Tegenspraak
Beslissing van de meervoudige kamer op een vordering van het openbaar ministerie in het arrondissement Limburg
in het kader van de terbeschikkingstelling van:
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1981,
thans verblijvende in de P.I. [naam P.I.] ,
hierna te noemen [verdachte] .
Raadsvrouw is mr. L. Schobbers, advocaat te Venlo.
De stukken
In het dossier bevinden zich onder andere:
De vordering van de officier van justitie houdt in dat de rechtbank zal bevelen dat [verdachte] alsnog van overheidswege zal worden verpleegd.
De procesgang
Bij vonnis van de rechtbank Limburg van 2 juni 2022 is aan [verdachte] de maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd. De terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van bedreiging, meermalen gepleegd, en belaging, terwijl de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eiste. De maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden is dadelijk uitvoerbaar verklaard. De maatregel tot terbeschikkingstelling is niet opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van personen. Daarnaast heeft de rechtbank aan [verdachte] een gevangenisstraf van 1 jaar opgelegd.
Bij beslissing van 10 oktober 2022 heeft de rechtbank Limburg de vordering van de officier van justitie van 30 augustus 2022, dat [verdachte] alsnog van overheidswege zal worden verpleegd, toegewezen.
Bij beslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 december 2023 is de beslissing van de rechtbank van 10 oktober 2022 vernietigd, de vordering van de officier van justitie afgewezen en zijn de voorwaarden die zijn gesteld bij het vonnis van 22 juni 2022 gewijzigd. Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft hierbij overwogen dat het ongewenst is dat de nieuwe behandelpoging zou worden gefrustreerd door de tenuitvoerlegging van een eventueel nog openstaande gevangenisstraf in de zaak met parketnummer 03-086590-19.
Uit het detentieoverzicht blijkt dat de verdachte uiteindelijk van 14 december 2023 tot 18 december 2023 gevangenisstraf heeft uitgezeten in de zaak met parketnummer 03-086590-19.
Bij beslissing van de rechtbank Limburg van 1 mei 2024 is de vordering van de officier van justitie van 21 maart 2024 tot omzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden in een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege afgewezen.
Bij vordering van 4 september 2024 heeft de officier van justitie aan de rechtbank verzocht de termijn van terbeschikkingstelling met 2 jaar te verlengen.
Bij beslissing van de rechtbank Limburg van 15 oktober 2024 is de termijn van de terbeschikkingstelling met voorwaarden verlengd met twee jaar, waarbij de voorwaarden zoals opgenomen in de beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van
14 december 2023 zijn gehandhaafd.
Bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 februari 2026 heeft het hof het vonnis van de rechtbank Limburg van 2 juni 2022 bevestigd onder aanvulling van gronden. Uitsluitend voor zover de opgelegde terbeschikkingstelling met voorwaarden door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar is verklaard heeft het hof het vonnis vernietigd en slechts in zoverre opnieuw recht gedaan. Aanvullend heeft het hof een gedragsbeïnvloedende maatregel opgelegd.
Bij vordering van 3 juli 2026 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank zal bevelen dat [verdachte] alsnog van overheidswege zal worden verpleegd. De terbeschikkingstelling zou volgens deze vordering op 2 juni 2022 zijn gaan lopen.
Op 18 juni 2026 is [verdachte] aangehouden op grond van artikel 6:3:15 van het wetboek van Strafvordering (Sv).
Op 19 juni 2026 heeft de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie van diezelfde datum, op grond van artikel 6:6:10a Sv, de tijdelijke opname voor de duur van 7 weken van [verdachte] bevolen.
Op 2 juli 2026 is [verdachte] opnieuw aangehouden op grond van artikel 6:3:15 Sv, waarna de officier van justitie op 3 juli 2026 op grond van artikel 6:6:11 lid 6 Sv een vordering tot voorlopige verpleging heeft ingediend.
Bij bevel van de rechter-commissaris van de rechtbank Limburg van 3 juli 2026 is de vordering tot voorlopig alsnog verplegen van overheidswege toegewezen, totdat onherroepelijk is beslist op de vordering tot verpleging van overheidswege.
De vordering van de officier van justitie is behandeld ter openbare zitting van deze rechtbank van 31 augustus 2026. Ter zitting zijn gehoord de officier van justitie, [verdachte] en zijn raadsvrouwen. Als deskundige is J. Nap, als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, gehoord middels telehoren.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is. Zij heeft aangevoerd, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het Nederlandse strafrecht, dat de vordering tot alsnog verpleging van overheidswege tijdig is ingediend binnen de looptijd van de terbeschikkingstelling met voorwaarden.
De officier van justitie heeft daartoe het volgende aangevoerd. Gebleken is dat de brief van Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) van 18 december 2023 met betrekking tot een detentieperiode uit andere hoofde van 14 december 2023 tot 8 april 2024, onjuiste informatie bevat. [verdachte] zou slechts 4 dagen uit andere hoofde in detentie hebben verbleven, in plaats van de in die brief gestelde 116 dagen. De looptijd van de terbeschikkingstelling is dus slechts met 4 dagen onderbroken. Tegen de verlengingsbeslissing van de rechtbank van 15 oktober 2024, waarbij nog is uitgegaan van de juistheid van de informatie in de brief van DJI dat de looptijd van de terbeschikkingstelling met 116 dagen onderbroken is geweest, is echter geen hoger beroep ingesteld, waardoor deze beslissing onherroepelijk is geworden. Uit rechtspraak blijkt dat een eerder foutief berekende datum waarop de maatregel van terbeschikkingstelling door tijdsverloop zal eindigen geen rechtsgevolg heeft in een latere verlengingsprocedure. Indien de verlengingsvordering in 2024, achteraf bezien, te laat is ingediend, kan dat dus geen gevolgen hebben voor de onderhavige vordering tot alsnog verpleging van overheidswege.
Bovendien heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 26 februari 2026 opnieuw een terbeschikkingstelling met voorwaarden opgelegd en het vonnis van de rechtbank van
2 juni 2022 vernietigd ten aanzien van de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan. Dit arrest is op 2 maart 2026 onherroepelijk geworden. Artikel 38d, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bepaalt dat de terbeschikkingstelling geldt voor de tijd van twee jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij zij is opgelegd onherroepelijk is geworden. Als de rechtbank bij de oplegging van de terbeschikkingstelling met voorwaarden het bevel geeft dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, brengt volgens de Hoge Raad een redelijke wetsuitleg mee dat de termijn van de terbeschikkingstelling aanvangt op het ogenblik waarop het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de terbeschikkingstelling met voorwaarden ingaat. Bij de berekening van de totale duur van de terbeschikkingstelling met voorwaarden dient de periode waarin de terbeschikkinggestelde was onderworpen aan de in eerste aanleg opgelegde, dadelijk uitvoerbaar verklaarde terbeschikkingstelling met voorwaarden te worden meegerekend. De wettelijke expiratiedatum (bij telkenmale verlenging) van de door het gerechtshof onherroepelijk opgelegde maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden (behoudens eventuele opschorting daarvan op grond van artikel 6:1:19, eerste lid, onder b Sv) is 26 juni 2031, nu in deze zaak de dadelijke uitvoerbaarheid op 22 juni 2026 is ingegaan. De termijn van twee jaar als bedoeld in artikel 38d, eerste lid Sr, is echter ingegaan op 2 maart 2026 en eindigt op 2 maart 2028, overeenkomstig de overwegingen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 21 augustus 2025.
De vordering tot alsnog verpleging van overheidswege van 3 juli 2026 is daardoor tijdig ingediend, gedurende de looptijd van de terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 6:6:10, eerste lid, onder e Sv. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot alsnog verpleging van overheidswege, omdat is gebleken dat [verdachte] de voorwaarden verbonden aan de terbeschikkingstelling niet heeft nageleefd waardoor het toezicht onmogelijk is geworden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden reeds in juni 2024 vanwege tijdsverloop is geëindigd, waardoor de vordering van de officier van justitie niet tijdig is ingediend en moet worden afgewezen.
Uit de door de officier van justitie aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de looptijd van de terbeschikkingstelling start vanaf de dag dat het bevel van terbeschikkingstelling werkelijk loopt. Daarmee wordt aangesloten bij de feitelijke situatie. De looptijd van de dadelijk uitvoerbare terbeschikkingstelling met voorwaarden is in onderhavige zaak op 22 juni 2022 werkelijk gestart. Dat is per 14 augustus 2026 nogmaals bevestigd door Directie individuele zaken van DJI. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft vervolgens in februari 2026 bij het door haar gewezen arrest de dadelijke uitvoerbaarheid opgeheven, omdat [verdachte] zich positief had ontwikkeld en er geen sprake meer was van een recidiverisico. Vanwege dit arrest is echter geen nieuwe termijn van twee jaar gestart. Indien dit wel het geval zou zijn, zou voorbij worden gegaan aan de gedachte van de Hoge Raad dat moet worden aangesloten bij de situatie in de praktijk. Dat zou erop neerkomen dat de gehele looptijd van de terbeschikkingstelling zou veranderen omdat [verdachte] een positieve ontwikkeling doormaakte en de dadelijke uitvoerbaarheid om die reden door het gerechtshof is opgeheven, terwijl de terbeschikkingstelling in de praktijk onveranderd bleef doorlopen. Dat zal niet de bedoeling van de wetgever en de Hoge Raad zijn geweest.
Nu blijkt dat de brief van DJI van 18 december 2023 onjuist is en [verdachte] slechts 4 dagen uit andere hoofde in detentie heeft verbleven, is de terbeschikkingstelling automatisch per 26 juni 2024 geëindigd, omdat destijds een nadere voorziening ontbrak.
De ingediende vordering tot alsnog verpleging van 3 juli 2026 is gelet op het bovenstaande en mede in het licht van artikel 6:6:10, eerste lid, onder e Sv niet tijdig gedaan. De vordering dient te worden afgewezen.
Daarnaast heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat omzetting naar een terbeschikkingstelling met verpleging gelet op de resterende duur van de terbeschikkingstelling en de omstandigheden in de kliniek niet in het belang van [verdachte] zijn en onvoldoende is onderzocht of passende alternatieven mogelijk zijn.
[verdachte] heeft aangevoerd dat hij zich bewust is van zijn eigen fouten, maar dat hij zich niet volledig kan vinden in de bevindingen uit het reclasseringsrapport. Volgens [verdachte] ging het beter met hem toen hij over een eigen woonplek beschikte dan op dit moment, nu hij in de kliniek verblijft.
Het standpunt van de reclassering
Uit het reclasseringsrapport en de toelichting van de deskundige, J. Nap, ter terechtzitting blijkt dat de reclassering samen met het behandelteam tot de conclusie is gekomen dat een verdere voortzetting van het toezicht onmogelijk is. Geadviseerd wordt om de terbeschikkingstelling om te zetten naar een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.
Het oordeel van de rechtbank: de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Bij vonnis van 2 juni 2022 heeft de rechtbank een gevangenisstraf van 1 jaar en de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden opgelegd. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, welke dadelijke uitvoerbaarheid ingaat op het ogenblik dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf eindigt.
Op grond van artikel 38d, lid 1 Sr geldt de terbeschikkingstelling voor de tijd van twee jaar, te rekenen van de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij zij is opgelegd onherroepelijk is geworden. Op grond van artikel 38, lid 7 Sr gaat een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid echter in op het ogenblik waarop de verdachte ter tenuitvoerlegging van dit bevel wordt aangehouden, dan wel het tijdstip waarop de tenuitvoerlegging van een ander bevel tot vrijheidsbeneming, in dezelfde zaak gegeven, eindigt. Blijkens het detentieoverzicht is de in deze zaak opgelegde gevangenisstraf van 1 jaar op 21 juni 2022 geëindigd. Dit betekent dat het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid in onderhavige zaak op 21 juni 2022 is ingegaan. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is daarmee ook de termijn van de terbeschikkingstelling op 21 juni 2022 aangevangen. Nu de totale maximale periode van de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden op grond van artikel 38e, lid 2 Sr, 9 jaar is, is daarmee de expiratiedatum van de onderhavig opgelegde maatregel 21 juni 2031.
Gelet op het voorgaande liep de eerste periode van de terbeschikkingstelling van 21 juni 2022 tot 21 juni 2024. Nu uit het detentieoverzicht en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte gedurende deze eerste periode 4 dagen uit andere hoofde zijn vrijheid ontnomen is geweest, eindigde de eerste periode van de maatregel op grond van artikel 6:1:19 lid onder b Sv op 25 juni 2024. Een eventuele vordering tot verlenging van de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden had derhalve op grond van artikel 6:6:11, lid 1, Sv tussen 25 april 2024 en 25 mei 2024 bij de rechtbank ingediend moeten worden. Eerst op 30 augustus 2024 diende de officier van justitie een vordering in tot verlenging van de maatregel terbeschikkingstelling. De rechtbank heeft deze vordering op 15 oktober 2024 toegewezen en de terbeschikkingstelling met voorwaarden verlengd met twee jaar. Ten grondslag aan deze verlenging heeft een brief van DJI gelegen van 18 december 2023, waarin is vermeld dat [verdachte] van 14 december 2023 tot en met 8 april 2024 (gedurende 116 dagen) uit andere hoofde zijn vrijheid is ontnomen. De rechtbank stelt vast, zoals hiervoor al vermeld, dat de inhoud van deze brief onjuist is, gelet op het detentieoverzicht, de e-mail van officier van justitie mr. S. Koumans van 24 augustus 2026 en het onderzoek ter terechtzitting, waaruit blijkt dat [verdachte] 4 dagen uit andere hoofde (parketnummer 03-086590-19) in detentie heeft verbleven. Tegen de verlengingsbeslissing van 15 oktober 2024 is geen hoger beroep ingesteld waardoor deze beslissing onherroepelijk is geworden. Nu de vordering tot verlenging is toegewezen na de dag waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop zou zijn geëindigd indien geen vordering tot verlenging was ingediend, gaat de nieuwe termijn van twee jaar overeenkomstig artikel 6:6:11, vierde lid Sv, niettemin in op 26 juni 2024. Een ander oordeel zou volgens de rechtbank in strijd zijn met de bedoeling van de wetgever zoals deze uit voornoemd artikel blijkt. Dat betekent dat de tweede periode van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, behoudens nadere voorziening, zou eindigen op 26 juni 2026.
Anders dan het Openbaar Ministerie is de rechtbank van oordeel dat het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 februari 2026 in hoger beroep van het veroordelend vonnis van de rechtbank Limburg van 2 juni 2022 het voorgaande niet anders maakt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 26 november 2024, onder verwijzing naar het arrest van 3 maart 2020, overwogen dat wanneer de rechter bij de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden het bevel geeft dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, een redelijke wetsuitleg meebrengt dat de termijn van de maatregel van terbeschikkingstelling start op het ogenblik waarop het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de terbeschikkingstelling met voorwaarden ingaat.
Voorts overwoog de Hoge Raad in dit verband het volgende. ‘In aanmerking genomen dat de termijn van de dadelijk uitvoerbaar verklaarde terbeschikkingstelling met voorwaarden al begint op het ogenblik waarop het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de terbeschikkingstelling met voorwaarden ingaat en dat vanaf dat moment het toezicht op de verdachte – welk toezicht wordt beschouwd als “een cruciaal element” van de terbeschikkingstelling met voorwaarden – kan worden uitgeoefend, terwijl uit artikel 38d Sr kan worden afgeleid dat de wetgever de duur van de terbeschikkingstelling heeft willen beperken tot twee jaren met de mogelijkheid van aansluitende verlenging, brengt een redelijke wetsuitleg mee dat de termijn van de nog niet onherroepelijke, dadelijk uitvoerbaar verklaarde terbeschikkingstelling (met voorwaarden) twee jaren na het begin van die termijn kan worden verlengd overeenkomstig artikel 38d lid 2 Sr.’
Verder overwoog de Hoge Raad in dit arrest dat als het gerechtshof in het hoger beroep in de onderliggende strafzaak binnen de eerste termijn van twee jaren in navolging van de rechtbank een dadelijk uitvoerbare terbeschikkingstelling met voorwaarden oplegt, die terbeschikkingstelling op grond van artikel 38d, lid 1 Sr geldt voor de tijd van twee jaren vanaf de datum van het arrest van het hof. In dat geval kan een (afzonderlijke beslissing op een) vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling achterwege blijven.
Tot slot overwoog de Hoge Raad in dit arrest onder meer dat in het geval waarin het hof het vonnis van de rechtbank vernietigt en het de dadelijke uitvoerbaarheid van de terbeschikkingstelling met voorwaarden wil beëindigen, het op grond van artikel 6:6:6 Sv de dadelijke uitvoerbaarheid moet opheffen .
De rechtbank verbindt in de onderhavige strafzaak aan het arrest van de Hoge Raad niet de conclusie die de officier van justitie hieraan verbindt als het gaat om de verlenging van de looptijd van de terbeschikkingstelling met voorwaarden door het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 februari 2026. Allereerst overweegt de rechtbank dat de omstandigheden in onderhavige zaak anders zijn dan in de zaak die ten grondslag lag aan voornoemd arrest van de Hoge Raad. In onderhavig geval lag en ligt er in het geheel geen vordering tot verlenging van de maatregel tot terbeschikkingstelling en er is bovendien geen sprake van een onherroepelijk geworden arrest binnen de eerste termijn van twee jaar waarin de maatregel tot terbeschikkingstelling liep (van 21 juni 2022 tot en met 25 juni 2024). Daarnaast heeft het gerechtshof in het arrest van 26 februari 2026 de terbeschikkingstelling niet dadelijk uitvoerbaar verklaard. Het gerechtshof heeft het vonnis ten aanzien van de oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden bevestigd en slechts ten aanzien van de dadelijke uitvoerbaarheid vernietigd. Het gerechtshof heeft het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid niet opgeheven.
De rechtbank overweegt verder dat de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis voor ogen stond dat duur en intensiteit van de dadelijk uitvoerbaar verklaarde terbeschikkingstelling met voorwaarden zo veel mogelijk op maat gesneden moeten worden voor de terbeschikkinggestelde en dat de rechter de duur van de terbeschikkingstelling met voorwaarden zoveel mogelijk kan en moet afstemmen op de individuele problematiek van de ter beschikking gestelde en de ontwikkeling die hij of zij doormaakt. Deze gedachte en het doel van de dadelijk uitvoerbaar verklaarde terbeschikkingstelling met voorwaarden zouden niet alleen worden doorkruist indien wettelijke termijnen voor (het indienen van vorderingen tot) verlenging niet in acht genomen zouden worden, maar ook indien de terbeschikkingstelling met voorwaarden ook ná die eerste termijn van twee jaren - ongeacht de omstandigheden van het specifieke geval - te allen tijden automatisch opnieuw zou gaan lopen enkel als gevolg van de bevestiging van het vonnis in de onderliggende strafzaak in hoger beroep en daarmee het onherroepelijk worden van het vonnis waarbij die terbeschikkingstelling met voorwaarden, met dadelijke uitvoerbaarheid, is opgelegd.
De rechtbank vindt voor haar oordeel in dezen ook steun in de algemene en bestendige lijn in de jurisprudentie dat bij een afweging van de belangen van de terbeschikkinggestelde en die van de maatschappij naarmate de maatregel van de terbeschikkingstelling langer duurt, het belang van de ter beschikking gestelde steeds zwaarder dient te wegen (zie o.m. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 januari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1255 en 10 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1064). Die afweging moet rekenschap geven van een kritische beoordeling van alle individuele omstandigheden en ontwikkelingen van de ter beschikking gestelde.
