proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
24 juni 2021 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. L. Bolier),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, verweerder
(gemachtigde: S.T. de Graaf en N. Zendedel).
Inleiding
Eiser heeft op 3 augustus 2016 een omgevingsvergunning gekregen voor het vervangen van een bestaande woning. Tijdens een controle na de voltooiing van deze woning heeft verweerder geconstateerd dat er teveel bebouwing op het perceel van eiser aan de [adres] te [woonplaats] staat.
In het besluit van 10 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd aan eiser. Verweerder heeft eiser gelast om het aantal bouwwerken terug te brengen naar maximaal 150 m². In het besluit van 20 januari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2021 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
15 juli 2013 van verweerder. In deze brief heeft verweerder, in reactie op het principeverzoek van eiser om een berging/stallingsruimte te mogen bouwen van 200 m², aan eiser te kennen gegeven dat verweerder positief staat tegenover een bijgebouw van maximaal 150 m².
7. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat er sprake is van uitlatingen en/of gedragingen die bij eiser redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van verweerder over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat er sprake is van een dergelijke toezegging. Eiser heeft een principeverzoek ingediend voor de bouw van een bijgebouw met een oppervlakte van 200 m². Uit de brief van verweerder van 15 juli 2013 blijkt voldoende dat verweerder slechts wil meewerken aan een bijgebouw van 150 m² en dat eiser daarvoor een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo, moet aanvragen om af te wijken van het bestemmingsplan. Uit artikel 22.2, onder k volgt namelijk dat de maximale oppervlakte voor bijgebouwen niet meer dan 50 m² mag bedragen. Niet in geschil is dat eiser een dergelijke omgevingsvergunning niet heeft aangevraagd. Uit de brief van 15 juli 2013 volgt verder niet dat verweerder uitdrukkelijk toezegt dat hij niet handhavend zal optreden als eiser toch besluit om het bijgebouw zonder omgevingsvergunning te gaan bouwen. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder naar eiser toe niet het vertrouwen heeft gewekt dat verweerder niet handhavend zal optreden tegen een teveel aan bijbehorende bouwwerken op het perceel van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Er is verder niet gebleken van bijzondere omstandigheden die het handhavend optreden onevenredig maken. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid de last onder dwangsom heeft kunnen opleggen.Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2021 door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. T.E.G. van Heukelom, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.