RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 september 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit Heerlen, verzoeker
de Burgemeester van de gemeente Heerlen, de burgemeester
Samenvatting
Zittingsplaats Maastricht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1928
(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),
en
(gemachtigde: mr. K.A.J. Ubachs).
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om aan verzoeker een last onder bestuursdwang op te leggen om de woning van verzoeker te sluiten voor twaalf maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom bezwaar gemaakt tegen het besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, in afwachting van de beslissing van de burgemeester op
zijn bezwaar. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 23 juli 2026 heeft de burgemeester aan verzoeker op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat de woning van verzoeker met ingang van 5 augustus 2026 om 14:30 uur moet worden gesloten voor de duur van twaalf maanden.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De burgemeester heeft per e-mailbericht van 4 augustus 2026 laten weten dat met sluiting van de woning wordt gewacht totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 31 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.
Dit oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. Als verzoeker het niet eens is met de beslissing op het bezwaar (die door de burgemeester nu nog moet worden genomen), kan verzoeker daartegen op dat moment beroep instellen bij de rechtbank. De rechtbank mag in die (bodem)procedure dus anders oordelen over de zaak dan de voorzieningenrechter nu.
Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker huurt zijn woning gelegen aan de [adres] te Hoensbroek van woningcorporatie Woonpunt te Maastricht. De burgemeester heeft op 1 juli 2026 een op 23 juni 2026 op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage van de politie ontvangen. Uit de bestuurlijke rapportage volgt dat de politie, naar aanleiding van een onderzoek door de districtsrecherche naar verdovende middelen, is gebleken dat de woning gelegen aan de [adres] te Hoensbroek gebruikt zou worden voor de handel in verdovende middelen. De woning wordt bewoond door een persoon die bekend staat als gebruiker van verdovende middelen en ten aanzien van wie aanwijzingen bestaan voor het verrichten van dealactiviteiten. Daarnaast is gebleken dat de woning wordt gebruikt als ontmoetings- en verblijfslocatie voor andere personen die ambtshalve bekend zijn als gebruiker van verdovende middelen. Gelet op de aard en frequentie van de waargenomen contacten en overige bevindingen, is de locatie aangemerkt als een faciliterende locatie binnen het gebruikers- en dealer circuit. Naar aanleiding van voornoemde bevindingen is de politie op 12 mei 2026 de woning binnengetreden. In de woning werd de hoofdbewoner en tevens verdachte aangehouden. Daarnaast waren drie andere personen in de woning aanwezig. Deze personen zijn niet als verdachte aangemerkt. Ambtshalve is bij de politie bekend dat alle aanwezige personen voorkomen in relatie tot verdovende middelen. In de woning werd in de koelkast in de keuken 102,025 gram bruto amfetamine, zijnde harddrugs, aangetroffen en in beslaggenomen.
Per e-mail van 4 augustus 2026 is namens de burgemeester aan de politie om nadere informatie over de bestuurlijke rapportage verzocht. Gevraagd is welke registratie ten aanzien van welke soort situaties heeft verzoeker en op welke data. Ook is gevraagd om concreet aan te geven op welke manier en op welk moment het adres [adres] voorkomt als overlastlocatie van drugs en of verzoeker (wel/niet rechtstreeks) betrokken is bij de concrete constateringen van overlast.
Per e-mail van diezelfde dag heeft de politie geantwoord dat verzoeker met name gekend is in het politiesysteem als betrokkene bij overlast als gevolg van alcohol/drugs. In 2002 is verzoeker veroordeeld voor het vervaardigen van softdrugs. De woning van verzoeker komt in 2024 en 2025 in totaal vijf keer voor in de registraties van overlast als gevolg van alcohol/drugs. Uit eerder onderzoek, waaronder posten op de locatie, is gebleken dat verzoeker zijn woning en auto beschikbaar stelt in ruil voor verdovende middelen.
De burgemeester heeft op 7 juli 2026 het voornemen tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, inhoudende sluiting van zijn woning voor twaalf maanden, aan verzoeker toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Verzoeker heeft op 17 juli 2026 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De burgemeester heeft in de zienswijze geen aanleiding gevonden om af te zien van zijn voornemen om de woning te sluiten.
