RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 januari 2021 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/1826
(gemachtigde: mr. J.W. Adriaansens),
en
(gemachtigde: mr. M. Geleijnse).
Procesverloop
Bij besluit van 13 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de door eisers aangevraagde splitsingsvergunning voor het pand aan de [adres] te [woonplaats] geweigerd.
Bij besluit van 28 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2020. Eiser [eiser 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Voorgeschiedenis
10. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder de aanvraag om een splitsingsvergunning terecht heeft afgewezen, omdat de toestand van het gebouw zich uit het oogpunt van onderhoud verzet tegen splitsing.
11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Catsburg, voorzitter, en mr. L.M. Reijnierse en mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is uitgesproken op 16 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.