RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2019 in de zaak tussen
RTL Nederland, te Hilversum, eiseres
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 18/1827
(gemachtigden: P.C. Klein en R.J.E. Vleugels),
en
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat namens deze de Secretaris-Generaal, verweerder
(gemachtigden: mr. H. Borman en M.A. de Jong).
Procesverloop
Bij besluit van 7 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om herziening van een besluit van 27 mei 2015 afgewezen en het verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk toegewezen.
Bij besluit van 30 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2018. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Bij tussenuitspraak van 13 november 2018 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
Bij tweede tussenuitspraak van 29 november 2018 (de verlengingsuitspraak) heeft de rechtbank de termijn die zij verweerder heeft gegeven om de gebreken te herstellen, verlengd tot zes weken na verzending van de verlengingsuitspraak.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een herstelbesluit genomen waarin verweerder het deel van het bestreden besluit herroept voor zover het gebreken bevat en de rest van het bestreden besluit in stand laat.
Eiseres is bij brief van 15 januari 2018 in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
3. Verweerder heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak een aantal documenten alsnog openbaar gemaakt en voor het overige een nadere motivering voor de weigering gegeven. Wat betreft de in de herstelbeslissing met name genoemde documenten heeft verweerder het bestreden besluit van 30 maart 2018 herroepen. Eiseres heeft niet gereageerd op de herstelpoging van verweerder.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de openbaarmaking van de documenten en de aanvullende motivering voor de weigering tot openbaarmaking van de overige documenten de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken hersteld. Tevens is in zoverre het besluit van 30 maart 2018 herroepen en vervangen door een herstelbesluit, als bedoeld in artikel 6:19 Awb.
5. Omdat alle gebreken hiermee zijn hersteld is het beroep ongegrond. Voor zover het beroep nog is gericht tegen het herroepen deel van het besluit van 30 maart 2018 is het niet-ontvankelijk.
6. De rechtbank ziet wel aanleiding om te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De reden hiervoor is dat eiseres beroep heeft moeten instellen om de gebreken in het bestreden besluit I te doen herstellen.
7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het deel van het besluit dat is herroepen;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan eiseres te vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2019..
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraken kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.