ECLI:NL:RBMNE:2018:4138

ECLI:NL:RBMNE:2018:4138, Rechtbank Midden-Nederland, 04-05-2018, UTR 16/3954

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 04-05-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer UTR 16/3954
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2019:1675
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005252

Samenvatting

einduitspraak, Wob, La Vie, parkeergegevens, vernietiging documenten, onderzoeksplicht, getuigen

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

einduitspraak van de meervoudige kamer van 4 mei 2018 in de zaak tussen

Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek, te Rijswijk, eiseres

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/3954-E

(gemachtigden: mr. B.A.J. Haagen en mr. T.W. Veenendaal),

en

(gemachtigden: mr. J.C. van Oosten en P.M.J.J. Swagermakers).

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres van 28 mei 2014 om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.

Bij besluit van 15 juli 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden mr. B.A.J. Haagen en G.F. van Hooijdonk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. van Oosten en ing. P.J. Kleevens. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Vervolgens heeft de rechtbank op 6 maart 2017 een tussenuitspraak gedaan en verweerder in de gelegenheid gesteld de in het bestreden besluit 1 geconstateerde gebreken te herstellen.

Met het besluit van 14 april 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres genomen, onder intrekking van het bestreden besluit 1. Met het bestreden besluit 2 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, het primaire besluit gedeeltelijk herroepen en opnieuw beslist op het Wob-verzoek van eiseres.

Bij brief van 30 mei 2017 heeft eiseres hierop een zienswijze ingediend.

Vervolgens heeft verweerder op 24 november 2017 de eerdere besluitvorming aangevuld en gewijzigd (het bestreden besluit 3).Bij brief van 22 december 2017 heeft eiseres hierop een zienswijze ingediend.

Een tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden 28 maart 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verder zijn als getuigen verschenen [A] , [B] en [C] , allen werkzaam bij verweerder. [D] , eveneens werkzaam bij verweerder is gehoord als informant. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

6. Eiseres voert aan dat het haar ongeloofwaardig voorkomt dat er niet méér documenten onder verweerder berusten die onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen dan de tot op heden aangetroffen documenten. In dit kader wijst eiseres erop dat de geografische reikwijdte van het verzoek meer omvat dan enkel de parkeergarages Paardenveld, La Vie en het Stationsgebied. Er is immers ook verzocht om stukken van de Binnenstad, waaronder moet worden begrepen documenten over alle parkeergarages en alle andere parkeerplaatsen aldaar. Verder vindt eiseres het niet aannemelijk dat er door het college en/of de raad en/of commissies en/of ambtenaren niet zou zijn gesproken, vergaderd, informatie vergaard en verwerkt over de parkeerbalans, althans de parkeercapaciteit in de Binnenstad, het Stationsgebied en de directe omgeving van het La Vie-gebouw. Eiseres is van mening dat de enkele stelling van verweerder dat er intern navraag is gedaan onvoldoende is. Daarmee is het gemeentelijke proces niet inzichtelijk gemaakt. Eiseres merkt op dat het voor haar onmogelijk is om bewijs te leveren of er nog meer documenten bestaan die onder verweerder berusten en onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen. Mede gelet op die bewijspositie ligt het volgens eiseres op de weg van verweerder om ingenomen stellingen te onderbouwen en de verrichte onderzoekslagen controleerbaar en reproduceerbaar te maken, zodat er reële rechtsbescherming tegen mogelijk is. Dit betekent volgens eiseres dat verweerder de betrokken ambtenaren verklaringen had kunnen laten opstellen waarin iedere betrokken ambtenaar ondubbelzinnig verduidelijkt welke vraag hen is gesteld, door wie, wanneer en wat daarop het antwoord is geweest.

