RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2020 in de zaak tussen
[eiser] te [woonplaats] , eiser
de Minister voor Medische Zorg, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/4772
(gemachtigde: mr. P.J.A. Ansems),
en
(gemachtigde: mr. I. de Groot).
Procesverloop
Bij brief van 16 mei 2019 heeft verweerder eiser bericht dat zijn klacht is afgehandeld. Eiser heeft hiertegen op 23 juni 2019 beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 8 augustus 2019 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen en het beroepschrift aan verweerder gezonden ter behandeling als bezwaarschrift (UTR 19/2455).
Bij besluit van 27 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder behandeling ter zitting af te doen, zoals bedoeld in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft op 22 juni 2020 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Wat ging er aan deze zaak vooraf?
9. In de brief van 16 mei 2019 leest de rechtbank ook geen afwijzend besluit op een handhavingsverzoek van eiser. De vraag of eiser op 18 oktober 2017 al dan niet een handhavingsverzoek heeft ingediend hoeft daarom niet te worden beantwoord.
10. Eiser heeft verder – kort samengevat – aangevoerd dat hij een verzoek om inzage en/of om documenten te verstrekken heeft ingediend en dat daarop afwijzend is beslist in de brief van 16 mei 2019. De rechtbank stelt vast dat de brief van 16 mei 2019 geen enkel aanknopingspunt bevat om er een afwijzend besluit op een verzoek om inzage en/of om documenten te verstrekken te lezen.
11. De conclusie is dan ook dat de brief van 16 mei 2019 enkel de afhandeling van eisers klacht bevat. Verweerder heeft dan ook terecht geoordeeld dat de brief van 16 mei 2019 geen besluit is en dat het bezwaar hiertegen niet-ontvankelijk is. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding en evenmin voor het toekennen van schadevergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.L. Bressers, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 8 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.