachten stond. Ik voelde op dat moment een aantal zeer harde en raken klappen op mijn voorhoofd, rechts met name. Ik heb het vermoeden dat [medeverdachte] dit heeft gedaan, omdat hij aan mijn rechterzijde stond. Ik weet niet hoe vaak ik werd geslagen.(...)Ik weet niet precies hoe dit is gegaan,maar ik weet dat ik van rechts de klappen heb gehad en daar stond 100% zeker[medeverdachte] . Ik weet ook dat er twee voorwerpen gebruikt zijn, maar dat er tot op hedenmaar één voorwerp is gevonden.
[slachtoffer] heeft een aanvullende verklaring afgelegd, waarin hij – zakelijk weergegeven en voor zover relevant – het volgende heeft verklaard:
V: Specifieke vraag: Toen jullie met de auto’s in botsing kwamen, ben jij toen ook met je hoofd tegen iets aan geknald? Denk bijvoorbeeld aan de voorruit of het stuurwiel?
A: Nee, want ik had de autogordel om en die sloeg vast. Dat weet ik 100% zeker. Ik rij altijd met gordel. Ook in de vrachtwagen. Ik weet ook 100% zeker dat ik niet met mijn hoofd tegen iets aan ben gekomen. Na het ongeluk heb ik de gordel wel uitgedaan, want ik ben naar de bijrijdersstoel verplaatst.
Uit de letselrapportage Forensische Geneeskunde GGD Zuid-Limburg naar aanleiding van het letselonderzoek bij [slachtoffer] volgt – voor zover relevant – het volgende:
1. Welk uitwendig letsel heeft u waargenomen bij bovengenoemd persoon?Verslag SEH VieCuri MC: Wond rechts op het voorhoofd, zwelling voorhoofd en aangezicht rechts, schaafwond rechts anterieur (=voorzijde) over de thorax (=borstkas)
6. Overige van belang zijnde informatie (operaties, blijvend letsel, ed.)Bij beeldvormend onderzoek (CT-scan) van het aangezicht: breuk van het voorhoofdsbot rechtsvoor lopend door de voorhoofdsholte in het oogkas-dak en de -achtwand, 3 breuken in het jukbeen rechts, vocht/bloed in de kaakholte rechts en de voorhoofdholte. Wond rechts op het voorhoofd gehecht. Controle bij kaak/aangezicht chirurg over 2 dagen, hechtingen verwijderen bij huisarts over 1 week
Verbalisanten relateerden – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt:
Wij, verbalisanten, zagen dat er twee beschadigde personenauto's met de voorzijdes tegen elkaar aan stonden op de rijbaan. Wij zagen dat beide personenauto's grotendeels de doorgang blokkeerden. Wij zagen dat het leek alsof er een ongeval had plaatsgevonden tussen twee personenauto's. De locatie van dit incident bevond zich tussen de kruising [straatnaam 3] / [straatnaam 2] in de richting van de [straatnaam 1] te Tegelen. Circa 200 meter na het viaduct met de A74 in de
richting van de [straatnaam 1] te Tegelen.
Wij zagen dat er een personenauto, zijnde een Fiat Stilo, grijs van kleur, voorzien
van het Nederlandse kenteken [kenteken 1] , met de linker voorzijde tegen een tweede
personenauto aan stond. Wij zagen dat de Fiat, gezien vanaf [straatnaam 3] , met de voorzijde stond gekeerd in de richting van de [straatnaam 1] te Tegelen. Wij zagen dat de Fiat, gezien vanaf diezelfde positie, grotendeels op de linkerzijde van de
rijbaan stond, zijnde de tegengestelde weghelft. Wij zagen dat de linker voorzijde
van de Fiat beschadigd was en tegen een andere personenauto aan stond. Wij zagen dat er voor de Fiat een tweede personenauto stond. Wij zagen dat dit een Suzuki Swift betrof, grijs van kleur en voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 2] . Wij zagen dat de achterzijde van dit voertuig stond gekeerd in de richting van de [straatnaam 1] te Tegelen en de voorzijde in de richting van [straatnaam 3] te Tegelen. Dit voertuig stond op de weghelft met de rijrichting [straatnaam 3] . Dit tegengesteld ten opzichte van de Fiat. Wij zagen dat de voorruit van de Suzuki Swift in het midden zwaar was beschadigd en dat deze deels naar binnen was gedrukt in het voertuig. Wij zagen dat de ramen van beide portieren aan de voorzijde kapot waren en dat aan beide zijdes van de auto glas op het wegdek lag afkomstig van
deze ramen. Wij zagen tevens dat er glassplinters in de Suzuki lagen. Na bevraging
van de politiesystemen zagen wij dat dit voertuig op naam stond van het slachtoffer
[slachtoffer] .
Verkeerssituatie: De [straatnaam 2] te Tegelen betreft een openbare weg buiten de
bebouwde kom van de gemeente Venlo alwaar een maximumsnelheid van 60km/u van toepassing is. De weg bestaat ter plaatse uit de onverharde berm, een deels verharde berm en een rijnbaan van circa 3.5 meter breed. Ter plaatse moeten
voertuigen/personenauto's elkaar passeren door gebruikmaking van de verharde berm. Op de geasfalteerde rijbaan is geen ruimte dat 2 personenauto's elkaar kunnen passeren.
Een verbalisant heeft – zakelijk weergegeven en voor zover relevant – het volgende verklaard:
Toen ik bij het slachtoffer zat kwam er een vrouw naar mij toe zijnde de later te
noemen getuige [naam 1] . Zij verklaarde dat ze was komen aanrijden over de [straatnaam 2] en het ongeval was gepasseerd toen dit al gebeurd was. Ter hoogte van de kruising met de [straatnaam 1] zag ze het slachtoffer op de grond liggen. Hierop is ze gestopt en richting het slachtoffer gelopen.
Op het moment dat ze naar het slachtoffer liep kwam er een auto voorbij rijden.
Hierin zaten twee manspersonen. De getuige hoorde dat een van de inzittenden zei:
‘Die hoef je niet te helpen, hij heeft het verdiend’ en ‘hij heeft mijn zuster verkracht’
(of woorden van gelijke strekking, dit kon de getuige niet meer zeker zeggen).
Omdat getuige dit vreemd vond had zij een foto gemaakt van de bewuste auto. Getuige liet mij een foto op haar telefoon zien, waarop een Renault Twingo was te zien met het Nederlandse kenteken [kenteken 3] .
Getuige [naam 1] heeft – zakelijk weergegeven en voor zover relevant – het volgende verklaard:
V: ter plaatse heeft u aan mij verbalisant aangegeven dat er mogelijk nog een andere
auto bij dit voorval betrokken was. Klopt dit?
A; Klop wij zagen nog een auto bij de aanrijding staan die later in onze richting
kwam. Een andere omstander liep in de richting van deze auto en sprak de bestuurder
aan dat hij het schandalig vond dat de auto niet stopte om hulp te verlenen terwijl
er een ongeval was gebeurd.
Getuige [naam 2] heeft – zakelijk weergegeven en voor zover relevant – het volgende verklaard:
V: Toen we vorige week maandag telefonisch de afspraak hebben gemaakt voor vandaag, toen gaf je al te kennen datje zaterdag 12 juli 2025 ter plaatse bent geweest bij het incident. Vertel eens over wat er daar allemaal is gebeurd die dag.
A: Ik reed van Venlo richting Tegelen. Omdat het druk was ben ik toen via de heide gegaan. Ik zag toen een auto op een andere knallen. Toen ben ik daar langs gereden
(...)
V: Jij hebt een Renault Clio met het kenteken [kenteken 3] . Deze is gezien op de plaats van het incident. Wie zaten er op dat moment in jouw auto.
(…)
A: Ja, dat wil ik niet zeggen. Misschien vind die jongen dat niet goed. Gewoon een vriend van mij zat in die auto.
Een verbalisant heeft – zakelijk weergegeven en voor zover relevant – het volgende gerelateerd:
Telefonische contacten met het telefoonnummer [nummer 1] .
Uit de opgevraagde historische verkeersgegevens bleek mij dat er van en naar de gebruiker van het telefoonnummer [nummer 1] binnen de opgevraagde periode meerdere malen contact was geweest of gezocht met andere telefoonnummers.
Hieronder is een overzicht/schema weergegeven van de telefonische contacten van en naar het telefoonnummer [nummer 1] .
