ECLI:NL:RBLIM:2026:9480

ECLI:NL:RBLIM:2026:9480

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 04-09-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer ROE 25/821
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Weigering bij het bestreden besluit van de door eisers aangevraagde omgevingsvergunning (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo) voor legalisering van vakantiewoningen. Ambtshalve toets van de rechtbank over de bevoegdheid van verweerder in verband met de gevolgde uniforme voorbereidingsprocedure. Er is komen vast te staan dat verweerder bevoegd was te beslissen ondanks dat de verkeerde voorbereidingsprocedure is gevolgd. Geen reden om dat mee te nemen bij de beoordeling van het bestreden besluit maar wel om de daardoor volgens eiser geleden schade aan te merken als een schadeverzoek op grond van artikel 8:88 van de Awb. De beroepsgronden tegen het bestreden besluit over onvoldoende zorgvuldigheid en motivering slagen niet. Verweerder mocht het bestreden besluit dus nemen. In dat licht wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen

[eisers] , uit [woonplaats] , eisers

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gulpen-Wittem

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 25 / 821

(gemachtigde: mr. S.J.H.G.M. Schils),

en

(gemachtigden: mr. E.M.G. Haagmans en I. Schnock).

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2025 (bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning voor het legaliseren van vijf vakantiewoningen op de locatie [adres 1] en [adres 2] in [woonplaats] geweigerd.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eisers hebben op 2 februari 2026 nadere stukken ingediend en hebben op 13 februari 2026 een nadere reactie gegeven op het verweerschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting aangehouden in afwachting van schriftelijke beantwoording van vragen over de grondslag voor toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (hierna: uov) dan wel de reguliere voorbereidingsprocedure en de consequenties daarvan voor het bestreden besluit, in die zin dat komt vast te staan of een vergunning van rechtswege aan de orde is.

Verweerder heeft op 10 maart 2026 een schriftelijke reactie ingediend. Eisers hebben daarop op 27 maart 2026 schriftelijk gereageerd.

Op 1 april 2026 heeft verweerder een nadere reactie ingediend.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 12 juni 2026.

Overwegingen

Inleiding

Wat ging aan deze zaak vooraf?

1. Op 27 juni 2019 en op 28 april 2020 zijn tussen eisers en de gemeente Gulpen-Wittem bruikleenovereenkomsten gesloten voor het gebruik van gemeentegrond als tuin bij de woningen aan de [adres 1] en [adres 2] . Op het adres [adres 2] zijn twee vakantiewoningen gerealiseerd en op het adres [adres 1] zijn drie vakantiewoningen gerealiseerd. Eisers zijn eigenaren van de percelen en wonen zelf in de bedrijfswoning op het adres [adres 1] . Eisers bieden de vijf vakantiewoningen aan ten behoeve van recreatief gebruik. Ter voorbereiding van de bruikleenovereenkomsten hebben meerdere locatiebezoeken plaatsgevonden waarbij eisers niet zijn gewezen op de strijdigheid van de op dat moment al bestaande vakantiewoningen met het bestemmingsplan. Eind 2021 hebben eisers vervolgens werkzaamheden uitgevoerd bij de vakantiewoningen, waarna op 9 december 2021 tijdens een uitgevoerde controle verschillende overtredingen zijn geconstateerd door verweerder.

Tijdens een bespreking op 11 mei 2023 heeft verweerder aan eisers medegedeeld dat de vakantiewoningen in strijd zijn met het bestemmingsplan en niet kunnen worden gelegaliseerd. Tijdens een daarop volgende controle op 27 juni 2023 heeft verweerder geconstateerd dat de vijf vakantiewoningen op de locatie [adres 1] en [adres 2] in [woonplaats] in strijd zijn met het bestemmingsplan. Op grond van het bestemmingsplan ‘Kern Wijlre’ ligt op het perceel [adres 1] de bestemming ‘Bedrijventerrein’ en op het perceel [adres 2] de bestemming ‘Wonen – 1’. Verweerder heeft eisers in verband met (onder meer) overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 29 juni 2023 een brief gestuurd waarin zij op de hoogte zijn gesteld van de geconstateerde overtreding en waarin verweerder heeft aangegeven geen medewerking te willen verlenen aan de legalisatie van de vakantiewoningen.