7. De rechtbank stelt voorop dat in de tussenuitspraak een oordeel is gegeven over de te enge interpretatie van verweerder van de reikwijdte van het Wob-verzoek (en daarmee de reikwijdte van de gemaakte zoekslag), de vier te onderscheiden categorieën van documenten plus de PRIS-overeenkomst en de vraag of het aannemelijk is dat er meer (bestuurs)stukken zijn. Gelet op het in de tussenuitspraak gegeven oordeel, het bestreden besluit 2 en het bestreden besluit 3 en de door eiseres gegeven zienswijze beoordeelt de rechtbank of verweerders interpretatie van de reikwijdte van het Wob-verzoek nu correct is. Verder betrekt de rechtbank in haar oordeel, in ogenschouw nemend overweging 4.7 van de tussenuitspraak, dat verweerder na de tussenuitspraak méér (bestuurs)stukken heeft aangetroffen die onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen, waarmee de discussie over de mogelijke aanwezigheid van méér stukken is heropend.

8. De rechtbank overweegt dat op grond van vaste jurisprudentie van de ABRvS wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. Het bestuursorgaan moet inzichtelijk maken op welke wijze het naar de verzochte documenten heeft gezocht. De rechtbank verwijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak van de ABRvS van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1494). Ter zitting is door middel van het horen van getuigen verweerder in de gelegenheid geweest dit inzicht te geven, in aanvulling op hetgeen in de bestreden besluiten 2 en 3 is opgenomen over de zoekslagen.

9. De rechtbank volgt eiseres in haar betoog dat onvoldoende is gemotiveerd dat er niet meer documenten zijn die onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen.

Allereerst is daartoe de wijze van onderzoek en voorbereiding van belang. Verweerder heeft ook tijdens de zitting nog onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze het onderzoek naar de onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallende documenten heeft plaatsgevonden. De verwijzing van verweerder naar volgens verweerder relevante personen van verschillende afdelingen met specifieke kennis over het onderwerp is daartoe onvoldoende. Daarmee is immers slechts duidelijk geworden bij wie het Wob-verzoek is uitgezet, maar niet hoe er vervolgens door de desbetreffende personen is gezocht. Evenmin is hiermee inzichtelijk gemaakt hoe het Wob-verzoek, door verweerder in het algemeen en door de verschillende relevante personen in het bijzonder, is geïnterpreteerd en hoe die interpretatie van invloed is geweest op de zoekslag die is gemaakt. Zo heeft verweerder bijvoorbeeld nagelaten specifiek te vermelden welke systemen er zijn geraadpleegd, welke zoektermen er zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens verweerder relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in documenten de door verweerder genoemde Wob-coördinatoren vervolgens hebben gemaakt. Het voorgaande wringt te meer nu er tussen partijen discussie bestaat over de (geografische) reikwijdte van het Wob-verzoek en daarom juist relevant is hoe er concreet binnen de gemeentelijke organisatie is gezocht naar documenten. De personen die ter zitting zijn gehoord hebben geen ander licht op het voorgaande geworpen. Zo heeft [D] weliswaar verklaard dat alle relevante documenten in de beoordeling zijn betrokken en dat er geen schifting heeft plaatsgevonden waarbij een aantal onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallende documenten buiten beschouwing zijn gelaten, maar daarmee is nog altijd niet inzichtelijk over welke documenten dit gaat en hoe er concreet is gezocht.

Dat er niet zorgvuldig is gezocht en dus ook onvoldoende is gemotiveerd wordt bevestigd doordat verweerder zelf, ook binnen de eerder door hemzelf erkende omvang van het verzoek, met het bestreden besluit 3 nog nieuwe stukken heeft gevonden.

Verder zijn er op grond van de verklaringen van de getuigen ter zitting aanknopingspunten die het standpunt van eiseres dat er meer documenten moeten zijn, onderschrijven. Ook al zouden veel documenten volgens de getuigen al openbaar zijn. Zo heeft getuige [B] ter zitting verklaard dat concepten van documenten niet zijn gedeeld omdat de eindversie van het document al openbaar is gemaakt. Uit de besluitvorming van verweerder blijkt echter niet dat deze concepten in de beoordeling zijn betrokken. Hoewel voorstelbaar is dat op concepten een weigeringsgrond uit de Wob van toepassing kan zijn, dient een dergelijk stuk wel in de beoordeling van het Wob-verzoek te worden betrokken. Verder heeft eiseres ter zitting een overeenkomst tussen de gemeente en Corio (thans: Klépierre) en een tripartite overeenkomst met exploitanten van verschillende vastgoedprojecten in het stationsgebied ter sprake gebracht. Getuige [C] heeft ter zitting verklaard dat de overeenkomst tussen de gemeente en Corio vermoedelijk de bilaterale ontwikkelovereenkomst betreft en dat er parkeergegevens in staan. Dit stuk is echter niet in de beoordeling van het Wob-verzoek betrokken en onduidelijk is gebleven waarom niet. Verder heeft getuige [C] verklaard dat de tripartite overeenkomst ziet op het Jaarbeursterrein waarbij de exploitant dient te voorzien in zijn eigen parkeervoorziening. Op de vraag waarom dit stuk niet is verstrekt heeft getuige [C] verklaard dat hij het stuk kennelijk niet als vallend onder de geografische reikwijdte van het Wob-verzoek heeft geïnterpreteerd. Voor zover verweerder meent dat deze documenten terecht niet in de beoordeling zijn betrokken omdat zij buiten de geografische reikwijdte van het Wob-verzoek vallen overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting is duidelijk geworden dat verweerder wat de geografische reikwijdte van het Wob-verzoek betreft een loopafstand van 1.000 meter heeft aangehouden. Dit acht de rechtbank niet onredelijk erop gelet dat eiseres hierover op de eerste zitting heeft betoogd dat het haar te doen is om gegevens over de parkeergelegenheid in een straal van 1.000 meter rondom het La Vie-gebouw, wat ook nog in de zienswijze van 30 mei 2017 is benadrukt. Verweerder heeft nagelaten te onderbouwen of de jaarbeurszijde van het station wel of niet binnen het zoekgebied valt. Dit mocht echter wel van verweerder verwacht worden omdat eiseres in het Wob-verzoek over de geografische reikwijdte nadrukkelijk opgemerkt dat daaronder in ieder geval het Stationsgebied en de Binnenstad moet worden begrepen en verweerder in de “Parkeerbalans Stationsgebied” ook het Jaarbeursplein noemt. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder in ieder geval de hiervoor genoemde documenten ten onrechte niet in de beoordeling van het Wob-verzoek heeft betrokken.

10. Gezien het voorgaande is het beroep tegen het bestreden besluit 2 en het bestreden besluit 3 gegrond omdat deze besluiten onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen en daardoor een afdoende motivering ontberen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit 2 en het bestreden besluit 3. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder nogmaals in de gelegenheid te stellen de geconstateerde gebreken te herstellen, aangezien de bestuurlijke lus, gelet op de eerdere gelegenheid die de rechtbank verweerder heeft geboden en de aard van de aanwezige gebreken in de besluitvorming, in dit geval geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Wel zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen, met inachtneming van dat wat in deze uitspraak en de tussenuitspraak is overwogen. Overigens kan de rechtbank zich voorstellen dat gezien hetgeen ter zitting is besproken over de vergunningvoorwaarde van eiseres, partijen (nogmaals) in overleg gaan over een redelijke oplossing die alle belangen dient.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.004,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 punten voor het verschijnen op twee zittingen, 1 punt voor het indienen van twee schriftelijke zienswijzen op twee herstelbesluiten na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 en het bestreden besluit 3 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 2 en het bestreden besluit 3;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.004,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzitter, mr. V.E. van der Does en mr. O. Veldman, leden, in aanwezigheid van mr. J.P.A. ter Schure, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P.J.M. Mol
  • mr. V.E. van der Does
  • mr. O. Veldman

Griffier

  • mr. J.P.A. ter Schure

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?