uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 mei 2021 in de zaak tussen
[verzoekers] , te [plaats] , verzoekers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] , te [plaats] , vergunninghoudster.
Inleiding
Met het besluit van 2 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van bomen op het perceel [adres] in [plaats] . Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen, omdat het kennelijk ongegrond is. Hieronder zal hij uitleggen waarom
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb treft de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend hangende de bezwaarprocedure. Vergunninghoudster heeft schriftelijk verklaard dat geen kapwerkzaamheden zullen worden verricht totdat verweerder op het bezwaarschrift heeft beslist. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben bij de beoordeling van hun verzoek.
4. Bij het ontbreken van spoedeisend belang, kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit uiteindelijk in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet op basis van de stukken geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.
5. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en ook niet dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoekers te laten uitvallen.
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.
7. Tot slot merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekers opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening kunnen indienen, als vergunninghoudster ondanks de toezegging toch vergunningplichtige bomen op het perceel gaat kappen voordat een beslissing op het bezwaarschrift is genomen. Dit geldt ook als verzoekers het niet eens zijn met de uitkomst van de bezwaarprocedure en tegen de beslissing op bezwaar beroep in stellen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.C.J. van der Hoorn, griffier. De beslissing is uitgesproken op 10 mei 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
de griffier is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.