RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 februari 2017 in de zaak tussen
RTL Nieuws, te Hilversum, eiseres
de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 15/4934
(gemachtigden: P.C. Klein en R.J.E. Vleugels),
en
(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).
Procesverloop
Bij besluit van 10 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres tot openbaarmaking van alle documenten met betrekking tot de politiek-bestuurlijke afhandeling van de vliegramp met de MH-17 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk ingewilligd.
Bij besluit van 11 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2016, waar het beroep gezamenlijk met de beroepen met nummers UTR 15/4950 en UTR 15/5091, is behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door R.J.E. Vleugels. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. D.W.M. Wenders en E. van Kappen.
Bij tussenuitspraak van 3 juni 2016 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
Bij tweede tussenuitspraak van 21 juli 2016 (de verlengingsuitspraak) heeft de rechtbank de termijn die zij verweerder heeft gegeven om de gebreken te herstellen, verlengd tot 26 augustus 2016.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak op 26 augustus 2016 een aanvullend besluit op bezwaar genomen.
Eiseres heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.
Op 19 januari 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen de juiste versie van documenten 108 en 147 over te leggen. Bij brief van 24 januari 2017 heeft verweerder deze documenten aan het dossier toegevoegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Overwegingen
8. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat verweerder ten onrechte in alle documenten getiteld “Situatieschets en duiding” de volledige tekst onder het kopje Duiding heeft weggelakt op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob, omdat sommige bulletpoints feitelijke gegevens en beschrijvingen bevatten, die niet zodanig verweven zijn met persoonlijke beleidsopvattingen dat ze niet los daarvan gelezen kunnen worden. De rechtbank heeft verweerder daarom in de gelegenheid gesteld alle tekst onder het kopje Duiding opnieuw door te nemen en te beoordelen. In zijn besluit van 26 augustus 2016 heeft verweerder van deze gelegenheid gebruik gemaakt en de tekst onder het kopje Duiding in alle documenten “Situatieschets en duiding” grotendeels openbaar gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door verweerder nu nog geweigerde passages onder dit kopje op goede gronden geweigerd. De daaraan ten grondslag gelegde weigeringsgronden kunnen de weigering tot openbaarmaking steeds dragen.
9. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank met betrekking tot de documenten 113, 145 en 166A overwogen dat verweerder terecht heeft geweigerd passages uit deze documenten openbaar te maken. In de door eiseres over deze documenten in de zienswijze gemaakte opmerkingen ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval dat rechtvaardigt dat de rechtbank op dit punt terugkomt van haar tussenuitspraak.
10. De rechtbank constateert verder dat verweerder de tekst achter de vijfde bulletpoint in document 21 opnieuw heeft geweigerd en aan deze weigering nu de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, onder a en g, van de Wob ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank is evenwel van oordeel dat ook deze weigeringsgronden de weigering tot openbaarmaking niet kunnen dragen. Met betrekking tot document 157 merkt de rechtbank naar aanleiding van de zienswijze van eiseres hierover op dat over de weigering tot openbaarmaking van de passages op pagina’s 2 en 3 in de tussenuitspraak al is geoordeeld. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt is de weigering van deze passages door de rechtbank in de tussenuitspraak akkoord bevonden.
10. De rechtbank overweegt dat met betrekking tot de in de tussenuitspraak genoemde documenten die in deze einduitspraak niet concreet zijn genoemd, de herstelpoging van verweerder geslaagd is en geen aanleiding geeft tot nadere opmerkingen.
10. Gelet op de in de tussenuitspraak en de hiervoor genoemde geconstateerde gebreken zijn de beroepen gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het besluit van 26 augustus 2016 in zoverre. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het primaire besluit wordt herroepen voor zover verweerder daarbij heeft geweigerd de verslagen van de MCCb en de in rechtsoverwegingen 6 en 10 genoemde passages in de documenten 19, 21, 24, 58, 104 en 118 openbaar te maken. De rechtbank bepaalt dat deze (passages in deze) documenten openbaar worden gemaakt. Verweerder wordt opgedragen om binnen zes weken uitvoering te geven aan deze uitspraak. Daarmee heeft verweerder indien gewenst de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen deze uitspraak en de voorzitter van de ABRvS te verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen die de werking van deze uitspraak opschort.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten stelt de rechtbank op grond van het voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding een punt toe te kennen voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, omdat eiseres heeft volstaan met te verwijzen naar de zienswijze zoals die is uitgebracht in de zaken met nummers UTR 15/4950 en UTR 15/5091.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen zes weken uitvoering te geven aan deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Praamstra, voorzitter, en mr. G.A. Bouter-Rijksen en mr. T. Pavićević, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2017.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraken kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.