RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 september 2015 in de zaak tussen
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 15/1599
[eiser] , h.o.d.n. [hotel] , eiser
(gemachtigde: mr. R.J.C. Bindels),
en
de burgemeester van Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Verkerk).
Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de vergunning van eiser voor het exploiteren van het [hotel] (het hotel) op [adres] te [woonplaats] twee weken na de uitreiking van het besluit in te trekken en tevens bepaald dat gedurende zes maanden geen nieuwe exploitatievergunning zal worden verleend. In het primaire besluit heeft verweerder meegedeeld dat eiser het hotel direct na intrekking moet sluiten en gesloten moet houden.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Bij uitspraak van 19 december 2014 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.
Bij besluit van 26 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, voorzitter, en mr. R.J. Praamstra en
mr. J.E. Visser, leden, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2015.
- de griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen -
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.