Gronden van verzoeker
4. Verzoeker is het niet eens met de voorgenomen woningsluiting en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er bestaat geen bevoegdheid tot sluiten, nu deze bevoegdheid is gebaseerd op een bruto hoeveelheid aangetroffen harddrugs en niet inzichtelijk is gemaakt welke netto hoeveelheid is aangetroffen. Onduidelijk is ook waar de drugs in verpakt was en slechts een indicatieve test heeft uitgewezen dat het amfetamine betrof. Verder heeft de overtreding zich op 12 mei 2026 voorgedaan en is het besluit tot woningsluiting pas op 23 juli 2026 verzonden. Dat is meer dan twee maanden later. In deze periode is niet gebleken van antecedenten, overlast of andere aan drugshandel gerelateerde activiteiten. Verzoeker verblijft ook niet in strafrechtelijke detentie, maar gewoon in de woning. Het tijdsverloop is van dien aard dat sluiting geen geschikt middel (meer) is. Ook is het niet noodzakelijk om de woning te sluiten. Verzoeker kan geen verwijt worden gemaakt. Hij is geen drugsgebruiker, er is geen sprake van recidive of strafrechtelijke antecedenten en ook andere bijzonderheden te aanzien van verzoeker en/of de woning ontbreken. Van daadwerkelijke drugshandel of -productie is geen sprake. Verklaringen of meldingen die hierop wijzen, ontbreken eveneens. Toeloop, overlast en gevoelens van onveiligheid zijn er niet. Ook na de constatering van de overtredingen hebben zich geen bijzonderheden (meer) voorgedaan. Het voorgaande duidt er dan ook op dat de woning geen rol vervulde binnen het drugscircuit. Verder is onduidelijk waarom minder ingrijpende alternatieven, zoals een voorwaardelijke sluiting of een last onder dwangsom, niet in overweging zijn genomen en niet ook tot het beoogde doel zouden kunnen leiden. De woningsluiting is voorts niet evenwichtig. Een sluiting voor twaalf maanden is erg lang en disproportioneel en daardoor zeer ingrijpend voor verzoeker. Daarnaast zijn er, zoals eerder aangevoerd, geen aanwijzingen van toeloop naar de woning en ook niet van productie of voorbereidingen van drugshandel in de woning. Niet gemotiveerd is dat er sprake zou zijn van gevaarzetting, veiligheidsrisico’s of andere gevaren voor de openbare orde. Voorts is verzoeker kwetsbaar. Hij is slechtziend, lichamelijk beperkt en heeft een ernstige alcoholverslaving. Daarnaast staat hij onder bewind, moet hij rondkomen van een uitkering, heeft hij schulden en zal zijn huurovereenkomst buitengerechtelijk worden ontbonden. Verzoeker is niet in staat om zelf in alternatieve huisvesting te kunnen voorzien en zal op straat komen te staan. Er dient daarnaast een begunstigingstermijn in acht te worden genomen. Verzoeker heeft tot slot geen toegang tot een effectief en daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 47 van het Handvest van de Europese Unie, nu het nadelige besluit al ten uitvoer kan worden gelegd zonder dat het besluit tot woningsluiting aan een rechterlijke toetsing of toetsing in bezwaar is onderworpen. Gelet op het voorgaande is het besluit tot woningsluiting volgens verzoeker onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd tot stand gekomen.
Is sprake van een spoedeisend belang?
5. De door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor verzoeker niet kan wachten op een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter dient dus eerst te beoordelen sprake of is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
Gelet op het feit dat verzoeker de woning in het geval van sluiting daarvan voor de duur van twaalf maanden zal moeten verlaten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende gebleken is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De burgemeester heeft dit ook niet betwist. De zaak zal dan ook verder inhoudelijk worden beoordeeld.
Toetsingskader
6. Bij de beoordeling van het verzoek zijn de volgende regels van belang.
De bevoegdheid voor het nemen van het sluitingsbesluit is gelegen in artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet. Op grond van deze bepaling kan de burgemeester een woning sluiten als in een woning hard- en/of softdrugs wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel met dat doel aanwezig is. De burgemeester beschikt over beleidsruimte om de woning al dan niet gesloten te verklaren.
De burgemeester heeft op 21 januari 2025 het Damoclesbeleid Heerlen (de Beleidsregels) vastgesteld. In deze Beleidsregels staat dat een woning bij een eerste constatering wordt gesloten voor de duur van twaalf maanden bij het aantreffen van harddrugs.
Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Hierbij moet beoordeeld worden of de sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Zorgvuldigheid van het besluit
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker terecht naar voren heeft gebracht, dat de bestuurlijke rapportage op sommige punten onvoldoende concreet is. Het gaat dan met name om een nadere onderbouwing van de overlastmeldingen en de concrete bevindingen van het posten bij de woning. De gemachtigde van de burgemeester heeft dit op zitting erkend en uitgelegd dat daarom op 4 augustus 2026 een aantal vragen zijn gesteld aan de politie. Daarop is weliswaar geantwoord, maar vooralsnog zonder enige onderbouwing met stukken. De gemachtigde van de burgemeester is nog in afwachting van die nadere stukken. Onduidelijk is ook gebleven of de meldingen van overlast op alcohol en/of drugs zien of enkel op alcohol en hoe bij de politie bekend is dat alle in de woning aanwezige personen in relatie staan tot verdovende middelen. De voorzieningenrechter vindt het kwalijk dat de onderbouwende stukken nog niet zijn ontvangen. Verzoeker heeft dit punt dus terecht naar voren gebracht. Maar dit leidt niet tot een toewijzing van het verzoek. De burgemeester heeft namelijk zelf deze onzorgvuldigheid onderkend en navraag gedaan bij de politie. De voorzieningenrechter ziet ook geen reden om te twijfelen aan de antwoorden die de politie per e-mail van 4 augustus 2026 heeft gegeven. Verzoeker heeft deze antwoorden ook niet betwist. Nadere stukken zijn echter wel wenselijk. Zodra deze worden ontvangen door de burgemeester, kunnen deze betrokken worden bij de nog te nemen beslissing op bezwaar.
Bevoegdheid van de burgemeester om tot sluiting over te gaan
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs in de woning van in totaal 102,025 gram bruto de gebruikershoeveelheid van 0,5 gram zeer ruim overschrijdt. Het verschil tussen de aangetroffen hoeveelheid en de toegestane hoeveelheid is zo ontzettend groot dat het niet aannemelijk is te achten dat een nadere specificatie van de verpakkingswijze het gevolg zal hebben dat de aangetroffen hoeveelheid alsnog onder de toegestane hoeveelheid zal vallen. Verder geldt in het bestuursrecht een andere bewijslast dan in het strafrecht en kan in het bestuursrecht gebruik worden gemaakt van een indicatieve test. Gelet op de indicatieve test waarvan het resultaat is neergelegd in de op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage van 23 juni 2026, is voldoende aannemelijk dat het gaat om amfetamine. Gelet op de aangetroffen grote hoeveelheid amfetamine kan dan ook worden aangenomen dat sprake is van handel in verdovende middelen vanuit de woning. De bevindingen van de districtsrecherche ondersteunen dit ook. De burgemeester is daarom in beginsel bevoegd de woning te sluiten.
Geschiktheid en noodzakelijkheid
9. Als de burgemeester bevoegd is om een pand te sluiten, is de volgende vraag of de sluiting gelet op het tijdsverloop geschikt is en zo ja, of er een noodzaak bestaat om een pand te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester voldoende heeft toegelicht dat de sluiting van de woning noodzakelijk is. Het tijdsverloop tussen het aantreffen van de harddrugs op 12 mei 2026 en het voornemen om tot woningsluiting over te gaan van 7 juli 2026 is bijna twee maanden. Op het moment dat de bestuurlijke rapportage op 1 juli 2026 is ontvangen door de burgemeester, is de burgemeester vlot overgegaan tot besluitvorming. De burgemeester heeft in afwachting van de behandeling van deze voorlopige voorziening gewacht met het sluiten van de woning. Dit tijdsverloop betekent niet dat de sluiting van de woning geen geschikt middel meer is. Dat de harddrugs in beslag zijn genomen, betekent niet dat de noodzaak tot sluiting van de woning is komen te vervallen. Met het aanbrengen van de bekendmaking van de sluiting op de woning is de tijdelijke sluiting ervan zichtbaar. Dit heeft het effect dat de bekendheid en de toegankelijkheid als drugspanden wordt weggenomen en dat de ‘loop’ er naartoe eruit wordt gehaald, waarmee de woning aan het criminele drugscircuit worden onttrokken. Het gaat daarnaast de aantrekkingskracht op andere criminele activiteiten tegen en geeft een signaal af dat tegen drugscriminaliteit wordt opgetreden.
De aangetroffen harddrugs betroffen 204 keer de gebruikershoeveelheid van 0,5 gram. Dit maakt het aannemelijk dat de aangetroffen harddrugs gedeeltelijk of geheel bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. De burgemeester heeft voldoende gemotiveerd dat sprake is van een ernstig geval. Dat verzoeker geen drugs gebruikt, maar wel lijdt aan een zware alcoholverslaving en de aangetroffen drugs niet van hem zouden zijn, betekent niet dat geen sprake is van een ernstig geval. Ook als iemand anders de harddrugs in de koelkast heeft gelegd, dan is dit juist een bevestiging dat de woning van verzoeker wordt gebruikt voor de handel in verdovende middelen. Uit de informatie van de politie volgt dit ook. Hoewel onderliggende stukken ontbreken, is de rapportage en de e-mail eenduidig dat verzoeker betrokken is bij de handel in verdovende middelen. Tegenover deze informatie van de politie heeft verzoeker geen (concrete) verklaring gelegd hoe het volgens hem dan wél zit.
Verder is de woning gelegen in de wijk Maria-Gewanden en Terschuren. Uit binnen de gemeente Heerlen bekende cijfers blijkt dat de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbaar gebied ligt. In een cirkel met een straal van 750 meter rondom de woning zijn er in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2026 zeventien Damoclesmaatregelen opgelegd, waaronder acht met betrekking tot handelshoeveelheden harddrugs. In 2026 is er in dezelfde straat een andere woning gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Hiermee staat de wijk op de vijfde plek van alle wijken waar de meesten van dergelijke maatregelen zijn opgelegd. In voornoemde periode zijn er 162 politieregistraties gemaakt van drugs- en drankoverlast en drugs- en wapenhandel. De gemeente Heerlen is bovendien een aantrekkelijke locatie voor drugscriminaliteit door de ligging in het grensgebied. Daardoor is er aanzienlijk meer drugscriminaliteit dan in andere delen van Nederland. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester voldoende toegelicht waarom de leefbaarheid in de wijk beschermd dient te worden en dat drugscriminaliteit dient te worden tegengegaan.
Uit voorgaande omstandigheden volgt dat de burgemeester de sluiting van de woning dan ook een geschikt en noodzakelijk middel heeft mogen achten om de geconstateerde overtreding te beëindigen en de daarmee samenhangende negatieve gevolgen voor de openbare orde en veiligheid te herstellen en herhaling te voorkomen. De burgemeester was niet gehouden om met een minder ingrijpend middel als een waarschuwing of een last onder dwangsom te volstaan, zoals verzoeker heeft gesteld.
