RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 september 2020 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
de burgemeester van de gemeente [plaatsnaam] , verweerder(gemachtigden: mr. drs. H. Doornhof en mr. R. Janssen).
Zittingsplaats Amersfoort
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/2857
en
Procesverloop Bij besluit van 21 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeker met ingang van 1 september 2020 de toegang ontzegd tot de vergaderingen van de gemeenteraad van [plaatsnaam] voor de duur van drie maanden.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2020. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
7. Het antwoord van de voorzieningenrechter op deze vraag is bevestigend. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker zich herhaaldelijk van onaangenaam getoonzette teksten bedient in relatie tot personen. Zijn teksten zijn vaak onbetamelijk en onnodig grievend. Zo heeft verzoeker zich voor de vergadering van 18 mei 2020 aangemeld om mondeling in te spreken. Tijdens de vergadering heeft hij zijn inspraak omgezet in een schriftelijke inspraakreactie. Daarin wordt naar de kinderburgemeester van [plaatsnaam] verwezen als ‘Kindslaaf [naam] van [A] ’. Waarna de voorzitter de schriftelijke inspraakreactie buiten de vergaderstukken heeft gelaten. Tijdens de vergaderingen van 16 juni 2020 en 6 juli 2020 heeft verzoeker teksten ingesproken die geen verband hielden met het ter bespreking voorliggende agendapunt en daarnaast onbetamelijkheden bevatten aan het adres van enkele gemeenteraadsleden. Verder heeft verweerder als voorbeeld genoemd een ordeverstoring door verzoeker van de vergadering van 14 januari 2020. Verzoeker heeft niet weersproken dat dit heeft plaatsgevonden. Tot slot heeft verweerder gemotiveerd uiteengezet dat raadsleden zich belemmerd voelen in de uitvoering van hun werkzaamheden door de verstoringen door verzoeker. Raadsleden ondervinden hinder van zijn gedrag en zijn onbetamelijke teksten. Verweerder heeft hieraan terecht een einde willen maken en daartoe de bevoegdheid die hij op grond van artikel 26 van de Gemeentewet heeft aan kunnen wenden. Dat verzoeker zich wel aan zijn spreektijd heeft gehouden, zoals ter zitting is bepleit, kan aan het voorgaande niet afdoen.Verzoeker vindt het vervelend dat hij tot de orde wordt geroepen en beroept zich op zijn vrijheid van meningsuiting. De voorzieningenrechter wijst verzoeker er echter op dat ook aan de vrijheid van meningsuiting grenzen zitten, die ook hij zal moeten respecteren, ook al strijdt hij in zijn ogen voor de goede zaak.
8. Verzoeker voert verder aan dat verweerder met hem in gesprek had moeten gaan alvorens het primaire besluit te nemen. De voorzieningenrechter denkt daar anders over. Artikel 26, tweede lid, van de Gemeentewet bevat deze verplichting niet. Verzoeker heeft verwezen naar bepalingen in de Burgemeesterswet, die hiertoe zouden verplichten, maar de voorzieningenrechter stelt vast dat deze wet niet bestaat. Ook een andere grondslag voor deze verplichting heeft de voorzieningenrechter niet gevonden. Bovendien heeft verweerder verzoeker er bij brief van 20 februari 2020 op gewezen dat hij de grenzen van het betamelijke de afgelopen maanden meermaals heeft overschreden en hem verzocht zich in het vervolg aan de regels voor inspraak te houden. Daarbij heeft de burgemeester erop gewezen dat andere maatregelen zullen volgen als de brief niet tot zichtbaar resultaat leidt. Verzoeker was dus een gewaarschuwd man, ook zonder dat een gesprek tussen hem en de burgemeester had plaatsgevonden.
9. Verzoeker heeft ook nog aangevoerd dat verweerder het besluit niet kon nemen zonder overleg met de leden van de gemeenteraad en/of de voorzitters van de verschillende commissies. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat de bevoegdheid is toegekend aan de burgemeester. Hij alleen draagt de verantwoordelijkheid voor het handhaven van de orde tijdens de vergaderingen en hoe hij deze verantwoordelijkheid invult is aan hem. Er bestaat geen verplichting om daarover van gedachten te wisselen met anderen. De voorzieningenrechter heeft dus geen aanknopingspunt voor de juistheid van verzoekers standpunt.
10. Uit het voorgaande volgt dat de bezwaren van verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen hebben. Gelet hierop bestaat er dan ook geen aanleiding om gelet op de betrokken belangen een voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
11. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Verzoeker heeft ter zitting de wens geuit om op goede voet te komen met verweerder. De voorzieningenrechter juicht dat toe, een betere verstandhouding is voor alle partijen wenselijk en te verkiezen boven de huidige gang van zaken. De voorzieningenrechter wil partijen dan ook meegeven dat een gesprek in ieder geval nooit kwaad kan.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2020.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: