RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/793
(gemachtigde: mr. J.H. Kruseman),
en
(gemachtigde: mr. N. Zuidersma-Hovers).
Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft de SVB de aanvraag van [eiseres] om kinderbijslag op grond van de AKW afgewezen.
Bij besluit van 11 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft de SVB beslist dat [eiseres] vanaf het vierde kwartaal van 2020 kinderbijslag krijgt voor haar kinderen.
[eiseres] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De SVB heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2021, via een Skype-verbinding. [eiseres] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. [eiseres] heeft de Surinaamse nationaliteit. Haar minderjarige dochters [A] en [B] hebben de Nederlandse nationaliteit. [eiseres] heeft op 23 april 2020 een aanvraag ingediend bij de IND voor een verblijfsdocument EU/EER. Op 22 september 2020 heeft zij zich ingeschreven in de BRP. Bij besluit van 14 oktober 2020 heeft de IND het verblijfsrecht van [eiseres] erkend. Op 1 oktober 2020 heeft [eiseres] kinderbijslag gevraagd voor haar kinderen [A] en [B] .
2. De SVB heeft beslist dat [eiseres] vanaf 1 oktober 2020 kinderbijslag krijgt omdat zij vanaf deze datum kan worden aangemerkt als ingezetene van Nederland en dus verzekerd is voor de AKW. De SVB vindt dat [eiseres] vanaf 1 oktober 2020 ingezetene is omdat vanaf deze datum kan worden gezegd dat zij een duurzame persoonlijke band met Nederland heeft.
3. [eiseres] vindt dat de SVB een verkeerde invulling heeft gegeven aan het begrip ‘duurzame persoonlijke band met Nederland’. De SVB had moeten uitgaan van de criteria die de Belastingdienst gebruikt om de woonplaats te bepalen. Deze criteria zijn namelijk leidend volgens de Hoge Raad. Het hebben van een eigen woning en werk mogen geen criteria zijn.
4. De rechtbank geeft [eiseres] geen gelijk. De SVB moet namelijk beoordelen of er sprake is van een duurzame persoonlijke band met Nederland aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval. Het is met name van belang of degene die de kinderbijslag aanvraagt een zelfstandige woonruimte heeft in Nederland. Ook de duur van het verblijf in Nederland is een omstandigheid die van belang is bij de beoordeling van de band met Nederland. Verder kan ook de intentie die iemand heeft om zich definitief in Nederland te vestigen een rol spelen, maar deze omstandigheid is op zichzelf onvoldoende om iemand te kunnen aanmerken als een ingezetene van Nederland.
5. [eiseres] vindt dat zij al op 1 april 2020 een duurzame persoonlijke band met Nederland had. Zij is namelijk al in juni 2018 naar Nederland gekomen. Eind 2018 is zij weliswaar vertrokken, maar in april 2019 is zij teruggekeerd en gebleven. Zij is sindsdien bezig geweest om voorbereidende handelingen te verrichten om [A] en [B] in Nederland te kunnen laten opgroeien. Zo moest zij op 22 mei 2019 aanwezig zijn bij de erkenning van de kinderen door hun vader en moest zij op 17 oktober 2019 aanwezig zijn om hun paspoorten op te halen. [A] en [B] zijn op 29 maart 2020 naar Nederland gekomen en gaan hier naar school. [eiseres] heeft zich op 22 september 2020 ingeschreven in de BRP. Dat dit niet eerder is gelukt, komt door een fout van de gemeente en mag haar dus niet worden verweten.
6. De rechtbank geeft [eiseres] ook hier geen gelijk. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat [eiseres] al vóór 1 oktober 2020 ingezetene was van Nederland. Er was daarvoor namelijk nog geen sprake van een duurzame persoonlijke band met Nederland. [eiseres] heeft bij de aanvraag voor kinderbijslag in oktober 2020 aangegeven dat zij geen zelfstandige woonruimte heeft. Verder heeft [eiseres] weliswaar aannemelijk gemaakt dat zij vóór 23 april 2019 op momenten in Nederland heeft verbleven, maar zij heeft onvoldoende onderbouwd dat zij sindsdien ononderbroken in Nederland heeft verbleven. De SVB heeft groot gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat [eiseres] zich op 22 september 2020 heeft ingeschreven in de BRP, omdat vanaf deze datum kan worden vastgesteld waar en met wie zij woont. [eiseres] heeft gesteld dat zij zich door een fout van de gemeente niet eerder heeft kunnen inschrijven, maar zij heeft deze stelling niet onderbouwd. Uit het dossier kan namelijk alleen worden opgemaakt dat zij op 7 september 2020 een poging tot inschrijving in de BRP heeft gedaan. Niet is gebleken dat [eiseres] daarvóór al heeft geprobeerd om zich in te schrijven in de BRP. Het aanvragen van een EU-verblijfsdocument, het verrichten van voorbereidende handelingen in verband met deze aanvraag en het feit dat sprake is van schoolgaande kinderen wil, in het licht van bovengenoemde omstandigheden, nog niet zeggen dat [eiseres] daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat zij vóór 1 oktober 2020 een duurzame persoonlijke band met Nederland had.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier. De beslissing is uitgesproken op 7 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.