Bij brief van 6 september 2023 heeft verweerder aan eisers een gedoogverklaring afgegeven waarmee hij heeft afgezien van handhavend optreden tot 1 januari 2029 onder de volgende voorwaarden:

- Eisers dragen er zorg voor dat geen overlast door of vanuit de vakantiewoningen wordt

veroorzaakt;

Eisers zorgen ervoor dat de brandveiligheid in de panden blijft gegarandeerd;

Eisers dienen conform het advies van de brandweer een rookmelder in de opslagruimte te

plaatsen die is gekoppeld aan de rookmelders in de naastgelegen vakantiewoningen en

voldoet aan de eisen als bedoeld in NEN 2555;

- Eisers dienen de overtredingen na 31 december 2028 te beëindigen en beëindigd te

houden;

Totstandkoming bestreden besluit

2. Op 28 december 2023 hebben eisers de onderhavige aanvraag ingediend bij verweerder voor het legaliseren van vijf vakantiewoningen aan het adres [adres 1] en [adres 2] in [woonplaats] (hierna ook: het plan). Het gebruik van de gronden voor het aanbieden van de vakantiewoningen ten behoeve van recreatief gebruik is in strijd met het bestemmingsplan ‘Kern Wijlre’ (hierna: het bestemmingsplan). Eisers hebben daarom bij verweerder een omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.

Op 14 november 2024 heeft verweerder een ontwerpbesluit tot weigering genomen op de voormelde aanvraag van eisers. Verweerder heeft daarbij het voornemen aan hen kenbaar gemaakt om de omgevingsvergunning te weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daarin heeft hij ook aan hen kenbaar gemaakt dat de voorgenomen weigering niet afdoet aan de gedoogverklaring van 6 september 2023. Het ontwerpbesluit tot weigering heeft vervolgens van 22 november 2024 gedurende zes werken ter inzage gelegen. Eisers hebben op 30 december 2024 hun zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpbesluit ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder geweigerd de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Verweerder heeft aan dat besluit ten grondslag gelegd dat het plan om de vakantiewoningen te legaliseren naar aard niet passend is binnen de bestemming en in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft daarbij onder meer van belang geacht dat het plan niet past binnen de beleidskaders die verweerder hanteert, waaronder de intergemeentelijke structuurvisie, de toeristische nota en bestemmingsplannen, en met name de bedrijvenzone waarin het bestemmingsplan ter plaatse voorziet.

Standpunt eisers

3. Eisers stellen zich in beroep tegen het bestreden besluit middels een daartoe overgelegd rapport op het standpunt dat verweerder de cultuurhistorische waarden van de locatie onvoldoende in de besluitvorming heeft betrokken. Daarnaast kunnen zij zich niet vinden in de toetsing van het plan door verweerder aan de ‘Intergemeentelijke structuurvisie Gulpen-Wittem, Vaals en Valkenburg aan de Geul’ vastgesteld op 5 april 2012 (hierna: de structuurvisie). Eisers stellen dat het plan past binnen de kaders van de structuurvisie. Eisers vinden mede daarom dat verweerder het plan ten onrechte in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft geacht. Zij voeren aan dat het bestreden besluit een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek heeft. Verder hebben eisers in beroep gesteld dat ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen is afgegeven en verweerder ten onrechte stelt dat de maatvoering van de parkeervakken ontbreekt op de ingediende tekening. Deze twee beroepsgronden hebben eisers in de nadere reactie van13 februari 2026 ingetrokken. Daar gaat de rechtbank aan voorbij.

Omvang geschil

4. Tussen partijen is niet in geschil dat het plan in strijd is met het bestemmingsplan (zie ook onder 1.1.) Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder voldoende gemotiveerd en zorgvuldig heeft geweigerd om af te wijken van het bestemmingsplan.

