RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de burgemeester van de gemeente Woerden, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 18/2166
(gemachtigde: mr. K. Kasem),
en
(gemachtigde: mr. A. Arnold en mr. A. Hogendoorn).
Procesverloop
Bij besluit van 9 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. De last houdt in dat het eiser verboden is zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Bij besluit van 19 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.L. Allali, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.