RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2016 in de zaak tussen
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 16/3223
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.S. Wijling),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, verweerder
(gemachtigde: mr. W.L. van der Heijden).
Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen: [A] en [B], te Soest.
Procesverloop
Bij besluit van 24 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder [A] en [B] onder oplegging van een dwangsom gelast om de overtredingen op het perceel [adres] te [woonplaats] ongedaan te maken. Bij besluit van 31 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiser daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2016. Eiser is vertegenwoordigd door zijn zoon, [C] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is niet verschenen.
Overwegingen
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Lanshage, rechter, in aanwezigheid van mr. J.K. van de Poel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2016.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.