RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 januari 2018 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 17/2220
(gemachtigde: mr. J.M. Walther),
en
de Algemeen Directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigden: mr. J.M. van der Heijden en I.S.B. Metaal).
Procesverloop
Bij brief van 4 november 2016 heeft verzoeker verweerder verzocht om vergoeding van de schade die hij door het besluit van 14 juli 2014 stelt te hebben geleden. Verweerder heeft het verzoek op 18 november 2016 afgewezen.
Bij brief van 22 mei 2017 heeft verzoeker de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van het besluit van 14 juli 2014.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, voorzitter, en mr. V.E. van der Does en mr. M.L. van Emmerik, leden, in aanwezigheid van mr. J.P.A. ter Schure, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2018
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.