ECLI:NL:RBLIM:2026:9539

ECLI:NL:RBLIM:2026:9539

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 08-09-2026
Zaaknummer 03.099068.26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Veroordeling wegens overtreding van de artikelen 6 en 8 Wvw 1994. Aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag, onder de invloed van alcohol, ten gevolge waarvan een ongeval is ontstaan en een ander lichamelijk letsel werd toegebracht. Geen sprake van roekeloosheid. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en een onvoorwaardelijke ontzetting van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03.099068.26

Verstek

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 september 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1985,

wonende te [adres] .

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 augustus 2026. Tegen de verdachte is verstek verleend. De officier van justitie heeft zijn standpunt kenbaar gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: primair als bestuurder van een personenauto door zijn schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor [naam 1] zwaar lichamelijk letsel heeft geleden dan wel letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl de verdachte onder de invloed van alcohol verkeerde. Subsidiair wordt hem gevaarlijk en/of hinderlijk rijgedrag verweten.

Feit 2: een personenauto heeft bestuurd, terwijl hij onder de invloed van alcohol verkeerde (1165 ug/l).

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in de weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 1 primair heeft de officier van justitie betoogd dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte, onder de invloed van een zeer forse hoeveelheid alcohol en afgeleid door zijn navigatie, bij het afslaan naar de N271 niet de juiste rijstrook heeft gevolgd, op de verkeerde weghelft is terechtgekomen en tegen de rijrichting is ingereden, waarna zijn auto is gebotst met de auto van het slachtoffer [naam 1] . De gedragingen van de verdachte kunnen aldus worden aangemerkt als ‘aanmerkelijk onvoorzichtig’.

De officier van justitie acht voorts bewezen dat het slachtoffer [naam 1] ten gevolge van het ongeval tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden heeft ondervonden. Het meer of anders tenlastegelegde kan volgens de officier van justitie niet worden bewezen, om welke reden hij ten aanzien van de verweten ‘roekeloosheid’, het ‘niet verlenen van voorrang’ en het ‘zwaar lichamelijk letsel’ de partiële vrijspraak van de verdachte vordert.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gewezen op de verklaring van de verdachte over zijn alcoholinname en de uitslag van de ademanalyse (1165 ug/l).

Ten slotte heeft de officier van justitie opgemerkt dat de feiten 1 primair en 2 in eendaadse samenloop zijn gepleegd.

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelenoverzicht feiten 1 primair en 2

Op 26 augustus 2024 heeft er omstreeks 21:00 uur een verkeersongeval plaatsgevonden op de N271 te Afferden. De politie heeft hierover gerelateerd:

Op maandag 26 augustus 2024 om 21:00 uur, kreeg ik kennis van een verkeersongeval.

Datum/tijd: 26 augustus 2024 om 21:00 uurLocatienaam: N271Plaats: Afferden Gemeente: Bergen (L)

Betrokkene 1 (voertuig)

Voertuig Personenauto [kenteken 1] Peugeot 107

Bestuurder: [verdachte]

Betrokkene 2 (voertuig)

Voertuig Personenauto [kenteken 2] Volkswagen Polo

Eigenaar/houder, tevens bestuurder: [naam 1]

Het slachtoffer [naam 1] heeft op 16 september 2024 bij de politie verklaard:

Ik zat in de auto en ik reed vanuit Bergen (L) in de richting van Afferden. Ik reed op de N271. Ik zag dat er één zijstraat van links was en één zijstraat van rechts. Ik zag ter hoogte van deze zijstraten een midden geleider. Ik zag op een gegeven moment dat er een auto uit de voor mij rechter zijstraat kwam. Ik zag dat deze ter hoogte van de midden geleider reed. Ik zag dat hij zijn richtingaanwijzer aan had staan naar links. Toen ik dichterbij kwam, zag ik dat de auto ineens ging draaien ter hoogte van de midden geleiders. Dit gebeurde zo snel dat ik geen tijd had om te remmen. Ik ben toen tegen de auto aangereden.

