RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 november 2017 in de zaak tussen
dr. [eiser] , te [woonplaats] , eiser
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 17/851
(gemachtigde: mr. D.S. Muller),
en
Het Algemeen Bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, verweerder
(gemachtigden: mr. S. van Heukelom-Verhage en mr. [gemachtigde] ).
Procesverloop
Bij besluit van 18 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder bevestigd dat aan eiser een Veni-subsidie van € 250.000,- is toegekend en eisers verzoek om de meerkosten te vergoeden afgewezen.
Bij besluit van 18 augustus 2016 heeft verweerder aan eiser alsnog een vergoeding van € 1.513,38 toegekend voor de tijd die hij heeft besteed aan het herschrijven van zijn onderzoeksvoorstel.
Bij besluit van 18 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
De voorafgaande procedure en wat daarna is gebeurd
Uit dat wat eiser heeft aangevoerd valt niet af te leiden dat verweerder zijn verzoek om een Veni-subsidie te verlenen niet rechtmatig had kunnen afwijzen, wat voor eiser naar aard en omvang dezelfde financiële gevolgen zou hebben gehad. De verwijzing van eiser naar de uitspraken in zijn eerdere zaak van deze rechtbank van 19 december 2014 en de ABRvS van 4 november 2015 leidt de rechtbank niet tot een andere conclusie. Deze rechtbank heeft in de uitspraak van 19 december 2015 immers alleen bepaald dat aan eiser een subsidie van € 250.000,- wordt toegekend omdat het onredelijk is indien eiser de gevolgen moet dragen voor de door verweerder zelf vastgestelde onzorgvuldige besluitvorming in de primaire fase en het gegeven dat verweerder het primaire besluit in bezwaar niet wil of kan heroverwogen op de door de rechtbank voorgestane ex-tunc-manier. Vervolgens heeft de ABRvS in de uitspraak van 4 november 2015 overwogen dat verweerder ter zitting heeft erkend dat eiser met een voorlopige score van 1,9 voor zijn voorstel en een derde plaats op de voorlopige prioriteitenlijst in subsidieronde Veni 2012 een uitstekende uitgangspositie had en dat indien eiser een gemiddelde score zou hebben behaald voor zijn interview, de score zo zou zijn dat eiser op de prioriteitenlijst op plaats elf of hoger zou zijn geëindigd en daarmee aanspraak zou hebben gemaakt op de gevraagde subsidie. Weliswaar bestond er dus een goede kans dat eiser aanspraak kon maken op de gevraagde subsidie, maar daarin zit naar het oordeel van de rechtbank een te grote mate van onzekerheid om als voldoende vaststaand van een daadwerkelijke subsidieverlening bij rechtmatige besluitvorming uit te gaan. Met andere woorden komt het hierop neer. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 19 december 2014 uit een oogpunt van risicoverdeling de lasten bij verweerder neergelegd; verweerder wilde of kon immers niet de hernieuwde beoordeling uitvoeren die de rechtbank nodig had gevonden om tot een rechtmatige toekenningsbeslissing te komen en daarom moest hij en niet eiser het risico dragen. Die risicoverdeling wil nog niet zeggen dat ook aannemelijk is dat als verweerder die herbeoordeling wel volgens de aanwijzingen van de rechtbank had uitgevoerd wél tot subsidieverlening was overgegaan. De door eiser bedoelde overwegingen van de Afdeling in haar uitspraak van 4 november 2015 veranderen daar niets aan; die drukken alleen uit dat eiser in een goede uitgangspositie zat, maar dat geeft geen zekerheid over de uiteindelijke afloop.
Met de stelling van eiser dat het op de weg van verweerder ligt om het tegendeel, namelijk dat na een hernieuwde beoordeling géén subsidie zou zijn toegekend, te bewijzen, miskent eiser de bewijspositie waarin hij verkeert. De rechtbank verwijst naar dat wat hiervoor is overwogen onder 9. Waar eiser meent dat hij op dit punt in bewijsnood verkeert, volgt de rechtbank dat niet. Hoewel het enige creativiteit van eiser had gevergd om nader bewijs te leveren, waren er daarvoor voldoende mogelijkheden. Zo had eiser de oordeelscommissie kunnen oproepen om ter zitting als getuige te verschijnen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder wel subsidie zou hebben toegekend of zou moeten hebben toekennen, laat staan dat hij meer zou hebben toegekend dan de uiteindelijke € 250.000,-.
De rechtbank concludeert daarom dat een voor schadevergoeding vereist rechtstreeks oorzakelijk verband tussen het besluit van 19 juli 2012 en de door eiser gestelde schade ontbreekt.
12. De rechtbank begrijpt eisers beroepsgronden ook zo dat hij meent recht te hebben op vergoeding van vertragingsschade. In de regel vindt de vergoeding van vertragingsschade in een geval als hier voorligt plaats in de vorm van wettelijke rente. De rechtbank leidt uit het dossier af dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen drie periodes waarin er mogelijkerwijs een betalingsverplichting voor verweerder bestond, maar dat die betaling is uitgebleven. De eerste periode loopt van het moment van subsidieverlening met de uitspraak van deze rechtbank van 19 december 2014 tot de uitspraak van de ABRvS van 4 november 2015. De tweede periode begint met de uitspraak van de ABRvS van 4 november 2015 en eindigt op 1 september 2016, de na de uitspraak van de ABRvS door eiser beoogde startdatum van het onderzoek. De derde periode begint op 1 september 2016 en eindigt op 1 januari 2017. Over de eerste periode overweegt de rechtbank het volgende. Met de uitspraak van deze rechtbank van 19 december 2014 is aan eiser een subsidie verleend. Daarmee is weliswaar voor verweerder de verplichting ontstaan om in de (als het even kan nabije) toekomst ook daadwerkelijk tot betaling van het bedrag over te gaan, maar dat heeft nog geen betalingsverplichting opgeleverd die bij het uitblijven van betaling kan leiden tot de verschuldigdheid van wettelijke rente. Ter zitting heeft verweerder in dit verband toegelicht dat eiser om bevoorschotting van de verleende subsidie had kunnen vragen. Dat heeft eiser niet gedaan. Dat eiser van mening is dat hij zich op dat moment in een onzekere positie bevond, gelet op het door verweerder ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van deze rechtbank, leidt niet tot een andere conclusie. Hij heeft kennelijk zijn risico's afgewogen en daarin een keuze gemaakt. Die risicoafweging van eiser komt niet voor rekening van verweerder. Als al voor de tweede periode zou moeten worden geconcludeerd dat er vanaf de Afdelingsuitspraak een betalingsverplichting bestond, wat verweerder gemotiveerd heeft betwist, dan kan in ieder geval niet worden geconcludeerd dat het uitblijven van een betaling verweerder kan worden verweten. Het is immers eiser zelf geweest die in eerste instantie na de uitspraak van de ABRvS voor de startdatum van 1 september 2016 heeft gekozen. De stelling dat eiser tijd nodig had om zijn onderzoeksvoorstel aan te passen en daarom niet eerder dan 1 september 2016 met zijn onderzoek kon beginnen, komt de rechtbank merkwaardig voor. Gebleken is immers dat eiser vijf werkdagen nodig heeft gehad om zijn onderzoeksvoorstel aan te passen, zodat niet valt in te zien dat eiser voor die relatief beperkte tijdsinspanning vanaf 4 november 2015 niet eerder tijd heeft kunnen vrijmaken.Voor de derde periode geldt dat als al zou moeten worden geconcludeerd dat er vanaf 1 september 2016 een betalingsverplichting bestond, wat verweerder zoals gezegd gemotiveerd heeft betwist, de rechtbank eiser niet volgt in zijn betoog dat de opgelopen vertraging, die volgens eiser ontstaan is omdat hij niet tijdig op de hoogte is geraakt van het primaire besluit, hij de benodigde zogenoemde startformulieren niet had ontvangen en hij zich daarom al had gecommitteerd aan onderwijstaken vanaf 1 september 2016, verweerder is aan te rekenen. Ter zitting is namelijk gebleken dat eiser al voor de zomervakantie, begin juni 2016, bij de RUG een wijziging in zijn aanstelling moest doorgeven. Niet valt gelet hierop in te zien waarom eiser tot eind juni heeft gewacht met het indienen van een gewijzigd onderzoeksvoorstel. Dat verweerder volgens eiser niet zou hebben gereageerd op zijn verzoek om een deadline te geven voor het indienen van het gewijzigde onderzoeksvoorstel is geen argument om hier anders over te oordelen. Verweerder had adequater kunnen reageren op de brieven van eiser, maar eiser was op dat moment zelf aan zet om een gewijzigd onderzoeksvoorstel te doen en daarbij rekening te houden met een redelijke termijn voor de daarna noodzakelijke besluitvorming. De noodzaak het onderzoek uiteindelijk door te schuiven naar 1 januari 2017 wordt vooral veroorzaakt door eisers late indiening van het gewijzigde voorstel. Ook het aangaan van onderwijsverplichtingen is de eigen verantwoordelijkheid van eiser en kan verweerder niet worden aangerekend. Dat eiser stelt de zogenoemde starformulieren niet tijdig te hebben ontvangen, leidt niet tot een andere conclusie. Ter zitting heeft verweerder namelijk toegelicht dat die startformulieren niet in de weg hadden gestaan aan de start van eisers onderzoek per 1 september 2016. Tot slot volgt de rechtbank verweerder in het standpunt dat verweerder mocht uitgaan van het opgegeven adres bij de RUG. Los van het feit dat de subsidie uiteindelijk wordt gestort op de rekening van de kennisinstelling en het daarom in de rede ligt dergelijke besluiten aan de kennisinstelling te sturen, heeft eiser dit adres op zijn aanvraag vermeld en nadien geen adreswijziging doorgegeven. Het is de eigen verantwoordelijkheid van eiser om gedurende een lopende besluitvormingsprocedure over zijn subsidieaanvraag ervoor te zorgen dat hij op de hoogte is van de aan dat adres verzonden post. Dat eiser ook op andere wijze, per e-mail of op zijn privéadres, met verweerder communiceerde, schept niet het recht alle correspondentie via die weg te ontvangen.
12. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat verweerder eisers verzoek om schadevergoeding wegens opgelopen vertraging terecht heeft afgewezen.
12. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn betoog dat verweerder het misgelopen salaris omdat hij geen tijd heeft besteed aan het onderzoek in de periode van 1 september 2016 tot 1 januari 2017 zou moeten vergoeden. Het misgelopen salaris kan niet worden gekwalificeerd als schade. Eiser heeft in die periode immers geen onderzoek verricht waar salarisbetalingen tegenover zouden moeten staan. Eiser was in die periode, zoals hij ter zitting ook heeft bevestigd, vrijgesteld van onderzoeksverplichtingen. Daarnaast heeft de verplaatsing van de start van het onderzoek niet tot vermindering van de aan hem verleende subsidie geleid, zodat ook om die reden niet gesproken zou kunnen worden van schade.
12. De rechtbank komt gelet op het voorgaande niet toe aan een beoordeling van de door de RUG gegeven inbeddingsgarantie en de vervolgbrief van 11 september 2017.
12. Eiser voert tot slot aan dat verweerder ten onrechte Gedragscode 2014 van toepassing heeft geacht, aangezien het juridisch gezien een toekenning over subsidiejaar 2012 is en de toekenning "ex tunc" heeft plaatsgevonden.
12. De rechtbank overweegt dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat de Gedragscode 2014 niet of nauwelijks verschilt van Gedragscode 2012. Ook is ter zitting gebleken dat eiser daar niet anders over denkt. Verder zijn partijen het erover eens dat de Gedragscode 2014 sowieso op eiser van toepassing is, omdat hij werkzaam is bij de RUG. Verder heeft verweerder ter zitting bevestigd zich niet te verzetten tegen van toepassing verklaring van de Gedragscode 2012 op eiser. Al met al komt de rechtbank gelet hierop tot de conclusie dat het lood om oud ijzer is. De besluitvorming is op dit punt niet onrechtmatig.
12. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. O. Veldman en mr. J.W.L. Broeksteeg, leden, in aanwezigheid van mr. J.P.A. ter Schure, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2017.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.