RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2020 op het verzet van
[oppossant] , h.o.d.n. [handelsnaam] , te [plaats] , opposant,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1414 V
(gemachtigde: mr. R.G.P. Voragen),
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 maart 2020.
In de uitspraak van 2 oktober 2020 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 2 oktober 2020 het beroep ongegrond verklaard, omdat de gronden van het bezwaar te laat zijn ingediend. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 2 oktober 2020 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 2 oktober 2020 niet juist omdat er geen brief van 28 januari 2020 in het dossier zit en dus ook niet ontvangen is. Nu er geen nadere termijn is gesteld, kunnen de gronden ook niet te laat zijn ingediend.
4. Zoals de rechtbank in haar uitspraak van 2 oktober 2020 heeft vastgesteld, heeft opposant geen reden gegeven waarom hij te laat was met het indienen van de gronden van bezwaar. De rechtbank heeft op 2 oktober 2020 uitspraak gedaan op grond van de toen aanwezige informatie en stelling van opposant dat de gronden tijdig zijn ingediend. Nu opposant pas in verzet de ontvangst van de brief van 28 januari 2020 betwist en hierover in beroep geen standpunt heeft ingenomen, acht de rechtbank deze ontkenning van de ontvangst van voornoemde brief ongeloofwaardig. Dit betekent dat de uitspraak van 2 oktober 2020 in stand blijft.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2020
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: