RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2017 in de zaak tussen
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 16/1956
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. drs. I.F.M. Kwint),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder
(gemachtigde: mr. R.C. Alblas).
Procesverloop
Bij besluit van 25 augustus 2015 heeft verweerder [vergunninghouder] (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van het gebruik van het pand [adres] te [woonplaats] (het pand) ten behoeve van kamerverhuur. Bij besluit van 7 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiser daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het beroep met zaaknummer UTR 16/3422, plaatsgevonden op 27 juli 2016. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om als derde-partij aan de procedure deel te nemen.
Bij tussenuitspraak van 19 oktober 2016, verzonden 26 oktober 2016, heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om de in de tussenuitspraak genoemde gebreken binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen, dan wel binnen twee weken na de bedoelde verzending te laten weten dat hij van deze mogelijkheid geen gebruik maakt.
Bij brief van 23 november 2016 heeft verweerder te kennen gegeven dat hij geen gebruik maakt van de mogelijkheid om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
De rechtbank heeft bij brief van 28 november 2016 aan partijen medegedeeld dat het onderzoek wordt gesloten en dat zij uitspraak zal doen.
Overwegingen
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 7 maart 2016;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 25 augustus 2015 met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 755,10;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Lanshage, rechter, in aanwezigheid van mr. J.K. van de Poel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2017.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.