proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
12 maart 2021 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. T.D. Rijs),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein (hierna: het college), verweerder
(gemachtigde: mr. I. van Oort).
Inleiding
Eiseres heeft op 2 januari 2018 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het herbestemmen en transformeren van twee kantoorpanden aan de [adres]
en [adres] in [plaats] tot 48 appartementen.
Bij het besluit van 13 november 2018 heeft het college, vanwege het negatieve advies van 4 oktober 2018 van het Landelijk Bureau Bibob, geweigerd aan eiseres de aangevraagde omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en afwijken van het bestemmingsplan te verlenen.
Bij het besluit van 10 januari 2020 heeft het college zijn besluit van 13 november 2018 vervangen. Het college heeft bij dit nieuwe besluit de aangevraagde omgevingsvergunning ex artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo geweigerd op grond van:
- artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo en artikel 3, eerste lid, onder a en b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (de Wet Bibob) en
- artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo en artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob.
Dit nieuwe besluit heeft het college onderbouwd aan de hand van het aangepaste advies van 1 november 2019 van het Landelijk Bureau Bibob.
In het besluit van 2 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft het college op basis van het advies van de commissie bezwaarschriften van 30 juni 2020 het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In de brief van 16 februari 2021 heeft eiseres laten weten haar beroepsgronden tegen de weigering van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen in te trekken.
Het college heeft hierop in zijn brief van 1 maart 2021 gereageerd.
De zaak is behandeld tijdens een hybride zitting op 12 maart 2021. De gemachtigde van eiseres was fysiek aanwezig. De gemachtigde van het college heeft via een Skypeverbinding deelgenomen aan de zitting, net zoals haar collega’s [A] en [B] .
Na afloop van de behandeling van de zaak heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin niet wordt genoemd waarom de toestemming voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan wordt geweigerd;
- weigert de toestemming voor het afwijken van het bestemmingsplan op de grond dat deze toestemming niet kan worden verleend nu sprake is van onlosmakelijke samenhang en er geen toestemming voor de activiteit bouwen is;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 354,- aan eiseres te vergoeden en
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.068,-.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Overwegingen
1. Partijen verschillen van mening over de vraag of verweerder met het vervangende
besluit van 10 januari 2020 de toestemming voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan heeft geweigerd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is, omdat in het vervangende besluit van 10 januari 2020 alleen staat dat de aangevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt geweigerd. Dat betekent dat de aanvraag voor zover die ziet op de activiteit afwijken van het bestemmingsplan nog open staat en daar niet op is beslist.
2. Volgens het college is de toestemming voor de activiteit afwijken van het
bestemmingsplan wel geweigerd. Het besluit had duidelijker geformuleerd kunnen worden, maar omdat de toestemming voor de activiteit bouwen en die voor het afwijken van het bestemmingsplan onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, zijn ook beiden geweigerd.
3. De rechtbank stelt vast dat eiseres een aanvraag heeft ingediend voor het herbestemmen
en transformeren van twee kantoorpanden aan de [straat] naar 48 appartementen. De aanvraag heeft zowel betrekking op de activiteit bouwen als op het gebruik (afwijken van het bestemmingsplan). De twee activiteiten zijn tegelijkertijd aangevraagd, kunnen niet los van elkaar worden gezien en zijn dus onlosmakelijk met elkaar verbonden. Toestemming voor het bouwen kan in dit geval immers niet worden gegeven, zonder dat er ook toestemming is verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan. Het splitsen van de aanvraag naar verschillende besluitonderdelen, zoals eiseres wil, is dan ook niet mogelijk. Dat betekent dat het nieuwe besluit van 10 januari 2020 ziet op de hele aanvraag. Daarvan uitgaande houdt dit besluit dus in dat de aanvraag in zijn geheel is geweigerd, ook al wordt de activiteit afwijken van het bestemmingsplan niet apart genoemd. Daarmee verschilt deze zaak meteen met de rechtspraak waar eiseres naar wijst, want daar ging het om twee afzonderlijke aanvragen.
4. De volgende vraag is of het besluit van 10 januari 2020, gehandhaafd bij het bestreden
besluit, voldoende gemotiveerd is. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend, aangezien de weigering om toestemming te geven voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan en de reden waarom deze toestemming wordt geweigerd, niet worden genoemd. Het bestreden besluit is daardoor in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.
5. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover
daarin niet wordt genoemd dat de toestemming voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan wordt geweigerd en waarom dat is. De rechtbank ziet geen aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen, omdat er gelet op de onlosmakelijke samenhang en de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State maar één uitkomst mogelijk is. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door de toestemming voor het afwijken van het bestemmingsplan te weigeren op de grond dat deze toestemming niet kan worden verleend nu sprake is van onlosmakelijke samenhang en er geen toestemming voor de activiteit bouwen is. Dat betekent concreet dat eiseres voor beide activiteiten niet beschikt over een omgevingsvergunning.
6. De rechtbank veroordeelt het college in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze
kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 534,- en een wegingsfactor 1).
7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college
aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep. Onder aan
dit proces-verbaal staat omschreven op welke wijze dit kan.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2021 door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.