[eiser] te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: drs. C. van Oosten),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder
(gemachtigde: mr. W. van der Wel).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [A] , te [woonplaats]
(gemachtigde: mr. L.A. Sluiter).
Inleiding
1. Op 14 maart 2019 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:RBMNE:2019:1114). Bij die tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit te herstellen.
2. De rechtbank heeft in haar einduitspraak van 17 september 2020 (ECLI:NL:RBMNE:2020:4335) geoordeeld dat gelet op de nadere toelichting verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen overtreding heeft kunnen vaststellen. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat verweerder in redelijkheid van handhavend optreden heeft kunnen afzien. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en geen proceskostenvergoeding toegekend.
3. Bij brief van 22 september 2020 heeft gemachtigde van eiser opgemerkt dat de rechtbank bij de einduitspraak geen proceskostenvergoeding heeft toegekend, terwijl bij de tussenuitspraak wel een gebrek was geconstateerd.
Overwegingen
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Ook ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het door eiser betaalde griffierecht aan hem wordt vergoed.
4. De rechtbank heeft vastgesteld dat haar einduitspraak van 17 september 2020 een kennelijke onjuistheid bevat.
5. In rechtsoverweging 8. van de einduitspraak van 17 september 2020 heeft de rechtbank ten onrechte vermeld dat het beroep ongegrond is en dat er geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.
6. In de tussenuitspraak had de rechtbank een gebrek in het bestreden besluit geconstateerd. Alleen al om die reden had de rechtbank in de einduitspraak het beroep gegrond moeten verklaren en een proceskotenvergoeding moeten toekennen ook al vindt de rechtbank dat verweerder na de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld.
7. Nu de einduitspraak van 17 september 2020 een kennelijke, ook voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare onjuistheid bevat, bestaat aanleiding de uitspraak op dit punt te rectificeren.
8. De rechtbank wijzigt de einduitspraak van 17 september 2020 vanaf rechtsoverweging 8. als volgt.
“(…)
8. 8. Gelet op het in de tussenuitspraak van 19 maart 2019 geconstateerde gebrek is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Nu verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
Beslissing
€ 1.312,50;
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser vergoedt.”
Aan deze uitspraak tot rectificatie is een gerectificeerd exemplaar van de oorspronkelijke uitspraak gehecht. De gerectificeerde uitspraak zal worden gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Beslissing
De rechtbank rectificeert haar uitspraak van 17 september 2020 als in de overwegingen is weergegeven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2020.
de griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: