RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2017 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Belastingdienst / Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 17/333-E
(gemachtigde: mr. E.C. Gelok),
en
(gemachtigde: mr. L.H.E. van Dijk).
Procesverloop
Bij besluit van 20 juni 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eisers toeslagen over 2015 (opnieuw) berekend en het voorschot zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag vastgesteld op nihil en het teveel betaalde voorschot van eiser teruggevorderd.
Bij besluit van 21 juni 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eisers toeslagen over 2016 (opnieuw) berekend en het voorschot zorgtoeslag vastgesteld op nihil, het voorschot kindgebonden budget op € 260,- en het voorschot huurtoeslag op € 442,-. Verder heeft verweerder het teveel betaalde voorschot van eiser teruggevorderd.
Bij besluit van 12 december 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder de bezwaren van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld.
Met het besluit van 22 maart 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bestreden besluit 1 gewijzigd.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen A. Matti, tolk.
Vervolgens heeft de rechtbank op 8 juni 2017 een tussenuitspraak gedaan en verweerder in de gelegenheid gesteld het in het bestreden besluit geconstateerde gebrek te herstellen.
Met de brief van 11 augustus 2017 heeft verweerder in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
Bij brief van 8 september 2017 heeft eiser hierop een zienswijze ingediend.
Vervolgens heeft de rechtbank bepaalt dat er geen nader onderzoek ter zitting wordt gedaan en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Beslissing
De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiser;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.237,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P.A. ter Schure, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2017.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.