Datum
Tijd
In- of uitgaand
Bron
Naam abonnee
Contact
Naam contact
za 12-07-2025
13:41:45
IN
[nummer 1]
[medeverdachte]
[nummer 2]
[naam 2]
za 12-07-2025
13:43:13
IN
[nummer 1]
[medeverdachte]
[nummer 2]
[naam 2]
za 12-07-2025
15:30:44
IN
[nummer 1]
[medeverdachte]
[nummer 3]
[naam 3]
za 12-07-2025
16:37:46
IN
[nummer 1]
[medeverdachte]
[nummer 4]
N/B (politie)
za 12-07-2025
17:10:07
IN
[nummer 1]
[medeverdachte]
[nummer 5]
[advocaat]
za 12-07-2025
17:54: 16
IN
[nummer 1]
[medeverdachte]
[nummer 5]
[advocaat]
za 12-07-2025
21:24:30
IN
[nummer 1]
[medeverdachte]
[nummer 4]
N/B (politie)
Medeverdachte [verdachte] heeft – zakelijk weergegeven en voor zover relevant – het volgende verklaard:
“Ik ben met de paraplu aan het tikken geweest om hem op zijn plek te houden.
(…)
V: Wat heb je met de paraplu gedaan?
A: In de auto [maakt stekende bewegingen]. Ik weet niet of het met één of met twee handen was. (…) Ik noem de beweging die ik maakte 'op afstand houden’.”
De verdachte verklaarde ter terechtzitting – zakelijk weergegeven en voor zover relevant – het volgende:
“Ik liep naar de bestuurderskant van de auto van [slachtoffer] om hem tegen te houden. Ik bleef aan de bestuurderskant staan totdat we de politiesirenes hoorden.”
De bewijsoverweging
De rechtbank leidt uit voornoemde bewijsmiddelen het volgende feitencomplex af.
Op 12 juli 2025 heeft rond 13:45 uur een frontale botsing plaatsgevonden tussen de auto van [medeverdachte] en de auto van [slachtoffer] . De locatie van dit incident bevond zich tussen de kruising [straatnaam 3] en [straatnaam 2] in de richting van de [straatnaam 1] te Tegelen. Op deze weg geldt een maximum snelheid van 60 kilometer per uur. Om een tegemoetkomende auto te passeren, moet gebruik worden gemaakt van een strook in de berm. Aan de hand van het dossier kan niet worden vastgesteld hoe hard [medeverdachte] precies heeft gereden, maar gelet op de schade aan de auto’s, is het weliswaar een flinke klap geweest, maar niet met een snelheid van meer dan 60 kilometer per uur.
Na deze botsing is [medeverdachte] naar het bestuurdersportier van [slachtoffer] gegaan en heeft hij geprobeerd dit te openen. Toen dit niet lukte (omdat [slachtoffer] de portieren van zijn auto had afgesloten), sprong hij op de motorkap en trapte een grote barst/deuk in de voorruit. Daarna liep hij terug naar zijn eigen auto, pakte een paraplu en een ander slagvoorwerp uit de auto en overhandigde de paraplu aan [verdachte] . Het andere voorwerp hield [medeverdachte] zelf. Vervolgens werden de ruiten van beide voorportieren van de auto van [slachtoffer] ingeslagen. [medeverdachte] stond aan de bijrijderskant en [verdachte] aan de bestuurderskant. [slachtoffer] probeerde via de bestuurderskant de auto te verlaten, maar werd terug geduwd door [verdachte] . [slachtoffer] voelde vooral rechts op zijn voorhoofd harde klappen. Na de eerste klap begon hij meteen hevig te bloeden. Uiteindelijk zijn beide verdachten terug gegaan naar de auto van [medeverdachte] en is [slachtoffer] uitgestapt en even verderop door omstanders geholpen.
De rechtbank is bij het vaststellen van de hiervoor genoemde feiten uitgegaan van de verklaring van [slachtoffer] , ook ten aanzien van het hanteren van een tweede slagvoorwerp door [medeverdachte] , aangezien zij geen reden heeft om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van zijn verhaal en dat verhaal het beste past bij de objectieve bevindingen van het onderzoek dat door de politie is uitgevoerd. De verklaringen van de verdachten acht de rechtbank daarentegen volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Niet is betwist dat er een paraplu was, waarmee [verdachte] [slachtoffer] in zijn auto heeft gehouden. Deze paraplu is ook aangetroffen. De verdachten hebben echter verklaard dat [slachtoffer] een mes had en dat zij daarop hebben gereageerd. Dit mes is echter niet aangetroffen in de auto of bij [slachtoffer] zelf en evenmin bij nader onderzoek met inzet van een speurhond op de plaats delict. [slachtoffer] heeft, gezien zijn letsel en de korte tijdsduur tussen het verlaten van zijn auto en het moment waarop hij werd aangetroffen door omstanders, geen mogelijkheid gehad om een mes te laten verdwijnen.