In de onderhavige zaak zou het uitgangspunt dat de officier van justitie hanteert, te weten dat louter met het onherroepelijk worden van het arrest van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch op 2 maart 2026 de termijn van de terbeschikkingstelling automatisch weer voor een termijn van twee jaar zou zijn gaan lopen, betekenen dat de terbeschikkingstelling automatisch voor een tweede keer zou worden verlengd, enkel als gevolg van een arrest van het gerechtshof in de onderliggende strafzaak, welk arrest pas drie jaar en negen maanden na het vonnis onherroepelijk is geworden. Bovendien heeft het gerechtshof het vonnis van de rechtbank bevestigd, maar vernietigd voor zover bij dat vonnis de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden is opgelegd. Reden hiervoor is nu juist dat het gerechtshof niet meer is gebleken dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Ook uit de aan het arrest van het gerechtshof ten grondslag liggende deskundigenrapportages en de overwegingen van het gerechtshof zelf blijkt dat de veroordeelde door de geboden behandeling zich met name sinds 2024 positief had ontwikkeld. Door desalniettemin aan het arrest van het gerechtshof automatisch het gevolg te verbinden van een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar, zou volledig worden voorbijgegaan aan het feit dat het arrest pas nagenoeg drie jaar en negen maanden na het vonnis is gewezen. Bovendien had bij een tweede vordering tot verlenging de mogelijkheid bestaan de verlenging – gelet op de positieve ontwikkelingen van de veroordeelde – te beperken tot één jaar. Juist in deze mogelijkheid, het debat dat hierover kan worden gevoerd tijdens de behandeling ter terechtzitting van een verlengingsvordering, waarbij ook de verdediging haar belangen ten aanzien van dit specifieke aspect kan bepleiten conform artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), zit de door de wetgever gewenste mogelijkheid om de maatregel af te stemmen op de individuele problematiek van de ter beschikking gestelde en de ontwikkeling die hij of zij doormaakt. Kortom, de mogelijkheid tot maatwerk. De rechtbank overweegt hierbij dat ook tijdens de behandeling ter terechtzitting van onderhavige zaak is gebleken hoe belangrijk het voor de terbeschikkinggestelde is dat de maatregel van terbeschikkingstelling niet verwordt tot een automatische opeenvolging van verlengingen, maar steeds ruimte laat om rekening te houden met de persoonlijke individuele ontwikkeling van de terbeschikkinggestelde en het kunnen bieden van perspectief. Dit op grond van artikel 6 EVRM beschermde belang gaat juist naarmate de maatregel van terbeschikkingstelling langer loopt, conform de bestendige jurisprudentie, steeds zwaarder wegen. Het onder deze omstandigheden desalniettemin automatisch verbinden van een verlenging van twee jaar aan het arrest van het gerechtshof doet bovendien geen recht aan de taak van de officier van justitie om zich binnen wettelijke bepaalde termijnen te vergewissen van het (soms grillige) verloop van de maatregel en de stand van zaken rondom een terbeschikkinggestelde en daarop te acteren bij het indienen van een vordering tot verlenging. Het verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank ook niet met de overwegingen van de wetgever bij de totstandkoming van de regelgeving rondom de dadelijk uitvoerbare terbeschikkingstelling zoals hiervoor al aangehaald, en evenmin met de hiervoor aangehaalde lijn in de jurisprudentie over hoe de belangen van de terbeschikkinggestelde moeten meewegen in de vraag naar nut en noodzaak van de terbeschikkingstelling naarmate deze maatregel langer duurt. Het verdraagt zich, ten slotte, naar het oordeel van de rechtbank ook niet met eisen van procedurele zorgvuldigheid die de zwaarte en de implicaties van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, waartoe de officier van justitie nu een omzettingsvordering heeft ingediend, vergen.
De rechtbank is daarom van oordeel dat 25 juni 2026 als einddatum van de tweede termijn van de terbeschikkingstelling met voorwaarden heeft te gelden en dat het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 februari 2026, zoals dat onherroepelijk is geworden op 2 maart 2026, niet tot gevolg heeft dat de maatregel tot terbeschikkingstelling wederom met twee jaar is verlengd.
Nu de officier van justitie geen verlengingsvordering bij de rechtbank heeft ingediend, heeft de rechtbank geen beslissing kunnen nemen over een eventuele verlenging van de terbeschikkingstelling. Uit het voorgaande volgt dat de looptijd van de terbeschikkingstelling met voorwaarden op 25 juni 2026 daadwerkelijk is geëindigd.
Op grond van artikel 6:6:10, lid 1, onder e Sv, is de rechtbank slechts bevoegd om gedurende de looptijd van de terbeschikkingstelling met voorwaarden te beslissen dat de ter beschikking gestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd. Nu de vordering tot het alsnog verplegen van overheidswege op 3 juli 2026 is ingediend, is deze vordering niet gedurende de looptijd van de terbeschikkingstelling ingediend.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
De beslissing
De rechtbank:
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot alsnog verpleging van overheidswege.
Deze beslissing is gegeven door mr. dr. M.M. Koevoets, voorzitter,
mr. R.A.M.M. Gijselaers en mr. J. Linders, rechters, in tegenwoordigheid van
mr. B.H.G. Staals, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting van 14 september 2026.
Mr. dr. M.M. Koevoets en de griffier zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.