Door de forensisch geneeskundige is over het letsel van het slachtoffer [naam 1] als volgt gerapporteerd:

Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht:

Het betreft informatie van meerdere consulten bij de huisarts tussen 27-08-2024 en 26-09-2024.

Overige van belang zijnde informatie (operaties, blijvend letsel, ed.)

Gebroken middel vinger rechts waarvoor gips en later verwijzing naar een fysiotherapie. Ook bij klachten van de nek en schouders. Vanwege psychische klachten na het ongeval is betrokkene verwezen naar een psycholoog waar ze EMDR therapie heeft gehad.

Op 24 februari 2026 heeft de politie het slachtoffer [naam 1] nog enkele vragen gesteld. De politie heeft hierover gerelateerd:

V: Wat deed je in het dagelijks leven voor het ongeval?A: Na het ongeval ben ik gestopt als zzp-er, omdat dit teveel prikkels gaf en ik concentratieproblemen had. Ook was ik snel vermoeid. Dit heb ik aan het ongeval overgehouden.

V: Wat deed je in je vrije tijd?A: Ik sportte voor het ongeval 4 keer per week. Nu dus niet meer. Ik ben nog steeds niet op niveau van voor het ongeval. Ik ben nog steeds naar de fysio aan het gaan.

V: Hoe lang ben je verhinderd geweest in de dagelijkse bezigheden?A: Ik heb van september 2024 tot en met februari 2025 in de ziektewet gezeten. Ook heb ik een half jaar handtherapie gehad in verband met de breuk in mijn hand. Ik heb 4 weken gips gehad voor deze breuk. Daarnaast ben ik meerdere keren naar de psycholoog geweest voor EMDR-therapie.

Op 26 augustus 2024 is er omstreeks 23:00 uur forensisch onderzoek verricht aan de plaats delict. De forensische opsporing heeft hierover als volgt gerapporteerd:

1. Algemeen

Op maandag 26 augustus 2024 omstreeks 21:00 uur, had op de N271, gelegen buiten de als zodanig aangegeven bebouwde kom van Afferden in de gemeente Bergen het verkeersongeval plaatsgevonden.

2. Forensisch omgevingsonderzoek

wegsituatie Ik zag dat de N271, ter hoogte van het verkeersongeval, gezien vanuit de rijrichting Venlo gaande in de richting Nijmegen bestond uit een rijbaan met twee rijstroken bestemd voor verkeer komende uit beide rijrichtingen. De rijstroken waren onderling door middel van een verhoogde middengeleider van elkaar gescheiden en de weg op de plaats van het verkeersongeval had een nagenoeg recht en vlak wegverloop. Het kruispunt was als een bajonetaansluiting gerealiseerd, met aan de rechterzijde van de rijbaan de Berkenkamp en aan de linkerzijde de Heukelom. Beide zijwegen sloten nagenoeg haaks aan op de N271.

verkeersmaatregelen Voor bestuurders die vanaf de Berkenkamp linksaf de kruising opreden werd door middel van het bord conform model D2 van bijlage 1 van het RVV 1990 de zijde waaraan de middengeleider gepasseerd dient te worden kenbaar gemaakt.

5. Interpretatie sporen

Vaststellen rijrichting

De rijrichting van de Volkswagen is door mij vastgesteld aan de hand van de sporen, de schades en de eindpositie van het betrokken voertuig. Deze sporen en de schades waren passend bij het scenario dat de bestuurder van de Volkswagen over de N271 had gereden komende uit de richting van Venlo en gaande in de richting van Nijmegen. De rijrichting van de Peugeot is door mij vastgesteld aan de hand van de sporen, de schades en de eindpositie van het voertuig. De bestuurder van de Peugeot reed, komende uit de Berkenkamp en gaande in de richting van Venlo. Bij het links afslaan had de bestuurder van de Peugeot het bord D2 genegeerd en had hij het bord aan de linkerzijde gepasseerd waardoor hij zijn weg vervolgde over de linkerrijstrook van de N271 bestemd voor tegemoetkomend verkeer.

Bepaling botspositie en botsplaats

Botspositie Met gebruikmaking van de schades aan de betreffende voertuigen en het aangetroffen sporenbeeld werden de voertuigen, in de bijgevoegde tekening reconstructie (rechtbank: p. 80), tegen elkaar gepositioneerd. Hierdoor werd duidelijk hoe de voertuigen zich ongeveer ten opzichte van elkaar bevonden op het moment van de botsing. Hieruit bleek mij dat beide voertuigen zich op de rijstrook N271 bestemd voor verkeer richting Nijmegen bevonden en frontaal met de voorzijde tegen elkaar waren gebotst.

Botsplaats De botsplaats lag in het midden op de rijstrook in de richting van Nijmegen, circa 5,5 meter voorbij de brom- en fietsers oversteek plaats. Gezien de rijrichting van de Peugeot lag de botsplaats circa 4 meter voorbij het bord D2.

6. Interpretatie bevindingen

Toedracht De bestuurder van de Peugeot reed over de Berkenkamp en sloeg linksaf de N271 op in de richting van Venlo. Hierbij negeerde de bestuurder het bord D2 en reed, gezien zijn rijrichting aan de linkerzijde van de middengeleider de N271 op. De bestuurder van de Volkswagen reed over de N271 komende uit de richting van Venlo en gaande in de richting van Nijmegen. Uit bovenstaande blijkt dat de bestuurder van de Peugeot, vanwege vermoedelijke problemen met zijn navigatie, komende uit de Berkenkamp, links afslaat naar de N271 in de richting van Venlo. Hierbij komt hij op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer terecht. Bovenstaande rijrichting en botsplaats wordt bevestigd door het ingestelde onderzoek op de plaats van het ongeval. De bestuurder van de Volkswagen ziet de Peugeot op diens rijstrook rijden, maar kan niet meer op tijd remmen.

Oorzaak Het verkeersongeval is ontstaan doordat de bestuurder van de Peugeot het bord D2 op de middengeleider had genegeerd en hierdoor had gereden op de rijstrook bestemd voor tegemoetkomend verkeer.

Vermijdbaarheid Indien de bestuurder van de Peugeot gevolg had gegeven aan het gebod aangeduid met bord D2 en de middengeleider aan de rechterzijde had gepasseerd, dan zou het verkeersongeval niet hebben plaatsgevonden.Uit de door de CDR module geregistreerde snelheden blijkt dat de bestuurder van de Volkswagen ongeveer 5 seconden, circa 125 meter vóór de botsing zicht had op de Berkenkamp en de daarop rijdende Peugeot. De botsplaats tussen beide voertuigen was op een afstand van 4 meter voorbij het bord D2 gelegen, gezien vanuit de rijrichting van de betrokken Peugeot. De bestuurder van de betrokken Volkswagen hoefde er geen rekening mee te houden dat er verkeer op zijn rijstrook tegemoet kwam gereden. Echter de bestuurder van de Peugeot had op een korte afstand over de rijstrook gereden waarover de bestuurder van de Volkswagen naderde. Hierdoor had de bestuurder van de Volkswagen te weinig tijd en afstand ter beschikking om te reageren op de tegemoetkomende Peugeot en kon hij de aanrijding niet meer voorkomen.

Op 26 augustus 2024 werd de verdachte door de politie verhoord. Hij heeft tijdens zijn verhoor verklaard, zakelijk weergegeven:

V: Wie was bestuurder vanavond?A: Ik.

V: Wat voor navigatiesysteem had u in werking?A: Ik had een google navigatie systeem op mijn telefoon.

V: Had u de telefoon in uw hand tijdens het rijden?A: Nee, ik had de telefoon niet in de handen tijdens het rijden. Mijn telefoon lag ergens in het midden van de auto, in de middenconsole.V: Klopt het dat u afwisseling op de weg en de telefoon aan het kijken was?A: Ja

V: Waar kwam de andere auto vandaan ten opzichte van u?A: Auto reed in tegengestelde richting. Ik schrok van de navigatie.V: Als ik het goed begrijp reed u beide op dezelfde weg in tegengestelde richting.A: Ja dat klopt. Door de navigatie had ik niet goed gekeken.V: Bent u hierdoor op de verkeerde weghelft gekomen? Of heeft u spookgereden? Hoe is het ongeluk gebeurd?A: Mijn navigatie zei dat ik naar links moest, maar ik had niet goed gekeken op de weg. Hierdoor botste ik tegen de andere auto aan.V: Dus u bent links afgeslagen terwijl dat niet de bedoeling was, klopt dat?A: Ja [...]

V: De lege fles wodka die in de auto is aangetroffen, had u die leeg gedronken?A: Ja die had ik thuis gedronken.

Door de politie is het navolgende gerelateerd naar aanleiding van het onderzoek aan de verdachte middels een ademanalyseapparaat:

De verdachte gaf mij, [naam 2] ( [nummer] ), op te zijn genaamd:

Achternaam: [verdachte]

Voornamen: [verdachte]

Op maandag 26 augustus 2024 om 22:31 uur, zijnde het eerste tijdstip vermeld op de bijgevoegde afdruk, heeft de verdachte zich onder leiding van mij, [naam 2] ( [nummer] ), opsporingsambtenaar als bedoeld in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, onderworpen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 2, onder a. Wegenverkeerswet 1994. Dit eerste tijdstip is niet gelegen binnen 20 minuten na het tijdstip van vordering tot medewerking aan het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht zijnde maandag 26 augustus 2024 om 21:46 uur.Aan de verdachte is direct meegedeeld, dat het onderzoeksresultaat van de ademanalyse van zijn adem 1165 ug/l bedroeg.

Bewijsoverwegingen feit 1 primair

Op basis van het bewijsmiddelenoverzicht stelt de rechtbank vast dat er op 26 augustus 2024 omstreeks 21:00 uur een ongeval heeft plaatsgevonden op de N271 te Afferden (gemeente Bergen) tussen de personenauto van de verdachte en de personenauto van slachtoffer [naam 1] . Ten tijde van het ongeval reed het slachtoffer [naam 1] over de N271 vanuit Bergen in de richting van Afferden. De verdachte reed over de Berkenkamp, zijnde een zijstraat van de N271. Uit forensisch onderzoek ter plaatse volgt dat de verdachte vanaf de Berkenkamp linksaf de N271 opsloeg. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte daarbij het bord D2 negeerde en de weghelft aan de linkerzijde van de middengeleider opreed, waardoor hij op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer belandde. [naam 1] reed op die weghelft, waarna beide voertuigen zijn gebotst op circa 4 meter voorbij het bord D2, gezien vanuit de rijrichting van de verdachte. Het ongeval zou niet hebben plaatsgevonden als de verdachte de middengeleider aan de rechterzijde had gepasseerd. Het slachtoffer hoefde er geen rekening mee te houden dat verkeer haar op haar weghelft tegemoet kwam gereden. Zij had te weinig tijd en afstand om te kunnen reageren en kon daarmee de aanrijding niet meer voorkomen. De rechtbank acht daarbij niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte geen voorrang heeft verleend aan het slachtoffer [naam 1] . Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat het ongeval (mede) is veroorzaakt door het niet verlenen van voorrang door de verdachte. Om deze reden zal de rechtbank de verdachte van deze gedraging partieel vrijspreken.

De verdachte heeft verklaard dat hij op de verkeerde weghelft is terechtgekomen en dat hij was afgeleid door zijn navigatiesysteem en om die reden afwisselend naar de weg en naar zijn telefoon in de middenconsole keek. Bovendien volgt uit zowel de verklaring van de verdachte als de ademanalyse dat de verdachte ten tijde van het ongeval verkeerde onder de invloed van een forse hoeveelheid alcohol (1165 ug/l).

De rechtbank dient nu de vraag te beantwoorden in welke mate de verdachte ‘schuld’ heeft aan het verkeersongeval. In het algemeen geldt dat onder 'schuld' als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.

Aan de verdachte wordt roekeloos rijgedrag verweten. Onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 in samenhang met artikel 6 WVW 1994 is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a lid 1 WVW 1994 kan worden aangemerkt. Artikel 5a lid 1 WVW 1994 beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen. Als de verdachte, door een of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Bij het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels komt het onder meer aan op de feiten en omstandigheden die zicht bieden op “de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft".

De omstandigheden dat de verdachte bij het afslaan niet de juiste wegstrook heeft gevolgd, daardoor op de verkeerde weghelft is terechtgekomen en vervolgens enkele meters die rijrichting is ingereden, terwijl hij onder de invloed van alcohol was en was afgeleid door zijn navigatiesysteem, leiden volgens de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte, zoals eveneens is tenlastegelegd, ‘aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend’ heeft gereden, maar zij zijn niet toereikend voor het oordeel dat de verdachte ‘roekeloos’ in voornoemde zin heeft gereden, zodat de verdachte van het bestanddeel ‘roekeloosheid’ tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt voorts dat het letsel van het slachtoffer [naam 1] niet van dien aard was dat dit kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Van dit bestanddeel zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken. Uit de verklaring van [naam 1] en de medische informatie omtrent de aard en genezingsduur van haar letsel volgt echter wel voldoende dat haar letsel kan worden aangemerkt als zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Alles overwegende acht de rechtbank feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen, in die zin dat de verdachte op 26 augustus 2024 door zijn schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt door aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag te vertonen, waardoor het slachtoffer [naam 1] , zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl de verdachte onder de invloed van alcohol verkeerde.

Bewijsoverwegingen feit 2

Uit de ademanalyse, afgenomen bij de verdachte op 26 augustus 2024, en de verklaring van de verdachte volgt dat de verdachte op 26 augustus 2024 onder de invloed van alcohol – weten 1165 ug/l – een personenauto heeft bestuurd. De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

Eendaadse samenloop

De rechtbank is van oordeel dat feit 1 in eendaadse samenloop is gepleegd met feit 2.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

T.a.v. feit 1 primair:

op 26 augustus 2024 te Afferden, gemeente Bergen (L) als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op de N271 en een kruispunt, gevormd door de N271 en de Berkenkamp, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag, te weten dat verdachte, na het gebruik van alcoholhoudende drank:

- bij het afslaan op voornoemd kruispunt niet de juiste rijstrook heeft gevolgd en

- met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto terecht is gekomen op de voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weghelft en

- vervolgens tegen de voor hem geldende rijrichting in is gereden

waardoor verdachte met de door hem bestuurde personenauto tegen de personenauto van het tegemoetkomende slachtoffer is gebotst, waardoor een ander (genaamd [naam 1] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

T.a.v. feit 2:

op 26 augustus 2024 te Afferden, gemeente Bergen (L), als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 1165 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet

in eendaadse samenloop met

feit 2:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994

(1165 µg/l)

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf en de maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd om aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke ontzegging voor de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren. De officier van justitie heeft bij de formulering van zijn strafeis rekening gehouden met het forse alcoholgehalte in de adem van de verdachte (1165 ug/l), het weggedrag van de verdachte en de daarmee gepaard gaande grote gevaarzetting. Gelet op deze omstandigheden heeft de officier van justitie aansluiting gezocht bij de categorieën ‘zeer hoge mate van schuld’ en ‘alcohol > 570 ug/l’ in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS). Daarbij heeft hij rekening gehouden met de eendaadse samenloop tussen de feiten 1 primair en 2.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval door zich aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend in het verkeer te gedragen. De verdachte heeft bij het afslaan op de N271 een verkeersbord genegeerd en de middengeleider aan de linkerzijde gepasseerd, waardoor hij op de verkeerde weghelft terecht is gekomen. De verdachte heeft toen enkele meters zijn weg vervolgd en is daarna, al spookrijdende, frontaal tegen de auto van het slachtoffer [naam 1] gebotst. Tijdens het ongeval verkeerde verdachte onder de invloed van alcohol (1165 ug/l) en was hij afgeleid, omdat hij afwisselend naar de weg en naar zijn navigatie keek. Door het ongeval heeft het slachtoffer [naam 1] zulk lichamelijk letsel geleden dat zij hierdoor tijdelijke ziekte of verhindering in haar normale werkzaamheden heeft geleden. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. Dat de gevolgen van het ongeval niet ernstiger waren voor het slachtoffer is een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte toe te rekenen valt.

De verdachte is niet ter zitting verschenen en heeft daarmee geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn rijgedrag.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Nederlandse justitiële documentatie betreffende verdachte van 3 augustus 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Ook slaat de rechtbank acht op de eendaadse samenloop tussen de feiten 1 primair en 2.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf gelet op de LOVS-oriëntatiepunten en houdt rekening met de straffen die in soortgelijke gevallen doorgaans worden opgelegd. De rechtbank acht het passend om – anders dan de officier van justitie – aansluiting te zoeken bij de categorie ‘ernstige schuld’, gelet op het alcoholpromillage en de gevaarzetting die uitging van de gedragingen van de verdachte. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij het slachtoffer ‘lichamelijk letsel of tijdelijke ziekte’ is toegebracht en waarbij sprake is van ernstige schuld, terwijl het alcoholpromillage hoger lag dan 570 ug/l, geldt volgens de LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en een onvoorwaardelijk ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur 2 jaren. Het forse alcoholpromillage en het gebrek aan verantwoordelijkheid van de verdachte rechtvaardigen volgens de rechtbank de oplegging van een enigszins hogere gevangenisstraf.

Ten slotte constateert de rechtbank dat de overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM zeer marginaal is overschreden (te weten: 14 dagen) is overschrijden. De rechtbank volstaat met de constatering hiervan.

Alles overwegende acht de rechtbank passend en geboden dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren wordt opgelegd.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 6, 175 en 179 Wegenverkeerswet 1994 en artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

Straf

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

- veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 primair en 2 tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

Maatregel van ontzegging van de rijbevoegdheid

- ontzegt de verdachte voor feit 1 primair de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.D. Geraads, voorzitter, mr. K. Mestrom en

mr. B. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 september 2026.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

T.a.v. feit 1:

hij op of omstreeks 26 augustus 2024 te Afferden, gemeente Bergen (L) als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op de N271 en/of een kruispunt, gevormd door de N271 en de Berkenkamp, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag, te weten dat verdachte, na het gebruik van alcoholhoudende drank:

- geen voorrang heeft verleend aan de bestuurder van een voor verdachte van links komende personenauto, in elk geval niet, dan wel niet voldoende de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurder voertuig heeft verminderd dan wel zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was het door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was

- bij het afslaan op voornoemd kruispunt niet de juiste rijstrook en/of rijbaan heeft gevolgd en/of

- met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto terecht is gekomen op de voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weghelft en/of

- ( vervolgens) tegen de voor hem geldende rijrichting in is gereden

waardoor, althans mede waardoor verdachte met de door hem bestuurde personenauto tegen de personenauto van het tegemoetkomende slachtoffer is gereden/gebotst, waardoor een ander (genaamd [naam 1] ) zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 augustus 2024 te Afferden, gemeente Bergen (L) alsbestuurder van een voertuig personenauto, daarmee rijdende op de N271 en/of eenkruispunt, gevormd door de N271 en de Berkenkamp,- geen voorrang heeft verleend aan de bestuurder van een voor verdachte van linkskomende personenauto, in elk geval niet, dan wel niet voldoende de snelheid vanhet door hem, verdachte, bestuurder voertuig heeft verminderd dan wel zijnsnelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was het door hembestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de wegkon overzien en waarover deze vrij was- bij het afslaan op voornoemd kruispunt niet de juiste rijstrook en/of rijbaan heeftgevolgd en/of- met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto terecht is gekomen op devoor het tegemoetkomende verkeer bestemde weghelft en/of- (vervolgens) tegen de voor hem geldende rijrichting in is gereden,door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,althans kon worden gehinderd;

T.a.v. feit 2:

hij op of omstreeks 26 augustus 2024 te Afferden, gemeente Bergen (L), als

bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik

van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als

bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994,

1165 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per

liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand