RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2021 in de zaak tussen
de Minister voor Rechtsbescherming, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1571
[eiseres] , te [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. C.E. Hok-A-Hin),
en
(gemachtigde: mr. C.M.A.V. van Kleef).
Procesverloop
In het besluit van 26 november 2019 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor de functie van pedagogisch medewerker bij [bedrijf] te [woonplaats] afgewezen.
In het besluit van 5 maart 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2020 via een Skypebeeldverbinding. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. F.A. van Katwijk, als waarnemer van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Inleiding
6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de strafbare feiten waarover het gaat, bij herhaling een belemmering vormen voor de behoorlijke uitoefening van de functie van pedagogisch medewerker. Het gaat er bij toepassing van het objectieve criterium om of er sprake zou zijn van een risico wanneer deze feiten of soortgelijke strafbare feiten tijdens de uitoefening van deze functie herhaald zouden worden. In deze zaak gaat het dus niet specifiek om het risico bij herhaling van een winkeldiefstal of openlijke geweldpleging, maar ruimer gezien, om het risico bij herhaling van een vermogens- of geweldsdelict. Daarbij heeft verweerder niet relevant hoeven vinden dat eiseres niet op één op één contact heeft met kinderen, omdat zij doorgaans met iemand anders samen op de groep staat. De vraag of eiseres daadwerkelijk in de gelegenheid zal zijn een bepaald feit te herhalen, maakt namelijk geen onderdeel uit van deze objectieve toetsing.
7. Verweerder heeft mogen stellen dat deze delicten een belemmering vormen voor de behoorlijke uitoefening van de functie van pedagogisch medewerker. Hierbij heeft verweerder het belangrijk mogen vinden dat de strafbare feiten eiseres door de strafrechter niet licht zijn aangerekend. Verweerder heeft verder belang mogen hechten aan de omstandigheid dat eiseres als pedagogisch medewerker toegang heeft tot persoonlijke eigendommen van derden, zoals die van de minderjarigen, ouders of van de werkgever. Verweerder heeft er ook op kunnen wijzen dat een pedagogisch medewerker een voorbeeldfunctie heeft omdat het werk ook opvoedkundig van aard is. Dat eiseres alleen op met baby’s zou werken, zoals in het beroepschrift is betoogd, is tijdens de zitting onjuist gebleken: haar werk bestaat juist uit de opvang van kinderen van 7 tot 12 jaar. Zij heeft voor die kinderen een voorbeeldfunctie.
8. Wat eiseres in de kern stelt is dat de feiten waarvoor zij is veroordeeld, niet van invloed kunnen zijn op haar werk op een kinderdagverblijf. Dit volgt de rechtbank niet en zij verwijst daarvoor naar de uitspraak van de ABRvS van 20 maart 2019, waarin een vergelijkbaar betoog ook niet slaagde. Eiseres is in haar functie van pedagogisch medewerker verantwoordelijk voor minderjarigen en dat is een kwetsbare groep. Verweerder heeft zich op standpunt kunnen stellen dat diefstal en geweldpleging niet samengaan met zo’n functie. Hierbij gaat het niet alleen om de kinderen, maar ook om anderen, zoals collega’s en ouders.
9. Aan het objectieve criterium is dan ook voldaan en verweerder heeft dat voldoende gemotiveerd.Over het subjectieve criterium
10. Eiseres is het ook niet eens met verweerders beoordeling van alle feiten en omstandigheden en vindt dat verweerder de belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd. Ten onrechte heeft verweerder volgens haar een onherroepelijke veroordeling van bijna 10 jaar gelden bij zijn belangenafweging betrokken. Eiseres was toen minderjarig. Zij is in tien jaar tijd niet in aanraking geweest met de politie en dat wijst op een laag recidivegevaar. Dit moet volgens eiseres in haar voordeel worden meegewogen. Er zit anderhalf jaar tussen het nu gepleegde feit en de niet-onherroepelijke uitspraak van de politierechter. Verweerder had moeten motiveren waarom het recidivegevaar desondanks niet is afgenomen. Eiseres heeft veel spijt van de diefstal en heeft haar eigen gedrag ook willen corrigeren door de gestolen spullen terug te brengen naar de winkel. Verweerder had de omstandigheden van het geval wél in aanmerking moeten nemen, omdat haar situatie is aan te merken als een twijfelgeval. Ook aan het verschil tussen een winkeldiefstal en een diefstal in dienstbetrekking heeft verweerder geen enkel gewicht toegekend. Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de belangen van eiseres. De gevolgen voor haar zijn erg groot. Zij heeft haar functie altijd met plezier uitgevoerd en was geliefd bij iedereen. Zij heeft groot belang bij afgifte van de VOG en mist het werk enorm.
11. De rechtbank geeft eiseres ook hierin geen gelijk. Verweerder gaat, ondanks dat voldaan is aan het hiervoor besproken objectieve criterium, toch over tot verstrekking van de VOG als het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het vastgestelde risico voor de samenleving. Verweerder heeft hierbij beoordelingsruimte en de rechtbank toetst het besluit van verweerder dan ook terughoudend. In de belangenafweging wordt in ieder geval rekening gehouden met de manier van afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.
12. Verweerder heeft, zo blijkt uit het bestreden besluit, gekeken naar de datum waarop eiseres voor het laatst met justitie in aanraking is geweest, namelijk 12 september 2019, de datum van het vonnis in eerste aanleg. Tussen dat moment en het bestreden besluit zit maar vier maanden. Ook op dit moment is nog geen sprake van groot tijdsverloop. Verweerder heeft het tijdsverloop op het moment van het bestreden besluit bezien in het licht van de terugkijktermijn van vier jaren. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het risico voor de samenleving nog niet voldoende is afgenomen om een VOG te rechtvaardigen. Verweerder heeft ook de overige omstandigheden bij de beoordeling betrokken, zoals het gegeven dat de werkgever eiseres een vast contract wilde aanbieden en dat het ontbreken van een VOG grote gevolgen voor haar heeft. De rechtbank oordeelt dat verweerder tot deze afweging en uitkomst heeft kunnen komen.
13. Alhoewel de rechtbank begrijpt dat het voor eiseres belangrijk is om een VOG te krijgen om aan haar toekomst te kunnen werken en een negatieve uitkomst van deze procedure voor haar grote gevolgen heeft, vindt zij toch dat verweerder het belang van de samenleving hier belangrijker heeft mogen vinden. Verweerder heeft dit ook voldoende uitgelegd. Hij heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat hier geen sprake is van een twijfelgeval, omdat het laatste contact dat eiseres met justitie heeft gehad nog niet zo lang geleden is geweest. Daarom heeft verweerder ook niet hoeven kijken naar de omstandigheden van het geval. Hij heeft dus ook geen rekening hoeven houden met de omstandigheid dat eiseres spijt heeft gehad van de diefstal en zelf de gestolen spullen heeft teruggebracht naar de eigenaar. Ook heeft hij zich niet hoeven verdiepen in de omstandigheden rond de geweldpleging en het risico op recidive hoeven te beoordelen. Dit zijn omstandigheden die in de strafzaak een rol spelen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
14. Het beroep is ongegrond. Omdat eiseres geen gelijk krijgt, heeft zij ook geen recht op vergoeding van de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is uitgesproken op 29 januari 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.