ECLI:NL:RBMNE:2019:467

ECLI:NL:RBMNE:2019:467, Rechtbank Midden-Nederland, 18-01-2019, UTR 18/4002 en UTR 18/4498

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 18-01-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer UTR 18/4002 en UTR 18/4498
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Utrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2019:2886
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 CELEX:32016L0343 EU:32016L0343

Samenvatting

Besluit tot weigering als gemachtigde door bestuursorgaan, una via-beginsel, onschuldpresumptie, evenredigheidsbeginsel Artikel 2:2, eerste lid, van de Awb Samenvatting: Beroep en verzoek om voorlopige voorziening m.b.t. besluit van verweerder om bijstand of vertegenwoordiging door eiser/verzoeker te weigeren op grond van art. 2:2, eerste lid, Awb. Door het enkele tijdsverloop is geen sprake van verwerking van het recht om art. 2:2, eerste lid, Awb toe te passen. Geen strijd met het una via-beginsel, aangezien het besluit van verweerder geen bestuursrechtelijke sanctie inhoudt. Het beroepsverbod als aan de orde gekomen in de strafrechtelijke procedure heeft een ander doel en reikwijdte dan de weigering o.g.v. art. 2:2, eerste lid, Awb. Geen strijd met onschuldpresumptie: er hoeft geen sprake te zijn van strafrechtelijke veroordelingen die onherroepelijk zijn. Besluit is niet in strijd met evenredigheidsbeginsel. Vw heeft alle relevante omstandigheden betrokken en op basis daarvan in redelijkheid tot weigering mogen overgaan.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

[eiser/verzoeker] , te [woonplaats] , eiser/verzoeker

Belastingdienst Midden- en kleinbedrijf, verweerder

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 18/4498 en UTR 18/4002

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 januari 2019 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. J.J. Eizenga),

en

(gemachtigden: mr. J. van Lamoen en mr. M. Baarslag).

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten om bijstand of vertegenwoordiging door eiser/verzoeker (verder te noemen: eiser) te weigeren op grond van artikel 2:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor een periode van drie jaar.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (geregistreerd onder nummer UTR 18/4002).

Kort voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 3 december 2018 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Het beroep is geregistreerd onder nummer UTR 18/4498. Partijen hebben verzocht het beroep gelijktijdig met het verzoek om voorlopige voorziening te behandelen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Omdat eiser ten tijde van de zitting nog geen factuur voor het betalen van het griffierecht in de zaak 18/4498 had ontvangen is de uitspraak uitgesteld teneinde eiser in de gelegenheid te stellen na ontvangst van de factuur het griffierecht alsnog te voldoen. Het griffierecht is vervolgens betaald, zodat nu uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het besluit om eiser te weigeren als gemachtigde niet in strijd is met het una via-beginsel. Er is namelijk geen sprake van een bestuursrechtelijke sanctie, zoals bij het opleggen van een bestuurlijke boete. Bovendien gaat het in dit geval bij het beroepsverbod en de weigering op grond van artikel 2:2, eerste lid, van de Awb niet om “dezelfde gedraging”. De weigering is immers gebaseerd op het bestaan van ernstige bezwaren tegen eiser. Verder heeft het beroepsverbod een veel ruimere strekking, het geldt namelijk voor alle werkzaamheden. Het besluit om eiser als gemachtigde te weigeren ziet slechts op zijn bijstands- en vertegenwoordigende werkzaamheden in het contact met verweerder.

11. De voorzieningenrechter volgt verweerder in het standpunt dat geen sprake is van strijd met het una via-beginsel. Het besluit om eiser als gemachtigde te weigeren houdt immers geen bestuursrechtelijke sanctie in. Inherent hieraan is ook dat het beroepsverbod als aan de orde gekomen in de strafrechtelijke procedure een ander doel en andere reikwijdte heeft dan de weigering op grond van artikel 2:2, eerste lid, van de Awb. De verwijzing van eiser naar het arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 2015 leidt niet tot een andere conclusie. Uit het arrest volgt niet dat na een strafrechtelijke procedure waarbij geen beroepsverbod is opgelegd of waarbij een eerder opgelegd beroepsverbod niet in stand is gebleven niet tot weigering mag worden overgegaan. De beroepsgrond slaagt niet.

12. Eiser voert aan dat het besluit om eiser als gemachtigde te weigeren in strijd is met de onschuldpresumptie. De uitspraak van het hof Amsterdam is nog niet onherroepelijk, aangezien er cassatie is ingesteld. Er dient gedurende het gehele strafproces sprake te zijn van een vermoeden van onschuld. Eiser verwijst in dit kader onder meer naar het arrest van het EHRM van 25 maart 1983, Minelli tegen Zwitserland. De verwijzing van verweerder naar de uitspraak van de ABRvS van 12 oktober 2016 gaat niet op, aangezien in de zaak sprake was van een onherroepelijk veroordeling. Daarvan is in eisers geval nog geen sprake.

13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van strijd met de onschuldpresumptie geen sprake is. Hoewel er sprake moet zijn van een veroordeling, hoeft er geen sprake te zijn van een onherroepelijke veroordeling. Verweerder verwijst in dit verband naar de door eiser genoemde uitspraak van de ABRvS van 12 oktober 2016.

14. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van strijd met de onschuldpresumptie geen sprake is. Uit de uitspraak van de ABRvS 12 oktober 2016 volgt dat in het geval een weigering direct gebaseerd is op het gepleegd zijn van strafbare feiten, de onschuldpresumptie vergt dat daaromtrent strafrechtelijke veroordelingen zijn uitgesproken. De ABRvS heeft verder geoordeeld dat het voor het toepassen van artikel 2:2, eerste lid, van de Awb, evenwel niet noodzakelijk is dat sprake is van strafrechtelijke veroordelingen die onherroepelijk zijn. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding daar in eisers geval anders over te oordelen. De verwijzing van eiser naar het arrest Minelli tegen Zwitserland leidt niet tot een andere conclusie. Uit dit arrest kan niet worden afgeleid dat in een situatie als de hier voorliggende, ter voorkoming van strijd met de onschuldpresumptie sprake moet zijn van onherroepelijke veroordeling. De beroepsgrond slaagt niet.

15. Eiser voert aan dat de gevolgen van het besluit tot weigering niet evenredig zijn tot de met het besluit te dienen doelen. Een belangrijk deel van zijn adviespraktijk bestaat uit het doen van belastingaangiftes. Door de weigering is hij niet meer in staat die werkzaamheden uit te voeren. Hij heeft daardoor geen inkomen en daarnaast leidt het besluit tot reputatieschade. Ook wijst eiser nogmaals op de omstandigheid dat hij zijn leven heeft gebeterd.

16. Verweerder vindt de maatregel om eiser als gemachtigde te weigeren, gelet op de aard en ernst van de door eiser gepleegde fiscale delicten, op zijn plaats. Het vertrouwen van verweerder in eiser is hierdoor ernstig geschaad. Verder wijst verweerder erop dat eiser door de maatregel niet geheel van zijn broodwinning is beroofd. De maatregel houdt namelijk geen beroepsverbod in. De meeste taken, zoals die van adviserende aard, kan hij nog verrichten. Het is eiser uitsluitend verboden om in het contact met verweerder als gemachtigde op te treden. In dit kader merkt verweerder op dat bekend is dat eiser onder meer als extern adviseur is verbonden aan [naam] B.V. te [vestigingsplaats] . Deze werkzaamheden, die eiser mogelijk voor meer kantoren verricht, worden door een weigering niet onmogelijk gemaakt. Verder vindt verweerder van belang dat de weigering mede is ingegeven ter bescherming van de belangen van belastingplichtigen. Dit algemene belang dient te prevaleren boven het individuele belang van eiser om zijn werkzaamheden als gemachtigde te kunnen voortzetten. Ter zitting heeft verweerder nog gereageerd op eisers stelling dat hij zijn leven heeft gebeterd. Volgens verweerder is er gekeken naar het correctiepercentage in de aangiftes die eiser namens zijn cliënten heeft gedaan vanaf belastingjaar 2013 tot en met belastingjaar 2017. Waar in 2013 sprake was van een correctiepercentage van 51% en het jaar daarna 24%, was er in 2017 nog altijd sprake van een correctiepercentage van 9%. Van iemand die stelt dat sprake is van gedragsverbetering verwacht verweerder dat er nog hooguit sprake is van een klein foutje. Met een percentage van 9% kan daar niet van worden gesproken.

17. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder alle relevante omstandigheden in zijn besluit tot weigering van eiser als gemachtigde heeft betrokken en op basis daarvan in redelijkheid tot weigering heeft mogen overgaan. Verweerder heeft groter gewicht mogen toekennen aan de bescherming van de belangen van de belastingplichtigen dan aan eisers individuele belang. Daarbij vindt de voorzieningenrechter ook van belang dat eiser weliswaar heeft gesteld dat zijn praktijk voor een groot gedeelte bestaat uit het doen van belastingaangiften, maar dat hij zijn stelling niet heeft onderbouwd. Eiser heeft geen inzicht verschaft in zijn praktijk als belastingadviseur, terwijl verweerder erop heeft gewezen dat eiser ook werkzaamheden heeft verricht als extern adviseur. Verder heeft verweerder, in reactie op eisers stelling in beroep, mogen concluderen dat eiser niet heeft onderbouwd waaruit blijkt dat hij zijn gedrag als gemachtigde heeft gebeterd en dat weliswaar sprake lijkt te zijn van een positieve ontwikkeling in het percentage correcties dat wordt gedaan op eisers aangiften, maar dat dit onvoldoende gewicht in de schaal legt om van weigering als gemachtigde af te zien. De beroepsgrond slaagt niet.

18. Het beroep is ongegrond.

19. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

20. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder gelet op overweging 5 in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.536,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,-, en een wegingsfactor 1).

21. De voorzieningenrechter bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening aan eiser vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

18 januari 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.E.C. Bakker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?