Er is evenmin een honkbalknuppel of ander slagvoorwerp aangetroffen door de speurhond en [medeverdachte] en [verdachte] hadden dit ook niet bij zich toen zij werden aangehouden kort na het feit. Uit de historische verkeersgegevens van de mobiele telefoon van [medeverdachte] blijkt echter dat hij telefonisch contact heeft gehad met [naam 2] vlak voor of tijdens de aanrijding en daaropvolgende confrontatie met [slachtoffer] . Deze [naam 2] was ook aanwezig op de plaats delict kort na het incident. De verdachten hebben hierdoor gelegenheid gehad om het slagvoorwerp te laten verdwijnen.
De rechtbank heeft bij de weging van de verklaringen verder meegenomen dat het overgrote deel van het letsel van [slachtoffer] aan de rechterkant van zijn gezicht zat. [slachtoffer] heeft ook verklaard dat hij de meeste klappen vanaf de rechterkant (bijrijders/passagierskant) kreeg, terwijl beide verdachten hebben verklaard dat zij niet aan de bijrijders/passagierskant zijn geweest. Uit het dossier volgt tevens dat de ruit aan de bijrijders/passagierskant in scherven lag, waarbij er ook scherven in de auto lagen. De verdachten hebben hier geen verklaring voor gegeven en deze gebroken ruit past bij de verklaring van [slachtoffer] dat beide ruiten tegelijk kapot gingen en [medeverdachte] op dat moment met het tweede slagvoorwerp aan die kant van de auto stond. De rechtbank gaat er niet vanuit dat de ruit ook met de hand kapot kan zijn geslagen, omdat er geen letsel is aangetroffen aan de hand van [medeverdachte] dat hierop zou kunnen duiden en het een feit van algemene bekendheid is dat een autoruit niet gemakkelijk met de blote vuist kan worden ingeslagen. [medeverdachte] moet hier dus een (slag)voorwerp voor hebben gebruikt.
Daarnaast past de verklaring van [medeverdachte] over de oorzaak van de botsing, waarbij hij de andere kant op zou hebben gestuurd en pas achteraf [slachtoffer] in de auto zou hebben zien zitten, niet bij de aangetroffen positie van de auto’s op de weg, hetgeen zijn verklaring ten aanzien van wat er verder is gebeurd ook ongeloofwaardiger maakt.
De verdediging heeft nog aangevoerd dat de verwondingen van [slachtoffer] mogelijk zijn veroorzaakt door de aanrijding. Bloed- of andere sporen aan de binnenkant van het raam bij de bestuurderszijde op bijvoorbeeld het stuur ontbreken echter. Daar komt bij dat [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op het moment van de botsing een gordel droeg. Het kan dan ook niet anders dan dat het letsel van [slachtoffer] is veroorzaakt door het geweld dat op hem is toegepast door de verdachten.
De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of het door de verdachten toegepaste geweld is te kwalificeren als een poging tot doodslag. De rechtbank stelt daarbij allereerst vast dat er geen aanwijzingen bestaan dat de verdachten van meet af aan uit zijn geweest op de dood van het slachtoffer. Van vol opzet is dan ook geen sprake. Wel acht de rechtbank bewezen dat de verdachten voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer hebben gehad. Het slaan met een slagvoorwerp op het hoofd van een persoon levert naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op de dood van die persoon op. Er is ook met kracht geslagen, nu het voorhoofdsbot van het slachtoffer is gebroken. De gedragingen van de verdachten zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat zij die aanmerkelijke kans ook willens en wetens hebben aanvaard.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachten gepoogd hebben het slachtoffer van het leven te beroven (het primair tenlastegelegde). De rechtbank acht hiermee het tenlastegelegde medeplegen ook bewezen, omdat sprake is van een gezamenlijke uitvoering en beide verdachten geweld hebben toegepast, waardoor sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. [medeverdachte] heeft weliswaar de zwaarste klappen uitgedeeld, maar [verdachte] heeft gezorgd dat [slachtoffer] niet aan de bestuurderskant kon uitstappen.
Uit het dossier is overigens niet gebleken dat de aanrijding/botsing van dusdanige aard is geweest dat deze op zichzelf al een poging doodslag oplevert. De verdachten zullen hiervan derhalve partieel worden vrijgesproken.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
op 12 juli 2025 te Tegelen, gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een ander,
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om
opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, heeft geslagen met een paraplu en/of een lang en hard voorwerp, tegen het gezicht, althans het hoofd, in ieder geval het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Een noodweersituatie?
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich in een noodweersituatie bevond, nu [slachtoffer] een mes zou hebben vastgehad. De rechtbank is gelet op de feitelijke gang van zaken zoals hierboven omschreven van oordeel dat er geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval waarop de verdachte zich had mogen verdedigen. Het is niet aannemelijk geworden dat er een noodweersituatie was voor de verdachte. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.
Het bewezenverklaarde
Dit levert het volgende strafbare feit op:
medeplegen van poging tot doodslag.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van het voorarrest niet overschrijdt, eventueel in combinatie met een taakstraf, het meest passend is. Een eventuele taakstraf kan ook in Spanje ten uitvoer worden gelegd. De verdachte heeft verder geen relevant strafblad.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich op 12 juli 2025 samen met zijn vriend (medeverdachte [medeverdachte] ) schuldig gemaakt aan een poging doodslag. Het slachtoffer is door de verdachten meerdere keren tegen zijn hoofd geslagen met een paraplu en een ander lang en hard voorwerp.
De aanleiding voor dit strafbare feit lijkt het vermeende seksuele misbruik van de partner van de verdachte ( [naam 4] ) door [slachtoffer] te zijn geweest, dan wel de affaire die [naam 4] met [slachtoffer] had en/of de achtervolging door [slachtoffer] van een vriendin van verdachten. De verdachten hebben voor eigen rechter gespeeld.
Het slachtoffer heeft door bovenstaande geweldshandelingen van de verdachten ernstig hoofdletsel opgelopen waaronder een breuk van het voorhoofdsbot lopend door de voorhoofdsholte in het oogkas-dak en de -achterwand, drie verschillende breuken in het jukbeen, vocht dan wel bloed in de kaakholte en een wond die gehecht moest worden op het voorhoofd. De verdachten hebben hiermee op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De toelichting bij de verzochte schadevergoeding spreekt in dit verband ook boekdelen. Hieruit blijkt immers onder meer dat het slachtoffer PTSS-klachten heeft opgelopen en zodoende nog steeds dagelijks wordt geconfronteerd met de gevolgen van het voorval. Voorts heeft de verdachte door zo te handelen bijgedragen aan in de samenleving heersende gevoelens van angst en onveiligheid, temeer nu de feiten zijn gepleegd op klaarlichte dag op de openbare weg.
De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie, gelet op de ernst van de feiten, in haar eis de enig passende strafmodaliteit heeft gekozen, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank heeft bij de vaststelling van de duur van de straf laten meewegen dat de verdachte niet degene was die de auto bestuurde en dat zijn aandeel in de geweldshandelingen geringer is geweest dan het aandeel van zijn vriend [medeverdachte] . Blijkens zijn strafblad is de verdachte niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. De veroordeling voor een mishandeling van meer dan 20 jaar geleden betrekt de rechtbank niet bij haar oordeel over de strafoplegging.
De verdere persoonlijke omstandigheden van de verdachte blijken uit de voortgangsrapportage van Psychotherapie [naam 5] van 6 augustus 2026, waarin onder meer staat beschreven dat de verdachte een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis heeft, met daarnaast kenmerken van een borderline persoonlijkheidsstoornis en antisociale persoonlijkheidstrekken. Gezien de ernst en het chronische karakter van de persoonlijkheidsproblematiek blijft de kwetsbaarheid van de verdachte aanwezig. De therapie zal derhalve worden voortgezet.
De rechtbank zal een gevangenisstraf van kortere duur opleggen dan door de officier van justitie is gerekwireerd, omdat zij de gevorderde straf gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en vergelijkbare zaken te hoog vindt. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest met daarnaast een taakstraf, zoals door de raadsman is bepleit, doet aan de andere kant onvoldoende recht aan de ernst van het feit.
Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden om de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 24 maanden. De tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, zal hierop in mindering worden gebracht.
De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. Daartoe heeft de officier van justitie verwezen naar haar strafeis. De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat er, nu de verdachte zich aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden, geen argumenten zijn om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen in afwachting van een eventueel hoger beroep. De Hoge Raad heeft immers geoordeeld dat het enkele feit dat een verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die langer duurt dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis, onvoldoende grond is om een bestaande schorsing direct op te heffen en de rechter moet altijd een zorgvuldige afweging maken tussen het belang van de strafvordering en het belang van de verdachte (Hoge Raad 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987). Het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis blijft dan ook van kracht.
