ECLI:NL:RBMNE:2021:3299

ECLI:NL:RBMNE:2021:3299, Rechtbank Midden-Nederland, 20-07-2021, UTR 21/403

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 20-07-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer UTR 21/403
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 2 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0005289 BWBR0005291 BWBR0006358

Samenvatting

Weigering omgevingsvergunning ter legalisering van vier bestaande recreatiewoningen op recreatiepark in Soest. Beroep gegrond, college heeft niet de juiste procedure gevolgd. De recreatiewoningen zijn geen bijbehorend bouwwerken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2021 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

Inleiding

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 21/403

(gemachtigde: mr. M. Gideonse),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest (het college), verweerder

(gemachtigden: mr. P. Dijkstra en mr. B.W.B.M. van den Bosch).

Eiser is sinds 2015 eigenaar van het verblijfsrecreatieterrein aan de [adres] in [vestigingsplaats] . [bedrijf] B.V. was exploitant van het terrein maar is op

22 december 2020 gefailleerd.

Eiser en het college verschillen van mening over de (gebruiks)mogelijkheden van het terrein en zijn om die reden in een aantal procedures verwikkeld.

Deze zaak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning voor vier bestaande recreatiewoningen binnen de bestemming Bos-Bostuin. Voor deze vier woningen heeft het college eerder een last onder dwangsom opgelegd en vervolgens een last onder bestuursdwang. Daarover heeft deze rechtbank al uitspraak gedaan. Het verzoek om voorlopige voorziening dat eiser over de weigering van de omgevingsvergunning heeft ingediend, heeft de rechtbank afgewezen.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2020 heeft verweerder eisers aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een planologische gebruikswijziging voor vier bestaande recreatiewoningen binnen de bestemming “Bos-Bostuin” op het perceel [adres] in [vestigingsplaats] geweigerd.

Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft hij een beroep niet tijdig beslissen bij de rechtbank ingediend omdat het college niet tijdig op zijn bezwaarschrift heeft beslist.

Bij besluit van 9 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft het college alsnog een beslissing genomen en eisers bezwaar ongegrond verklaard. Omdat eiser het niet eens is met de uitkomst van de bezwaarprocedure, is een beroep van rechtswege ontstaan tegen dit besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2021 op zitting behandeld. Eiser was zelf aanwezig samen met zijn gemachtigde. Namens het college waren zijn gemachtigden aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank komt over het beroep niet tijdig beslissen tot de conclusie dat het beroep

niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van procesbelang. Over het inhoudelijke beroep luidt de conclusie dat het college ten onrechte de reguliere procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) heeft gevolgd en het beroep dus gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit herroepen. Dat betekent dat het college opnieuw moet beslissen op de aanvraag van eiser.

2. De rechtbank zal hieronder uitleggen hoe zij tot haar oordeel is gekomen.

Het beroep niet tijdig beslissen

3. Het college heeft inmiddels wel een besluit genomen op eisers bezwaarschrift. Omdat

eiser het beroep niet tijdig beslissen niet heeft ingetrokken, moet de rechtbank daarover nog wel een beslissing nemen.

4. Dit beroep is om de volgende reden niet-ontvankelijk. Eiser wilde met zijn beroep

bereiken dat het college alsnog zou beslissen op zijn bezwaar. Dat heeft het college

inmiddels gedaan en dus heeft eiser bereikt wat hij wilde. Daarom heeft hij geen procesbelang meer bij zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

Het beroep tegen de geweigerde omgevingsvergunning

5. Inhoudelijk verschillen eiser en het college van mening over de vraag welke procedure

voor de beoordeling van de aanvraag gevolgd had moeten worden: de reguliere of de uitgebreide voorbereidingsprocedure uit de Wabo.

6. Eiser voert aan dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure uit de Wabo van toepassing

is, omdat de aanvraag niet vergund (en dus ook niet geweigerd) kan worden op grond van artikel 4 van bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De recreatiewoningen kunnen volgens eiser namelijk niet worden aangemerkt als bijbehorende bouwwerken. Het college was dus niet bevoegd de aanvraag conform de reguliere procedure af te handelen.

7. Het college vindt, in afwijking van het advies van de bezwarencommissie, dat hij

wel bevoegd was om de aanvraag te beoordelen aan de hand van artikel 4, eerste lid, van bijlage 2 van het Bor. De recreatiewoningen kunnen volgens het college worden aangemerkt als bijbehorend bouwwerken. Gelet op de opzet en samenhang van het terrein zijn de huisjes bijbehorende bouwwerken bij het grootste gebouw op het perceel. Volgens het college gaat het om één perceel in de zin van het omgevingsrecht, omdat het terrein als één geheel wordt beheerd, onderhouden en voor tijdelijke verhuur aangeboden door één partij.

Toepasselijk recht

8. Op grond van artikel 4 van bijlage 2 van het Bor komen voor verlening van een

omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking:

1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

b. de oppervlakte niet meer dan 150 m².

9. Volgens de definitiebepalingen van het bestemmingsplan Landelijk Gebied wordt onder

‘bijbehorend bouwwerk’ verstaan: uitbreiding van een hoofdgebouw, dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

Onder ‘hoofdgebouw’ wordt verstaan: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

Deze definities zijn hetzelfde als de in het Bor gebruikte definities van bijbehorend bouwwerk en hoofdgebouw.

10. De beroepsgrond van eiser slaagt. In de begripsomschrijving is expliciet opgenomen dat

een bijbehorend bouwwerk altijd moet worden gebouwd bij een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw. Zonder hoofdgebouw kan er op het perceel dus ook geen sprake zijn van een bijbehorend bouwwerk. De rechtbank is van oordeel dat er op het perceel/verblijfsrecreatieterrein geen hoofdgebouw aanwezig is. Weliswaar heeft het college gewezen op het receptiegebouw maar dat gebouw is niet noodzakelijk voor de verwezenlijking van de (al dan niet toekomstige) bestemming. Dat geldt zeker voor de bestemming ‘Bos-Bostuin’, waarop (delen van) de recreatiewoningen staan maar ook voor de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie - Jachthuis’. Ook voor een invulling van deze bestemming is een receptiegebouw immers niet noodzakelijk, wat eveneens naar voren komt in de bestemmingsomschrijving. Zonder hoofdgebouw kunnen er ook geen bijbehorende bouwwerken zijn. De vraag of de recreatiewoningen als hoofdgebouw(en) kunnen worden aangemerkt is daarvoor niet relevant. Dat betekent dat toepassing van artikel 4, eerste lid, van bijlage 2 van het Bor niet mogelijk is voor de recreatiewoningen.

11. Gelet op de discussie tussen partijen voegt de rechtbank aan de vorige overweging toe

dat, ook in het geval het receptiegebouw wel als hoofdgebouw zou moeten worden aangemerkt, dit nog steeds niet betekent dat de recreatiewoningen voldoen aan de definitie van bijbehorende bouwwerken. Een functionele verbondenheid met dit hoofdgebouw ontbreekt immers, nu eiser onweersproken heeft gesteld dat een deel van de recreatiewoningen zonder gebruikmaking van (de diensten van) het receptiegebouw wordt gebruikt.

Conclusie

12. Het college heeft de verkeerde procedure toegepast en moet een nieuwe beslissing op de

aanvraag nemen. Dat betekent ook dat de rechtbank niet meer toekomt aan de bespreking van de overige beroepsgronden.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Gelet op de aard van het gebrek zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit herroepen.

Hoe nu verder?

13. Het college moet, nu het bestreden besluit wordt vernietigd en het primaire besluit

herroepen, opnieuw op de aanvraag om een omgevingsvergunning van eiser beslissen. Het weigeren van medewerking aan dit bouwplan kan alleen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°, van de Wabo. De beslissing op de aanvraag moet dus worden voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure uit de Wabo. Het college kan de procedure opnieuw starten met het ter inzage leggen van een ontwerpbesluit, waarbij moet worden bepaald of de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen moet verlenen.

Proceskosten en griffierecht

14. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij

heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 4 punten op (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting). Ieder punt heeft een waarde van € 748,- bij een wegingsfactor 1 zodat in totaal € 2.992,- wordt toegekend. De rechtbank bepaalt ook dat het college het door eiser betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

- verklaart het inhoudelijke beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 9 maart 2021;

- herroept het primaire besluit van 5 juni 2020;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden

- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.H.L. Debets, griffier. De beslissing is uitgesproken op 20 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. V.E.H.G. Visser

Griffier

  • mr. M.H.L. Debets

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?