Toetsingskader

5. De rechtbank stelt voorop dat op 1 januari 2024 de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking zijn getreden en de Wabo is ingetrokken. De aanvraag is ingediend voor 1 januari 2024. Gelet op artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet moet het geschil worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht. Dat is de Wabo.

In artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Voor de relevante planregels verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid en aanhef, onder a, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (de zogenaamde kruimelgevallen), of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van de gebruiksregels behorend bij de bestemmingen ‘Bedrijventerrein’ en ‘Wonen-1’ is in dit geval geen sprake, zodat een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik alleen kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef onder a, sub 2° of sub 3°.

De beslissing om al dan niet omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo behoort tot de bevoegdheden van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter terughoudend moet toetsen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen belangen.

Beoordeling

Procedureel

6. De rechtbank beantwoordt allereerst, zoals ter zitting aan de orde is gesteld, ambtshalve de vraag of verweerder bevoegd was met het bestreden besluit, dat tot stand is gekomen met de uov, te beslissen op de aanvraag van eisers. In het geval de reguliere procedure van toepassing zou zijn geweest, zou door niet tijdig te beslissen op de aanvraag een vergunning van rechtswege kunnen zijn ontstaan. In dat geval zou verweerder niet meer bevoegd zijn op de aanvraag te beslissen.

Naar aanleiding van de behandeling ter zitting en de daarop volgende schriftelijke beantwoording van de vragen van de rechtbank heeft verweerder in het schrijven van

10 maart 2026 geconcludeerd dat ten onrechte de uov is toegepast. In dit geval is volgens verweerder de voor de reguliere voorbereidingsprocedure geldende beslistermijn echter niet vóór 1 januari 2024 bereikt. De aanvraag dateert immers van 28 december 2023. Nu met de invoering van de Omgevingswet de mogelijkheid tot een vergunning van rechtswege per

1 januari 2024 direct is komen te vervallen (zonder overgangsrecht) en de beslistermijn voor de reguliere voorbereidingsprocedure in dit geval na die datum zou zijn bereikt, kan volgens verweerder geen vergunning van rechtswege zijn ontstaan. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt en is daarom van oordeel dat verweerder in dat licht bevoegd was op de aanvraag van eisers te beslissen.

Omdat uit het voorgaande volgt dat in dit geval geen sprake kan zijn van een van rechtswege verleende vergunning, ziet de rechtbank geen aanleiding om ten aanzien van het bestreden besluit een oordeel te geven over de vraag of verweerder al dan niet terecht de uov heeft toegepast. De rechtbank zou dan buiten de omvang van het geding treden omdat daartegen geen beroepsgronden zijn ingebracht. De enkele omstandigheid dat tussen partijen na afloop van de zitting en in het licht van de ambtshalve toets over de bevoegdheid van verweerder in verband met de eventueel van rechtswege verleende vergunning discussie is ontstaan over te vergoeden kosten vanwege de gevolgde procedure, acht de rechtbank onvoldoende om aan te merken als een beroepsgrond tegen de weigering van de omgevingsvergunning. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat is gebleken dat in dit geval geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist is.

De rechtbank merkt het standpunt van eisers over de vergoeding van de kosten voor de toegepaste uov wel aan als een (zelfstandig) verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb en beoordeelt dat onder 11 en 11. Nu de ambtshalve toets beperkt is tot de bevoegdheid van verweerder om te beslissen op de aanvraag van eisers en de rechtbank concludeert dat verweerder daartoe bevoegd was, komt de rechtbank vervolgens toe aan bespreking van de door eisers aangevoerde beroepsgronden tegen het bestreden besluit.

Cultuurhistorische waarden

7. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder de cultuurhistorische waarden onvoldoende in de besluitvorming heeft betrokken. Verweerder stelt volgens eisers ten onrechte dat de panden aan de [adres 1] en [adres 2] niet zijn aangewezen als karakteristiek en/of monumentaal en dat geen sprake is van cultuurhistorische waarden. Volgens eisers hebben de panden wel een cultuurhistorische waarde, mede vanwege het feit dat de vakantiewoningen zijn gesitueerd in bestaande bebouwing van de voormalige fruitveiling langs de Miljoenenlijn. Volgens eisers is daarmee sprake van beeldbepalende bebouwing, waarbij historie en binding met de regio en de kern Wijlre behoudenswaardig zijn. Eisers verwijzen in dit verband ook naar een bij het beroepschrift overgelegd rapport van cultuurhistoricus [naam 1] van april 2025. Op 2 februari 2026 hebben eisers een aanvullend rapport ingediend, opgesteld door [naam 2] , waarin wordt gewezen op de cultuurhistorische waarde van de locatie vanwege de historische functie als voormalige fruitveiling tot 1957.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in dit geval geen sprake is van aangewezen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en dat de locatie evenmin als karakteristiek en/of monumentaal is aangewezen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat dit standpunt van verweerder onjuist zou zijn. De stelling van eisers en de overgelegde rapporten waaruit volgens eisers blijkt dat de panden beeldbepalend zijn en een (cultuur)historische waarde vertegenwoordigen, maakt niet dat de panden daarmee als cultuurhistorisch of karakteristiek en/of monumentaal in de zin van het bestemmingsplan zijn aangewezen.

De rechtbank stelt vast dat op grond van het bestemmingsplan aan de betreffende gronden niet de dubbelbestemming ‘Waarde-Cultuurhistorie’ is toegekend en ook niet de bestemming ‘Wonen – 2’ geldt. Ook hebben eisers geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit zou volgen dat het standpunt van verweerder onjuist zou zijn en de panden op grond van het beleid van verweerder wel als karakteristiek en/of monumentaal zouden zijn aangewezen. Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit (voldoende) gemotiveerd op het standpunt gesteld dat van een aanwijzing als karakteristiek en/of monumentaal pand geen sprake is en dat in die zin ook geen sprake is van aangewezen cultuurhistorische waarde(n) in de zin van het bestemmingsplan. Verweerder heeft daarover zowel in het verweer als ter zitting toegelicht dat uit onderzoek van na het bestreden besluit weliswaar is gebleken dat het bedrijvencomplex van cultuurhistorische waarde is, maar dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan om het bedrijvencomplex als karakteristiek aan te wijzen. Omdat de locatie daarentegen wel cultuurhistorisch waardevol is, is het bedrijvencomplex op een lijst gezet met een positieve cultuurhistorische waarde. Verweerder heeft er daarbij onweersproken op gewezen dat de aanduiding ‘karakteristiek’ wordt toegekend middels de lijst bij het bestemmingsplan en dat deze locatie niet op de lijst staat. Daardoor is volgens verweerder ook geen sprake van een cultuurhistorische waarde in de zin van het bestemmingsplan.

De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het standpunt van verweerder over de cultuurhistorische waarden onjuist zou zijn of dat verweerder de cultuurhistorische waarden onvoldoende in de besluitvorming heeft betrokken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder, anders dan eisers stellen, bij het bestreden besluit wel is uitgegaan van een positieve cultuurhistorische waarde, maar dat verweerder kenbaar heeft gemotiveerd waarom die cultuurhistorische waarde in dit geval niet maakt dat daarmee ook sprake is van aangewezen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in de zin van het bestemmingsplan en de aanduiding ‘karakteristiek’. Het niet hebben van de aanduiding ‘karakteristiek’ duidt er, zoals door verweerder toegelicht, immers op dat ook geen sprake is van de vereiste mate van cultuurhistorische waarde om de bebouwing als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aan te merken in de zin van het bestemmingsplan. De rechtbank ziet geen reden om aan dit standpunt van verweerder te twijfelen. Ook acht de rechtbank van belang dat verweerder de aanvraag mede op basis van een overgelegde ruimtelijke onderbouwing heeft beoordeeld en dat in de overgelegde ruimtelijke onderbouwing eveneens is gewezen op de cultuurhistorische waarde van de locatie vanwege de historische functie als voormalige fruitveiling. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Toetsing aan de structuurvisie

