ECLI:NL:RBMNE:2017:1580

ECLI:NL:RBMNE:2017:1580, Rechtbank Midden-Nederland, 15-03-2017, AWB - 14 _ 4671

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 15-03-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB - 14 _ 4671
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2018:3120
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

MK. Planschade. Eindusp na tussenusp en inschakelen StAB. Evt. vergoeding ogv Waterwet sluit plan. schade niet uit. Aanwijzing als waterbergingsgebied leidt tot schade. Normaal maatsch risico, Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 maart 2017 in de zaak tussen

[eisers] , allen te [woonplaats] , eisers

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leusden, verweerder

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 14/4671, UTR 14/4676, UTR 14/4682 en UTR 14/4686.

(gemachtigde: mr. J.T.A.M. van Mierlo),

en

(gemachtigden: mr. C.A. Lindhout en mr. S.K. van Solman).

Procesverloop

Bij een viertal besluiten van 18 december 2012 heeft verweerder de door de respectievelijke eisers gedane verzoeken om tegemoetkoming in planschade op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) afgewezen. Bij een viertal besluiten van 26 juni 2014 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de door eisers daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.

De beroepen zijn ter zitting van 31 maart 2015 gevoegd behandeld. [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door Van Solman en drs. P.J.A.M. van Bragt, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ).

De rechtbank heeft het onderzoek heropend en de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Op 8 mei 2015 heeft de rechtbank de definitieve opdracht naar de StAB gestuurd.

Eisers hebben op 1 juli 2015 een second opinion overgelegd van Kraan & De Jong, Adviesbureau onroerende zaken en lokale heffingen, van 26 juni 2015.

Op 5 oktober 2015 heeft de StAB het definitieve verslag aan de rechtbank uitgebracht.Eisers hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid om op dit definitieve verslag te reageren.

Op 6 april 2016 heeft een nadere zitting plaatsgevonden. De beroepen zijn opnieuw gevoegd behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en Van Bragt.

Bij tussenuitspraak van 30 augustus 2016, verzonden 31 augustus 2016, (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak bij brief van 20 oktober 2016 een aanvullende motivering ingediend.

Eisers hebben hierop bij brief van 18 november 2016 een zienswijze gegeven.

De rechtbank heeft bij brief van 14 december 2016 aan partijen medegedeeld dat het onderzoek wordt gesloten en dat zij uitspraak zal doen.

Overwegingen

9. Eisers betogen dat verweerder zich zonder een nadere motivering en zonder een onderscheid te maken tussen directe en indirecte planschade niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het normaal maatschappelijk risico in dit geval op 2% wordt gesteld.

10. In de tussenuitspraak is in overweging 29 geoordeeld dat verweerder zich op de voet van dan wel analoog aan artikel 6.2, tweede lid, van de Wro op het standpunt heeft kunnen stellen dat (in ieder geval) 2% van de waarde van de onroerende zaken onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de schade voor rekening van eisers blijft. Zij ziet in hetgeen eisers hierover thans stellen geen aanleiding daarvan terug te komen.

11. De rechtbank is, zoals in overweging 6 is overwogen, van oordeel dat het aan verweerder is om de (absolute) omvang van de waardevermindering en de (absolute) omvang van het normaal maatschappelijk risico vast te stellen alvorens te kunnen concluderen of er al dan niet sprake is van schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Zaaknummer UTR 14/1676 inzake [eiser 2]

12. Verweerder heeft in de brief van 20 oktober 2016 aan de hand van de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ en een luchtfoto van Google Earth toegelicht dat de kuilvoederplaats in ieder geval voor het grootste gedeelte binnen het niet aangewezen bouwperceel van [eiser 2] is gelegen. Een klein gedeelte van de kuilvoederplaats ligt mogelijk niet binnen het bouwperceel. Dit gedeelte is dan gelegen op een strook grond die wel een agrarische bestemming heeft, maar niet hoort bij het bouwperceel en evenmin de bestemming ‘tijdelijke waterberging’ heeft.

13. [eiser 2] heeft betoogd dat de door verweerder gebruikte kaarten onvoldoende duidelijk zijn. Hij blijft bij zijn eerder ingenomen standpunt.

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de in de brief van 20 oktober 2016 getoonde kaarten voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de kuilvoederplaats op het perceel van [eiser 2] niet valt binnen de bestemming ‘tijdelijke waterberging’. In zoverre slaagt het beroep niet.

Conclusie

15. De bestreden besluiten zijn, zoals in overweging 34 van de tussenuitspraak is geoordeeld, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen. De in de tussenuitspraak genoemde gebreken zijn, gelet op hetgeen in overweging 5 en 6 van deze einduitspraak is overwogen, niet volledig hersteld. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank ziet, gelet op het feit dat verweerder al een keer de gelegenheid is geboden om de gebreken in het kader van de nu voorliggende procedure te herstellen, geen aanleiding voor het wederom toepassen van een bestuurlijke lus. Dit betekent dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de bezwaren van eisers tegen de besluiten van 18 december 2012. De rechtbank geeft verweerder daarbij in overweging om, gelet op hetgeen onder 6 is overwogen, een taxateur in te schakelen om de waarde van de onroerende zaken voor en na de planologische wijziging te bepalen, teneinde vervolgens te kunnen beoordelen of de schade al dan niet binnen het normaal maatschappelijk risico valt. Om die reden stelt de rechtbank de termijn waarbinnen verweerder opnieuw op de bezwaren van eisers dient te beslissen op tien weken na de verzending van deze uitspraak.

15. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers in beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 2.970,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 31 maart 2015, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na deskundigenonderzoek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 6 april 2016, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus, waarde per punt € 495,-, wegingsfactor 1,5 in verband met vier samenhangende zaken) als kosten voor verleende rechtsbijstand. Op het in bezwaar gedane verzoek om vergoeding van de kosten van juridische bijstand dient verweerder bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar te beslissen. Op grond van artikel 8:74 van de Awb dient verweerder ook het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. ing. B. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. J.K. van de Poel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. N.M. Spelt
  • mr. J.M. Willems
  • mr. ing. B. Rademaker

Griffier

  • mr. J.K. van de Poel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl AR 2017/1907 OGR-Updates.nl 2017-0090
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?