Evenwichtigheid
10. Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand geschikt en noodzakelijk is, dient hij zich ervan te vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid bij de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer van het pand gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
De voorzieningenrechter vindt de gevolgen van de sluiting in dit geval niet onevenwichtig. De burgemeester heeft meer gewicht mogen toekennen aan het herstel van de openbare orde en een veilig woon- en leefklimaat in de omgeving dan aan het belang van verzoeker.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de sluiting een aan een object gebonden maatregel is en niet een aan een persoon gebonden maatregel. Maar de persoonlijke verwijtbaarheid speelt wel een rol bij de beoordeling of de maatregel evenwichtig is. De enkele stelling dat verzoeker alleen een alcoholverslaving heeft en geen drugs gebruikt en de aangetroffen drugs daarom niet van hem kunnen zijn, doet er niet aan af dat verzoeker als overtreder kan worden aangemerkt. Voor zover al moet worden aangenomen dat de aangetroffen drugs niet van verzoeker waren, dan neemt dat niet weg dat verzoeker verantwoordelijk kan worden gehouden voor de aangetroffen situatie. Verzoeker als huurder van de woning is verantwoordelijk voor wat zich daarin bevindt en afspeelt. Van hem mag worden verwacht dat hij voldoende toezicht houdt op het gebruik van zijn woning. Op dit moment beschikt de voorzieningenrechter over geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat de drugs níet van verzoeker was.
Inherent aan een sluiting van een woning is dat de huurder de woning moet verlaten en dat een huurovereenkomst ontbonden kan worden. Dit zijn op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheden om van sluiting af te zien. Het is in beginsel de verantwoordelijkheid van verzoeker zelf om vervangende woonruimte te vinden. Hij heeft geen stukken overgelegd, waaruit blijkt dat hij dat al (maar zonder resultaat) heeft geprobeerd. Verzoeker heeft ook niet aan de hand van stukken onderbouwd of geconcretiseerd dat het volstrekt onmogelijk is voor hem om voor de duur van twaalf maanden een andere woning te vinden. Dat verzoeker onder bewind staat, van een uitkering moet rondkomen en schulden heeft, maakt ook niet dat hij niet tijdelijk ergens anders kan verblijven. Daarnaast heeft verzoeker niet aan de hand van stukken aangetoond dat hij een bijzondere binding met zijn huidige woning heeft, waardoor niet van hem verlangd kan worden dat hij tijdelijk ergens anders gaat wonen. Dat verzoeker slecht ziend is, licht beperkt is en een alcoholverslaving heeft, brengt nog niet met zich dat het sluiten van zijn woning disproportionele gevolgen voor hem heeft. Hij heeft geen actuele medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van zodanige medische problematiek. Niet gebleken is dat verzoeker afhankelijk is van een specifieke aangepaste woning of een verzorgingsstructuur in de wijk. De burgemeester heeft er in het verweerschrift op gewezen dat er een aantal opties zijn voor vervangende woonruimte. Mocht het vinden van vervangende woonruimte niet lukken en stemt verzoeker in met hulp, dan kan verzoeker zich wenden tot het interventieteam van de gemeente Heerlen. Op zitting heeft de gemachtigde van de burgemeester nog aangevuld dat maatschappelijke opvang een optie is als er geen andere mogelijkheden zijn. Bureau Toegang kan hierbij begeleiden.
Belangenafweging
11. Uit voorgaande overwegingen volgt dat het bestreden besluit naar verwachting standhoudt in bezwaar. Het gaat om een ernstig geval. De voorzieningenrechter beschikt niet over aanknopingspunten om de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uit te laten vallen.
Begunstigingstermijn
12. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan verzoeker van 23 juli 2026 tot 5 augustus 2026 de tijd was gegeven om aan de last tot het ontruimen van de woning, het inpakken van persoonlijke spullen en het regelen van vervangend onderdak te voldoen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was de begunstigingstermijn voldoende lang om te kunnen voldoen aan de last. De gegeven termijn was langer dan de termijn die in beginsel wordt aangehouden.
Effectief rechtsmiddel
13. De voorzieningenrechter overweegt tot slot dat niet gezegd kan worden dat verzoeker geen toegang tot een effectief en daadwerkelijk rechtsmiddel heeft. Hij heeft immers toegang tot de voorzieningenrechter vóórdat de woningsluiting zal plaatsvinden.
Conclusie en gevolgen
14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af. Dat betekent dat de burgemeester de woning van verzoeker in afwachting van de beslissing op bezwaar niet (meer) open hoeft te houden.
Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.M.A.W. Kusters-van Mulken, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 9 september 2026.