8. Voorts kunnen eisers zich niet vinden in de toetsing van het plan door verweerder aan de structuurvisie. Eisers stellen dat het plan binnen de kaders van de structuurvisie past, waardoor verweerder van het bestemmingsplan had kunnen afwijken. Verweerder geeft volgens eisers een te strenge uitleg aan het beleid uit de structuurvisie omdat verweerder volgens eisers ten onrechte stelt dat verblijfsrecreatie op grond van de structuurvisie slechts als medegebruik is toegestaan binnen de als cultuurhistorisch waardevol aangewezen woonbestemmingen en binnen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing van agrarische bedrijven. Het uitgangspunt in de structuurvisie is volgens eisers veel minder strikt, omdat daaruit enkel volgt dat de voorkeur uit gaat naar ontwikkeling van verblijfsaccommodatie binnen de bestaande bebouwing, onder andere op (voormalige) agrarische bedrijven en binnen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, zonder dat daarin is vermeld dat het (alleen) moet gaan om 1) verblijfsrecreatie als medegebruik, 2) cultuurhistorisch waardevol aangewezen woonbestemmingen en 3) cultuurhistorisch waardevolle bebouwing van agrarische bedrijven.

Verweerder heeft zowel in het bestreden besluit (in reactie op de zienswijzen van eisers naar aanleiding van het ontwerpbesluit) als ter zitting verwezen naar de in de structuurvisie opgenomen uitgangspunten. Hij heeft daarbij onder meer specifiek verwezen naar de passage uit de structuurvisie over verblijfsrecreatieve voorzieningen (op pagina 45) waarin het volgende is opgenomen:

‘Verblijfsrecreatieve voorzieningen

Voor de verblijfsrecreatie is het beleid vooral gericht op kwaliteitsverbetering, seizoensverlenging en –spreiding en het beter aansluiten op de marktvraag. Ten aanzien van de verdere toename van het aantal vakantiebungalowparken en kampeerterreinen wordt in onderlinge afstemming en met de omliggende regio een terughoudend beleid gevoerd.

(…)

De voorkeur gaat echter uit naar ontwikkeling van verblijfsaccommodatie binnen

de bestaande bebouwing, onder andere op (voormalige) agrarische bedrijven en binnen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.’

De rechtbank ziet in het standpunt van eisers geen grond voor het oordeel dat de toetsing van de aanvraag door verweerder aan de structuurvisie onjuist of onvoldoende gemotiveerd zou zijn of dat verweerder een onjuiste uitleg aan het beleid zou hebben gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende kenbaar gemotiveerd aan welke passages uit de structuurvisie hij het plan heeft getoetst en op welke grond hij precies heeft geconcludeerd dat het plan daar niet binnen past. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar deze passage uit de structuurvisie gemotiveerd op het standpunt gesteld dat verblijfsrecreatie als uitgangspunt is toegestaan binnen de als cultuurhistorisch waardevol aangewezen bebouwing. Dat volgt ook uit de bestemming ‘Wonen – 2’, die zoals al aangegeven onder 7.3 op deze locatie overigens niet geldt. Gelet op het voorgaande en met verwijzing naar 7.3, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het betreffende bedrijvencomplex geen monument is en dat ook geen sprake is van aanwijzing als karakteristiek pand of cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat een verblijfsrecreatieve functie op de betreffende locatie niet past binnen de uitgangspunten van de structuurvisie, nu daarin onder meer de uitdrukkelijke voorkeur is opgenomen voor ontwikkeling van verblijfsaccommodatie binnen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Omdat daarvan geen sprake is, heeft verweerder hierin ook geen aanleiding hoeven zien om het plan in afwijking van het bestemmingsplan op grond van het beleid toelaatbaar te achten. Het enkele feit dat verweerder aan deze voorkeur uit de structuurvisie vasthoudt, maakt niet dat sprake is van een onjuiste of te strenge uitleg zoals eisers stellen. De stelling van eisers dat verweerder ten onrechte de voorwaarde stelt dat verblijfsrecreatie op grond van de structuurvisie slechts als medegebruik is toegestaan, kan daaraan niet aan afdoen, omdat dat alleen geldt bij

‘Wonen – 2’. Bovendien zou bij die bestemming ook de voorwaarde gelden, los van de aard van het gebruik als hoofd- of medegebruik, dat het moet gaan om monumentale en karakteristieke gebouwen. Nu daarvan geen sprake is en er ook geen sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, heeft verweerder al om die reden het plan niet in overeenstemming kunnen achten met het in de structuurvisie opgenomen uitgagspunt. De rechtbank ziet in het door eisers aangehaalde vereiste over medegebruik daarom ook geen grond voor het oordeel dat verweerder het plan onjuist of onvolledig heeft getoetst aan de structuurvisie. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Belangenafweging goede ruimtelijke ordening

9. Eisers vinden dat verweerder het plan ten onrechte in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft geacht en dat verweerder dat onvoldoende heeft gemotiveerd. Eisers vinden dat verweerder van het bestemmingsplan had kunnen afwijken en dat die afwijking niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Naast de voorgaande standpunten over de cultuurhistorische waarden en de toetsing aan de structuurvisie, stellen eisers in het kader van de goede ruimtelijke ordening dat de vakantiewoningen passend zijn op de onderhavige locatie. Eisers vinden dat de planologische situatie, waarbij het met name gaat om de bestemming bedrijventerrein, niet in overeenstemming is met de feitelijke situatie en uitstraling van het gebied. Het gebied heeft volgens eisers geen uitstraling van een bedrijventerrein, waardoor zij verweerder niet volgen in de stelling dat een bedrijventerrein aan het spoor geen toeristische a-locatie voor verblijfsrecreatie is. Eisers wijzen er daarbij ook op dat al sprake is van een woonbestemming aan [adres 2] die reeds beperkingen oplegt aan de omliggende bedrijfsbestemmingen en dat er door het plan geen (extra) bedrijvigheid weg valt. Het plan vormt daarom volgens eisers geen belemmering voor de bedrijfsbestemming.

Volgens verweerder is het plan om de vakantiewoningen te legaliseren in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft daarbij onder meer van belang geacht dat het plan niet passend is binnen de beleidskaders die verweerder hanteert, waaronder de structuurvisie, de toeristische nota en bestemmingsplannen en binnen de bedrijvenzone waarin het bestemmingsplan voorziet. Verweerder heeft zich daarbij onder meer op het standpunt gesteld dat het legaliseren van de vakantiewoningen mede vanwege geluidsaspecten een nadelig effect heeft op de reeds bestaande bedrijven en zorgt voor een beperking van eventueel nieuw te vestigen bedrijven, terwijl verweerder juist streeft naar het concentreren van bedrijven. Daarnaast wijst verweerder er op dat het bestemmingsplan (nog steeds) leidend is en ook overeenkomt met het uitgangspunt uit het beleid dat verblijfsrecreatie slechts als medegebruik is toegestaan binnen de als cultuurhistorisch waardevol aangewezen woonbestemmingen en binnen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing van agrarische bedrijven. De betreffende bebouwing bij de woning van eisers is geen monument en is ook niet als karakteristiek aangewezen, waardoor verweerder stelt dat een verblijfsrecreatieve functie op de locatie niet past binnen de beleidskaders en in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de standpunten en belangen van eisers voldoende kenbaar in de besluitvorming heeft betrokken. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening onvoldoende heeft onderbouwd. Evenmin ziet de rechtbank in het aangevoerde aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom verweerder verblijfsrecreatie in de vorm van vakantiewoningen op de betreffende locatie in strijd acht met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft dat onderbouwd op basis van het vigerende bestemmingsplan en heeft daarbij gewezen op het belang dat verweerder hecht aan het gebruik als bedrijventerrein, conform de vigerende bestemming, en aan het centreren en continueren van bestaande bedrijven en nieuw te vestigen bedrijven. Ook heeft verweerder daarbij kunnen meewegen dat het toestaan van verblijfsrecreatie vanuit akoestisch oogpunt kan leiden tot verdergaande beperkingen voor omliggende bedrijven. Eiseres hebben in beroep en ook met het ingebrachte akoestisch rapport van Spider Monkey Consultancy van 3 juli 2024 en de latere reactie van 13 februari 2026, niet weerlegd dat het plan akoestische gevolgen kan hebben voor het omliggende bedrijventerrein. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de geluidsaspecten, voldoende gemotiveerd waarom hij het plan op de betreffende locatie vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet toelaatbaar acht. De rechtbank volgt verweerder in dat standpunt. Verweerder heeft daarbij ook, gelet op het voorgaande onder 7 t/m 8.2, kunnen betrekken dat de bebouwing niet als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is aangewezen en dat het plan voor de vakantiewoningen op de betreffende locatie mede daarom niet past binnen het uitgangspunt uit de structuurvisie. Dat eisers de feitelijke situatie niet in overeenstemming vinden met de planologische situatie en zij het plan wel aanvaardbaar vinden binnen de beleidskaders, maakt niet dat verweerder het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten. Deze beroepsgrond faalt.

Tussenconclusie

10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan het bestreden besluit geen motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken kleven en dat verweerder aan de belangen van eisers minder gewicht heeft kunnen toekennen dan aan het naleven van de geldende planregels. Omdat daarover geen beroepsgrond is aangevoerd, komt de rechtbank aan de onevenredigheid niet toe (zie onder 5.5).

Vergoeding gemaakte kosten uov

11. Eisers hebben zich verder op het standpunt gesteld dat verweerder gehouden is om de kosten van de gevolgde uov (opstellen ruimtelijke onderbouwing, akoestisch onderzoek en Aerius berekening), aan eisers te vergoeden nu die procedure ten onrechte is toegepast.

Verweerder heeft immers bij de reactie van 10 maart 2026 erkend dat ten onrechte de uov is toegepast. In de nadere reactie van 27 maart 2026 hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat verweerder gehouden is om de kosten van de uov aan eisers te vergoeden en hebben eisers verwezen naar overgelegde facturen waaruit blijkt dat sprake is geweest van

€ 2.595,50 aan gemaakte kosten voor de ruimtelijke onderbouwing, € 3.333,55 voor het akoestisch rapport en € 726,- aan kosten voor de uitgevoerde Aerius berekening.

De rechtbank - zie onder 6.2 - merkt dit verzoek van eisers aan als een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb. In dat artikel staat in welke gevallen een bestuursorgaan kan worden veroordeeld tot vergoeding van schade. Dat is onder meer het geval als de schade is geleden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit. De rechtbank is in het voorgaande tot het oordeel gekomen dat verweerder de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren en dat het bestreden besluit niet onrechtmatig is. Dat betekent dat het verzoek van eisers niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van schadevergoeding. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.

Conclusie

12. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep van eisers ongegrond. De beroepsgronden over onvoldoende zorgvuldigheid en motivering slagen niet en verweerder mocht de omgevingsvergunning dus weigeren.

Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Ook wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van

J.N. Buddeke, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.

rechter

De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 4 september 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: relevante planregels

'Wonen – 1'

Op grond van artikel 20.1 van de planregels zijn de voor 'Wonen – 1' aangewezen gronden bestemd voor:

en de daarbij behorende voorzieningen.

Op grond van artikel 20.2.1 van de planregels - voor zover van belang - mogen op de tot 'Wonen – 1' aangewezen gronden uitsluitend worden gebouwd:

(…)

Op grond van artikel 20.5.1 van de planregels - voor zover van belang - wordt onder verboden gebruik tenminste verstaan gebruik van de grond anders dan voor en/of als:

'Wonen – 2'

Op grond van artikel 21.1 van de planregels - voor zover van belang - zijn de voor

'Wonen – 2' aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen, met inbegrip van aan-huis-gebonden beroepen, mantelzorg en agrarische activiteiten van ondergeschikte betekenis (…) waarbij monumentale en karakteristieke gebouwen mede gebruikt mogen worden voor:

b. verblijfsrecreatieve doeleinden.

Op grond van artikel 21.4.2 aanhef en onder e, van de planregels - voor zover van belang - wordt onder verboden gebruik tenminste verstaan het gebruik van bebouwing voor en/of als: verblijfsrecreatie, behoudens in monumentale en karakteristieke gebouwen;

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand