RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2021in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/1816
(gemachtigde: mr. G.A.H.M. Steenbakkers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder
(gemachtigde: R.W. van Manen).
Procesverloop
In het besluit van 16 december 2020 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om woningurgentie afgewezen.
In het besluit van 5 maart 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was als toehoorder aanwezig [A] , werkzaam bij verweerder.
Overwegingen
Inleiding
13. De rechtbank begrijpt de wens van eiser om te verhuizen, maar ziet ook het probleem van verweerder: in de regio Gooi- en Vechtstreek komen jaarlijks maar tussen de 1000 en 1500 woningen vrij, terwijl er 30.000 mensen als woningzoekende zijn ingeschreven. Dat maakt dat een urgentieverklaring echt maar bij hoge uitzondering kan worden afgegeven en eisers situatie, hoe moeilijk die voor hemzelf ook is, is dus niet zo’n situatie die deze hoge uitzondering rechtvaardigt.
13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechter is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr.M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is uitgesproken op 15 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.