RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2021 in de zaak tussen
[eiseres], te [woonplaats], eiseres
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/3741
(gemachtigde: mr. J. Singh),
en
(gemachtigde: mr. Y. Rikken).
Procesverloop
In het besluit van 29 mei 2020 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om naturalisatie afgewezen.
In het besluit van 14 september 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2021 via Skype. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
3. Eiseres heeft aangevoerd dat de taalanalyse uit het onderzoeksrapport onvoldoende is voor twijfel aan haar identiteit en nationaliteit. Verweerder heeft in het verleden geen gevolgen verbonden aan de uitkomst van het onderzoeksrapport, want haar verblijfsvergunning is niet ingetrokken. Het is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel om de uitkomst van het onderzoeksrapport in de naturalisatieprocedure wel tegen te werpen.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het onderzoeksrapport aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Het onderzoeksrapport is een deskundigenadvies waarvan verweerder in beginsel uit mag gaan. Eiseres heeft geen contra-expertise overgelegd om de resultaten van het onderzoek te kunnen betwisten. Dat het onderzoeksrapport uit 2010 is, betekent niet dat verweerder de resultaten niet meer mag tegenwerpen. Daarbij is relevant dat de aanvankelijke herkomst van iemand niet verandert. Ook is van belang dat het eerdere verzoek van eiseres om naturalisatie al is afgewezen vanwege het onderzoeksrapport in 2010. Eiseres had dus kunnen weten dat het onderzoeksrapport van BLT relevant was voor een naturalisatieprocedure. Dat verweerder ondanks de uitkomst van het onderzoek destijds niet is overgegaan tot intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres, betekent ook niet dat verweerder het onderzoek niet meer aan eiseres zou mogen tegenwerpen. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, is dit juist in het voordeel van eiseres geweest, maar betekent dat niet dat nu ook haar naturalisatieverzoek zou moeten worden toegewezen. Moest verweerder de hardheidsclausule toepassen?
5. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder de hardheidsclausule uit de wet had moeten toepassen. Eiseres voldoet aan alle voorwaarden voor naturalisatie en verblijft al twintig jaar rechtmatig in Nederland. Verder hebben haar kinderen de Nederlandse nationaliteit. Het is daarom in het belang van het gezin dat eiseres ook de Nederlandse nationaliteit krijgt.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hardheidsclausule niet hoefde toe te passen, omdat deze in dit geval niet van toepassing is. Eiseres voldoet niet aan de voorwaarde dat haar identiteit en nationaliteit voldoende vast staat. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat met de hardheidsclausule niet kan worden afgeweken van deze voorwaarde.
Heeft verweerder de hoorplicht geschonden?
7. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Verweerder had eiseres in de gelegenheid moeten stellen om haar bezwaar op een hoorzitting toe te lichten, gelet op de bijzondere omstandigheden van haar zaak.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen afzien van het horen in bezwaar. Van horen in bezwaar kan worden afgezien wanneer er op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet tot een ander besluit kan leiden. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat daar in dit geval sprake van was. In bezwaar heeft eiseres namelijk ook geen stukken overgelegd waarmee de twijfel aan haar identiteit en nationaliteit kon worden weggenomen.
Conclusie
9. Verweerder heeft het verzoek van eiseres om naturalisatie terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 22 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.