RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/2344
(gemachtigde: mr. D.F. Lansbergen),
en
(gemachtigde: mr. E. Barendsen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. R. Sharaf).
Procesverloop
1. Op 24 januari 2025 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen en gebruiken van vier picknicktafels op het adres [adres 1] te [woonplaats] (de locatie). Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 25 augustus 2025 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college, [naam] namens vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiser woont aan de [adres 2] en is mede-eigenaar van de [adres 3] in [woonplaats] . Tegenover de percelen van eiser ligt het perceel van vergunninghouder. Vergunninghouder exploiteert hier het bedrijf ‘ [naam bedrijf] ’. Eiser ervaart overlast van dit bedrijf, omdat vergunninghouder naast het exploiteren van de slagerij ook een uitgiftepunt (hierna: de foodcorner) heeft gerealiseerd voor het verstrekken van etenswaren. Volgens eiser vond de uitgifte van etenswaren zonder omgevingsvergunning of horecavergunning plaats. Eiser heeft daarom om handhaving verzocht bij het college, hetgeen heeft geleid tot de uitspraak van deze rechtbank van 4 november 2025.
5. Vergunninghouder heeft op 4 december 2024 een omgevingsvergunningaanvraag ingediend voor het “toevoegen kleinschalige Horeca functie”, met als nadere omschrijving “het mogelijk maken om producten op locatie te consumeren”. Bij besluit van 24 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van de regels van het omgevingsplan “Eijsden-Margraten”.
6. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In bezwaar heeft geen hoorzitting plaatsgevonden. De Intergemeentelijke Adviescommissie Bezwaarschriften (bezwaarschriftencommissie) heeft het college op 1 juli 2025 geadviseerd om het primaire besluit aan te passen, in zoverre dat in de voorschriften bij de verleende vergunning niet langer over de “bouwlocatie” wordt gesproken, maar enkel over de “locatie”. Voor het overige heeft de bezwaarschriftencommissie geadviseerd het primaire besluit in stand te laten.
7. Het college heeft het advies van de bezwaarschriftencommissie overgenomen en heeft met het bestreden besluit van 25 augustus 2025 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Toetsingskader
8. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
9. Tussen partijen is niet in geschil dat de aangevraagde activiteit in strijd is met het omgevingsplan. In het bijzonder is sprake van strijd met artikel 5.5.3, onder m, van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Aan de Fremme” (het bestemmingsplan) dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Eijsden-Margraten. In dat artikel is bepaald dat het verboden is om opstallen te gebruiken voor horeca, behalve ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – traiteur’. Deze aanduiding is op de locatie niet aanwezig.
10. Het college heeft ervoor gekozen om de afwijking van het omgevingsplan toe te staan door middel van het verlenen van een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa). Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt een omgevingsvergunning voor een bopa alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
11. Een bestuursorgaan komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht, of het voldoende is gemotiveerd en of de nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Gronden van beroep
Wat is er vergund?
12. Partijen zijn het oneens over de omvang van de verleende vergunning. Volgens eiser heeft het college de aanvraag van vergunninghouder ten onrechte gebruikt om de foodcorner te legaliseren. Het college is van mening dat de aanvraag van vergunninghouder tweeledig is: het plaatsen van picknicktafels en het toevoegen van de functie ‘kleinschalige horeca’ aan de locatie, zodat ter plaatse etenswaren mogen worden genuttigd. De foodcorner zelf valt volgens het college buiten de vergunning. Volgens het college is de foodcorner een vorm van ‘detailhandel’, omdat het enkel het bereiden en verstrekken van etenswaren die als zodanig in de slagerij te koop zijn betreft. ‘Detailhandel’ is op grond van artikel 5.1 onder d van het bestemmingsplan op de locatie toegestaan.
13. Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat het bereiden en verstrekken van etenswaren (anders dan voor gebruik ter plaatse) valt onder ‘detailhandel’ en daarom niet in strijd is met het bestemmingsplan. Zoals ter zitting met partijen is besproken, ziet de verleende vergunning daarom niet zozeer op het uitgiftepunt waar etenswaren worden verstrekt, omdat dit op zichzelf niet in strijd met het bestemmingsplan is, maar op de locatie waar de (bij het uitgiftepunt of bij de slagerij gekochte en verstrekte) etenswaren worden genuttigd, ter plaatse van de daarvoor aangewezen picknicktafels. Van belang is daarbij dat geen sprake is van bediening ter plaatse. De vergunning maakt enkel mogelijk dat klanten de door hen zelf gekochte/afgehaalde etenswaren ter plaatse kunnen nuttigen, onafhankelijk van de locatie waar zij de etenswaren hebben gekocht (foodcorner of slagerij).
14. Gelet ook op de tekst van de vergunning, stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit beperkt is tot het plaatsen van vier picknicktafels en het aldaar nuttigen van etenswaren. Het verstrekken van de etenswaren aan klanten ter plaatse van de foodcorner c.q. het uitgifteloket valt buiten de vergunning en daarmee buiten de omvang van onderhavig geding.
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
15. Volgens eiser heeft het college onvoldoende rekening gehouden met de verkeersbewegingen van de klanten die gebruik zullen maken van de picknicktafels. Dit leidt volgens eiser tot geluids- en parkeeroverlast. Naast de verkeersbewegingen stelt eiser dat deze klanten vanwege hun stemgeluid geluidsoverlast zullen veroorzaken en dat het college hiermee onvoldoende rekening heeft gehouden. Daarom is eiser van mening dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Aantal personen
16. Partijen verschillen van mening over het aantal personen dat gebruik kan maken van de faciliteiten om ter plaatse etenswaren te nuttigen. Dat aantal personen is van belang voor beoordeling van de diverse onder 15 genoemde aspecten. Gelet op de verleende vergunning gaat de rechtbank niet uit van staplaatsen, maar enkel van de vergunde zitplaatsen. Ter zitting is gebleken dat de vier vergunde picknicktafels elk beschikken over vier afzonderlijke zitplaatsen per tafel. Hoewel het vanwege de breedte van de afzonderlijke zitplaatsen niet is uitgesloten dat twee mensen plaatsnemen op dezelfde plek, is de rechtbank van oordeel dat er redelijkerwijs vanuit mag worden gegaan dat er maximaal vier mensen aan een picknicktafel zitten. De rechtbank acht daarom reëel om als uitgangspunt te nemen dat maximaal zestien personen tegelijkertijd gebruik maken van de picknicktafels, al zal dit aantal incidenteel een keer hoger kunnen zijn.
Verkeersbewegingen
17. Eiser stelt dat het toestaan van het nuttigen van etenswaren ter plaatse zal zorgen voor een verkeersaantrekkende werking, waardoor hij meer overlast zal ervaren van voertuigen die van en naar de locatie bewegen. Volgens het college is een eventuele toename van verkeersbewegingen ondergeschikt aan de overlast die van de [straatnaam] - gelegen tussen de locatie en de woning van eiser - afkomstig is.
18. De rechtbank overweegt dat ervan mag worden uitgegaan dat de maximaal zestien personen niet allemaal individueel per auto naar de locatie zullen reizen. Er zullen immers mensen samen met een auto komen en mensen te voet of met de fiets komen. Ook zullen zij niet allemaal enkel voor het nuttigen van etenswaren komen, maar bijvoorbeeld ook om aankopen te doen in de slagerij. In zoverre bestaat er dus overlap tussen de zestien personen die gebruik maken van de picknicktafels en de klanten van de slagerij, die past binnen het bestemmingsplan.
19. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de verleende vergunning niet zal leiden tot onevenredige verkeersoverlast, onder andere vanwege de beperkte toename van personen als gevolg van het kunnen nuttigen van etenswaren ter plaatse. Daarbij neemt de rechtbank mede in overweging de capaciteit van de [straatnaam] die tussen de locatie en de percelen van eiser loopt. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser onevenredig nadeel ondervindt als gevolg van een toename van de verkeersbewegingen.
Parkeeroverlast
20. Naast het voorgaande stelt eiser dat hij overlast zal ervaren van het parkeergedrag van de bezoekers van de slagerij. Hij stelt dat vooral de grotere voertuigen, zoals vrachtwagens, voor zijn woning parkeren in plaats van op het terrein van de slagerij.
21. Ter zitting is gebleken dat de slagerij over ruim voldoende parkeerplaatsen beschikt op eigen terrein. Eiser heeft dit ter zitting ook erkend. In zoverre draagt de verleende vergunning niet bij aan de door eiser gestelde parkeeroverlast door personenauto’s.
22. Voor zover eiser heeft gesteld dat grote voertuigen (fout) worden geparkeerd voor de uitrit van zijn woning, grenzend aan de [straatnaam] , als gevolg van de vergunning, oordeelt de rechtbank als volgt. Gelet op de situatie ter plaatse, zoals op zitting besproken aan de hand van een luchtfoto, acht de rechtbank niet zonder meer aannemelijk dat grote voertuigen voor de woning van eiser zullen worden geparkeerd in plaats van op het eigen terrein van de slagerij. Voor zover dit al zou gebeuren, zou daarbij bovendien sprake zijn van parkeren op een manier die niet is toegestaan, zodat daartegen handhavend opgetreden kan worden. Vergunninghouder is bereid om personen die foutparkeren hierop aan te spreken. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het college in de gestelde parkeeroverlast geen aanleiding heeft hoeven zien de vergunning te weigeren.
Stemgeluid
23. Tot slot stelt eiser dat het toestaan van het nuttigen van etenswaren ter plaatse een toename in stemgeluid veroorzaakt, omdat klanten met elkaar praten, lachen en op andere wijze hun stem verheffen. Hij stelt daarvan overlast te ervaren. Het college is van mening dat dit stemgeluid opgaat in het geluid van de [straatnaam] , waardoor eiser door een eventuele toename in het stemgeluid niet onevenredig wordt benadeeld. Vergunninghouder beroept zich op een bericht van Sweco van 26 juni 2026 waaruit blijkt dat het stemgeluid, gelet op het heersende geluid van het wegverkeer van de [straatnaam] , niet relevant is en akoestisch niet herkenbaar is voor eiser. Eiser heeft ter zitting verzocht om een nadere termijn voor het eventueel laten uitvoeren van een contra-expertise naar aanleiding van het bericht van Sweco.
24. Zoals hiervoor overwogen acht de rechtbank de toename van het aantal klanten beperkt, uitgaande van een reëel maximum van zestien personen (en slechts incidenteel misschien meer). De rechtbank is van oordeel dat het college mocht aannemen dat een eventuele toename van het stemgeluid van deze personen eiser niet onevenredig in zijn belangen schaadt, mede gelet op de afstand tussen de locatie en de woning van eiser en de [straatnaam] die daartussen is gelegen, hetgeen wordt bevestigd door het bericht van Sweco. Nu de rechtbank reeds zonder dat onderzoek voldoende aannemelijk acht dat het extra stemgeluid niet zodanig kan zijn dat eiser hiervan onevenredig nadeel zal ondervinden, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser in de gelegenheid te stellen een contra-expertise te laten uitvoeren.
Conclusie en gevolgen
25. Gelet op het voorgaande heeft het college de omgevingsvergunning mogen verlenen en die met het bestreden besluit in stand mogen laten. De rechtbank verklaart het beroep van eiser daarom ongegrond. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 7 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 7 september 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.