7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert hoofdelijke schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 42.588,34. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
ziekenhuisdaggeldvergoeding: € 76,-
reis- en parkeerkosten: € 28,49
medische kosten en behandelingskosten: € 903,85
kosten opvragen medische informatie fysiotherapeut: € 80,-
immateriële schade: € 41.500,-
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering tot schadevergoeding, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij een veroordeling met een straf tot gevolg, het gevorderde bedrag aan immateriële schade dient te worden gematigd. Uit het dossier en de toelichting bij de vordering volgt niet duidelijk dat er sprake is van blijvend letsel in het gezicht. Verder past de hoogte van het gevorderde bedrag voor het geestelijk letsel niet bij de huidige medische situatie van [slachtoffer] , nu uit de aanvullende medische informatie volgt dat de traumabehandeling succesvol is verlopen en dat de PTSS-klachten ten tijde van de afsluiting van de behandeling in remissie waren. De benadeelde partij heeft hiermee onvoldoende onderbouwd dat het geestelijk letsel in de categorie ‘ernstig’ van de Rotterdamse Schaal valt. Daarnaast is er aan de kant van de benadeelde sprake van een zekere mate van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek, zodat een deel van de schade op grond hiervan voor rekening van de benadeelde dient te komen en te blijven. [slachtoffer] heeft immers zelf de confrontatie opgezocht door met een mes in de auto te stappen (culpa in causa).
Wat betreft de materiële schade heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De materiële schade
De materiële schade (post a t/m d) is voldoende geconcretiseerd en onderbouwd, bovendien niet betwist, waardoor deze schade voor toewijzing in aanmerking komt, nu mede gelet op gelet op artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek ook voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd.
De immateriële schade
De immateriële schade (post e) komt eveneens voor vergoeding in aanmerking, aangezien de benadeelde ander nadeel heeft ondergaan dan vermogensschade, namelijk lichamelijk- en psychisch letsel (artikel 6:106, lid 1, sub b, van het Burgerlijk Wetboek). Er is evident sprake van lichamelijk letsel en een aantasting in de persoon. De hoogte van het gevorderde bedrag komt de rechtbank echter niet redelijk voor, gelet op de bedragen die in soortgelijke gevallen zijn toegewezen.
De rechtbank acht de immateriële schade gelet op de gegeven onderbouwing toewijsbaar tot een bedrag van € 10.000,-. Nu de rechtbank niet uitgaat van de lezing van de verdediging, waarin [slachtoffer] een mes bij zich zou hebben gehad, is geen sprake van een vermindering van dit bedrag vanwege eigen schuld.
De rechtbank zal het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren omdat het meerdere onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De totale schade
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij dientengevolge toewijzen tot een totaal bedrag van € 11.088,34, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2025 tot de volledige voldoening. De verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. De rechtbank stelt voorts vast dat de verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat de verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald, en andersom.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Straf
Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mestrom, voorzitter, mr. L. Bastiaans en mr. A.K. Kleine, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.M.A. Curfs, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 september 2026.
Buiten staat
Mr. L. Bastiaans en mr. A.K. Kleine zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 12 juli 2025 te Tegelen, gemeente Venlo
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer]
van het leven te beroven,
- met een personenauto op (hoge) snelheid tegen de personenauto van die [slachtoffer] is aangereden en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, heeft geslagen met een paraplu en/of een knuppel, althans een lang en/of hard voorwerp, tegen het gezicht, althans het hoofd, in ieder geval het lichaam,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 juli 2025 te Tegelen, gemeente Venlo
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door
- met een personenauto op (hoge) snelheid tegen de personenauto van die [slachtoffer]
aan te rijden en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, te slaan met een paraplu en/of
een knuppel, althans een lang en/of hard voorwerp, tegen het gezicht, althans het
hoofd, in ieder geval het lichaam;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 juli 2025 te Tegelen, gemeente Venlo
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- met een personenauto op (hoge) snelheid tegen de personenauto van die [slachtoffer]
is aangereden en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, heeft geslagen met een
paraplu en/of een knuppel, althans een lang en/of hard voorwerp, tegen het
gezicht, althans het hoofd, in ieder geval het lichaam,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.