RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16-271501-19 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 november 2020
in de strafzaak tegen verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1977 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .
1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
De rechtszaak tegen verdachte heeft in het openbaar plaatsgevonden op 6 november 2020. Bij de behandeling van de zaak waren verdachte zelf, zijn advocaat mr. B.J. Tieman en officier van justitie mr. T. Tanghe en de ouders van [slachtoffer] aanwezig. Omdat verdachte bij de zitting aanwezig was, is sprake van een vonnis op tegenspraak.
2. TENLASTELEGGING
De volledige tenlastelegging is in de bijlage bij dit vonnis opgenomen. De officier van justitie verdenkt verdachte er - samengevat weergegeven - van dat hij in de periode van 1 januari 2019 tot en met 1 juli 2019 in Utrecht ontuchtige handelingen heeft gepleegd bij zijn nichtje [slachtoffer] , door haar bij haar schaamstreek vast te pakken en hierin te knijpen.
Deze handelingen zijn in drie verschillende juridische varianten ten laste gelegd, namelijk:
- het plegen van ontucht tegen een aan zijn zorg toegedragen minderjarige (artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht);
- het buiten echt plegen van ontucht tegen een aan zijn zorg toegedragen minderjarige, die jonger is dan 16 jaren (artikel 247 jo. artikel 248 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht);
- het door middel van (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingen tot het dulden van ontuchtige handelingen (artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht).
3. VOORVRAGEN
Voordat de rechtbank een inhoudelijke beslissing kan nemen in deze zaak, moet zij kijken of is voldaan aan de voorvragen die in de wet worden genoemd. Dat is het geval: de dagvaarding voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mocht verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.
4. VRIJSPRAAK
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangegeven dat hij vindt dat de eerste twee varianten van de tenlastelegging wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Hij heeft aangegeven dat hij de verklaring van [slachtoffer] authentiek en geloofwaardig acht. Deze verklaring wordt volgens hem ondersteund door het wondje dat bij [slachtoffer] is aangetroffen en (in grote lijnen) door de verklaring van verdachte zelf.
Het standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht verdachte van alle varianten van de tenlastelegging vrij te spreken wegens het gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft aangegeven dat de verklaringen van verdachte en [slachtoffer] elkaar niet uitsluiten en dat [slachtoffer] – die 7 jaar oud was op dat moment - de situatie verkeerd heeft geïnterpreteerd. Verdachte heeft [slachtoffer] terwijl hij op het toilet zat van zijn schoot geduwd en haar hierbij mogelijk onder haar billen vastgepakt. Verdachte had de situatie wellicht anders moeten aanpakken, maar hij had geen enkele seksuele intentie bij zijn handelingen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [slachtoffer] er in de kern op neerkomt dat verdachte haar vroeg om op zijn schoot te komen zitten terwijl hij op het toilet zat. Nadat zij bij hem op schoot is gaan zitten, vroeg hij: ‘mag ik eventjes’ en raakte hij met zijn hand over haar kleding haar schaamstreek aan en hij vroeg of hij aan haar plasser mocht zitten.
Verdachte daarentegen verklaart dat [slachtoffer] - zoals gebruikelijk - met zijn telefoon wilde spelen. Toen hij op het toilet zat, vroeg [slachtoffer] of zij zijn telefoon mocht hebben. Verdachte verklaarde dat hij zijn telefoon in de regel niet aan kinderen geeft, maar voor [slachtoffer] wel eens een uitzondering maakte. Regel was dat [slachtoffer] zijn telefoon wel eens mocht gebruiken, mits zij bij hem op schoot zat. [slachtoffer] is toen plotseling – terwijl verdachte nog op de toiletpot zat met zijn broek op zijn enkels – op zijn schoot gaan zitten. Dit vond verdachte echter ongemakkelijk en bovendien ongepast . Om deze reden heeft hij haar gevraagd: ‘mag ik even de ruimte’ en heeft haar bij haar zitvlak vastgepakt en ‘weggeschept’ om haar van zijn schoot te krijgen. Het kan zijn dat hij daarbij haar schaamstreek heeft aangeraakt. Hij had hier echter geen enkele seksuele intentie bij. Hij ontkent met klem dat hij heeft gevraagd haar plasser aan te raken.
De rechtbank is op grond van het dossier en alles wat ter zitting is besproken van oordeel dat vast is komen te staan dat [slachtoffer] bij verdachte op het toilet op schoot heeft gezeten en dat verdachte daarbij op enig moment haar schaamstreek heeft aangeraakt. De rechtbank kan echter niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat verdachte hierbij een seksuele intentie had. Dit wil niet zeggen dat de verklaring van [slachtoffer] niet waar zou kunnen zijn, maar wel dat sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het ten laste gelegde. Verdachte zal daarom van alle varianten van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
5. BESLISSING
art 247 Wetboek van Strafrecht jo art 248 sub 2 Wetboek van Strafrecht
De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Akkermans, voorzitter,
mrs. Y.M. Vanwersch en P.M. Leijten, rechters,
bijgestaan mr. M.Z. Schoppink, griffier,
en is bij vervroeging uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 november 2020.
De griffier is buiten staat het vonnis te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2019 tot en met 1 juli 2019 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind en/of een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige en/of een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2011, bestaande die ontucht hierin dat hij (telkens)
- de schaamstreek van die [slachtoffer] heeft betast/aangeraakt en/of
- (met kracht) de vagina van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of in de vagina en/of de schaamlippen van die [slachtoffer] heeft geknepen;
en/of
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2019 tot en met 1 juli 2019 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2011, zijnde zijn minderjarig stiefkind en/of een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige en/of een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten, dat hij, verdachte,
- de schaamstreek van die [slachtoffer] heeft betast/aangeraakt en/of
- (met kracht) de vagina van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of in de vagina en/of de schaamlippen van die [slachtoffer] heeft geknepen;
en/of
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2019 tot en met 1 juli 2019 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte, (met kracht) met zijn, verdachtes, hand in de vagina en/of schaamlippen en/of de schaamstreek van voornoemde [slachtoffer] (op de kleding) geknepen, althans de vagina en/of schaamstreek van voornoemde [slachtoffer] (op de kleding) betast en/of aangeraakt, en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hieruit dat verdachte
- voornoemde [slachtoffer] op schoot heeft genomen/gehad en/of
- (vervolgens) (onverhoeds) in de vagina en/of schaamlippen en/of de
schaamstreek van voornoemde [slachtoffer] heeft geknepen, althans de vagina en/of
schaamlippen en/of de schaamstreek van voornoemde [slachtoffer] heeft aangeraakt;
art 246 Wetboek van Strafrecht
( art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht )