RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster
de burgemeester van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 17/1603
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. T.S. van der Horst),
en
(gemachtigden: mr. R.R.A. Vianen en N. van Zelst).
Procesverloop
Bij besluit van 10 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten tot sluiting van de woning van verzoekster aan de [adres] te [woonplaats] voor een periode van drie maanden.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2017, waar gelijktijdig de zaken met nummers UTR 17/1611 en 17/1612 zijn behandeld. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
11. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat verweerder er in slaagt om de hiervoor geconstateerde tekortkomingen in het primaire besluit (overwegingen 7 en 9) te repareren in het nog te nemen besluit op bezwaar. Daarbij merkt de voorzieningenrechter wel op dat dit bij de huidige feitelijke stand van zaken, geen eenvoudige opgave zal zijn. Gelet hierop en gelet op de grote belangen aan de kant van verzoekster bij het behouden van toegang tot haar woonruimte, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat de woonwagen van verzoekster niet wordt gesloten. De voorzieningenrechter schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar voor zover daarbij de woonwagen van verzoekster (inclusief het eigen schuurtje direct ernaast) wordt gesloten. Buiten deze voorziening valt dus uitdrukkelijk de gezamenlijke schuur waar de hennepplantage is aangetroffen.
11. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
11. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 990,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2017.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.