ECLI:NL:RBMNE:2021:1057

ECLI:NL:RBMNE:2021:1057, Rechtbank Midden-Nederland, 19-03-2021, UTR 20/3624

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 19-03-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer UTR 20/3624
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2023:83
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Beroep niet tijdig ten aanzien van 15 verzoeken aan verweerder, rechtbank verklaart niet bevoegd ten aanzien van 14 verzoeken, rechtbank verklaart beroep deels niet ontvankelijk en deels ongegrond ten aanzien van 1 verzoek.

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser], eiser,[eiseres], eiseres, tezamen: eisers, wonende te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik, verweerder

(gemachtigde: C. Andriessen).

Inleiding

Wat is er - samengevat - gebeurd?

Eisers hebben de rechtbank op 10 oktober 2020 verzocht om verweerder op te dragen besluiten te nemen op 15 verzoeken, die eisers bij verweerder hebben ingediend.

De rechtbank heeft dit verzoek aangemerkt als een beroep tegen het door verweerder niet tijdig nemen van een besluit.

Verweerder heeft de gedingstukken en een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben in de aanloop naar de zitting verschillende verzoeken bij de rechtbank ingediend.

Het beroep van eisers is op 26 februari 2021 op zitting behandeld via Skype. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De beoordeling van de rechtbank

Zijn de 15 verzoeken van eisers aan te merken als een aanvraag in de zin van de Awb?

Wat moet de rechtbank in deze procedure beoordelen?

1. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de 15 hier na te noemen verzoeken van eisers zijn aan te merken als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Pas als sprake is van een aanvraag in de zin van de Awb gaat er een beslistermijn lopen en kan de rechtbank beoordelen of verweerder niet tijdig heeft beslist op die aanvraag.

2. Volgens artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen. Volgens het eerste lid van dit artikel wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

3. Volgens eisers hebben zij de volgende 15 verzoeken aan verweerder gedaan:

Ten aanzien van de verzoeken 1 tot en met 13 en 15

Deze verzoeken zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Niet is gebleken dat op deze verzoeken door verweerder een beslissing, die een publiekrechtelijke rechtshandeling in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb inhoudt, genomen moet worden. Bij het verzoek onder 3. overweegt de rechtbank aanvullend dat dit verzoek mondeling is gedaan, waardoor de rechtbank niet kan vaststellen wat eisers met dit verzoek precies hebben beoogd. Bij het verzoek onder 7. overweegt de rechtbank aanvullend dat, voor zover eisers hebben beoogd op grond van artikel 15, eerste lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) inzage te verkrijgen in een gespreksverslag, geen sprake kan zijn van een aanvraag op grond van de AVG, omdat ten tijde van het indienen van het verzoek het gesprek nog niet had plaatsgevonden. Bovendien is er volgens verweerder ook geen verslag opgemaakt van het gesprek op 20 november 2019 en de rechtbank ziet geen aanleiding aan de geloofwaardigheid van deze mededeling te twijfelen.

Nu bij de verzoeken 1 tot en met 13 en 15 geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, is ook geen sprake van het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Van een gelijkstelling met een

besluit zoals bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb kan daarom geen sprake zijn. Dit betekent dat de rechtbank (de bestuursrechter) in zoverre niet bevoegd is.

Ten aanzien van verzoek 14

Eisers hebben op 5 mei 2020 verzocht om ontvangst van het dossier [dossiernummer].

Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat eisers op grond van de AVG recht hebben op inzage in het dossier en daartoe een verzoek kunnen indienen bij het college. Verweerder heeft in beroep een afschrift overgelegd van alle documenten die zich volgens verweerder in het dossier [dossiernummer] bevinden.

Naar het oordeel van de rechtbank moet dit verzoek worden opgevat als een verzoek om inzage als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de AVG. Op grond van artikel 12, derde lid, van de AVG is de beslistermijn waarbinnen verweerder hierop een besluit dient te nemen een maand. Verweerder had dus uiterlijk op 5 juni 2020 moeten beslissen. Eisers hebben verweerder (in ieder geval) op 12 augustus 2020 erop gewezen dat de beslistermijn is verstreken.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder in beroep het dossier [dossiernummer] heeft overgelegd en daarmee alsnog inzage heeft verstrekt. Daarmee is dus beslist op het verzoek van eisers van 5 mei 2020. Dit betekent dat eisers in zoverre geen belang meer hebben bij een beoordeling van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat verweerder niet geheel aan het beroep tegemoet gekomen is, omdat het in beroep door verweerder overgelegde dossier [dossiernummer] niet compleet is.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op de zitting niet ongeloofwaardig verklaard dat alle documenten behorend bij dossier [dossiernummer] zijn overgelegd. Eiser heeft niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat de door hem op de zitting genoemde missende stukken tot dit dossier hadden moeten behoren en het overgelegde dossier incompleet is. Het beroep van eisers, voor zover op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb van rechtswege mede gericht tegen het alsnog genomen besluit, is daarom ongegrond.

Wat is de conclusie?

6. De rechtbank (de bestuursrechter) is ten aanzien van de verzoeken 1 tot en met 13 en 15 niet bevoegd. Het beroep, voor zover dat betrekking heeft op het verzoek 14, is deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond.

7. Gelet op wat onder 6. is overwogen komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de diverse (processuele) verzoeken die eisers in de aanloop naar de zitting aan de rechtbank hebben gedaan.

8. Eisers hebben gevraagd om, voor zover de rechtbank (de bestuursrechter) niet bevoegd is om van het beroep kennis te nemen, het beroep door te zenden naar het wel bevoegde orgaan. Het is de rechtbank niet gebleken dat er een ander orgaan is dat wel bevoegd is van het beroep (ten aanzien van de verzoeken 1 tot en met 13 en 15) kennis te nemen. Daarom bestaat voor doorzending geen aanleiding.

Griffierecht en proceskosten

9. Nu de wettelijke beslistermijn door verweerder waar het betreft het verzoek onder 14 is overschreden en verweerder pas tijdens de beroepsprocedure alsnog inzage heeft verstrekt, namelijk door het dossier [dossiernummer] over te leggen, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van overige voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

Ten aanzien van de verzoeken 1 tot en met 13 en 15:

De rechtbank:

- verklaart zich onbevoegd.

Ten aanzien van verzoek 14:

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is uitgesproken op 19 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. G.P. Loman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?