RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 januari 2021 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/1588
(gemachtigde: M.J.H. Buijs),
en
(gemachtigde: mr. M. Geleijnse).
Procesverloop
Bij besluit van 13 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de door de eigenaren aangevraagde splitsingsvergunning voor het pand aan de [adres] te [woonplaats] geweigerd.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 28 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarbij heeft eiseres verzocht om vergoeding van de schade die zij heeft geleden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Voorgeschiedenis
8. De rechtbank overweegt hierover dat het niet juist is dat de ABRvS de omgevingsvergunning die op 20 augustus 2015 aan [A] en [B] is verleend, heeft vernietigd. De rechtbank had het besluit op bezwaar tegen de verlening van de omgevingsvergunning bij uitspraak van 5 april 2017 vernietigd en daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De ABRvS heeft vervolgens de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand waren gelaten. De verleende vergunning zelf is echter op geen enkel moment in de procedure geschorst of herroepen door de rechtbank of de ABRvS. De juridische situatie op het moment dat verweerder het bestreden besluit nam, en ook op het moment van de zitting, was dat de verleende omgevingsvergunning nog van kracht was en dat verweerder weer op het bezwaar moet gaan beslissen. Dit betekent dat verweerder van deze omgevingsvergunning uit kon gaan voor het bepalen van het rechtens verkregen niveau. Dat aan eiseres in de bezwaarfase ook een omgevingsvergunning is verleend, maakt dit niet anders. Hetzelfde geldt voor het nummerbesluit dat verweerder heeft genomen.
9. Eiseres heeft verder aangevoerd dat met de splitsingsvergunning en de overdracht van de eerste bouwlaag ook een einde komt aan de huidige illegale situatie van de exploitatie van een fastfoodketen-restaurant zonder horecavergunning. Bij uitspraak van 10 januari 2019 (UTR 17/4679) heeft de rechtbank namelijk de door verweerder op 28 februari 2017 afgegeven omgevingsvergunning voor horecacategorie D2 in het pand vernietigd.
10. Hiervoor geldt hetzelfde als hiervoor is overwogen over de omgevingsvergunning die bij besluit van 20 augustus 2015 is verleend. De rechtbank heeft bij uitspraak van 10 januari 2019 niet de omgevingsvergunning vernietigd (of herroepen), maar het besluit op bezwaar tegen de verlening van deze vergunning. De rechtbank heeft verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Bovendien is de omstandigheid of door de verlening van de splitsingsvergunning al dan niet een einde komt aan een bestaande illegale situatie, niet relevant bij de beoordeling van een aanvraag om een splitsingsvergunning. Het is immers geen criterium waaraan getoetst moet worden.
11. Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat verweerder zijn bevoegdheid op grond van de Huisvestingsverordening heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Eiseres verwijst daarbij naar een passage uit een vonnis in kort geding tussen eiseres en [A] en [B] van 6 juni 2018, waarin de rechtbank overweegt dat er twijfels bestaan over de juistheid van het besluit tot weigering van de splitsingsvergunning. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder de splitsingsvergunning heeft geweigerd om andere redenen dan de Huisvestingsverordening daarvoor biedt. Verweerder heeft op de zitting ook bevestigd dat bijvoorbeeld de illegale kamerverhuur geen rol heeft gespeeld bij de weigering van de splitsingsvergunning.
12. Eiseres heeft niet bestreden dat de toestand van het gebouw zich uit het oogpunt van onderhoud verzet tegen splitsing. Bij uitspraak van vandaag op het beroep van [A] en [B] (hiervoor onder rechtsoverweging 2 genoemd) heeft de rechtbank ook geoordeeld dat verweerder zich terecht op dat standpunt heeft gesteld.
13. Het beroep is ongegrond.
14. Omdat het beroep ongegrond is, wijst de rechtbank het verzoek van eiseres om schadevergoeding af.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzitter, en mr. L.M. Reijnierse en mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is uitgesproken op 26 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.