uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.M. Breukers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: J. Hillenaar).
Inleiding
Met het besluit van 11 januari 2018 heeft het college eiser gemaand om diverse overtredingen voor zijn pand aan de [adres] in [woonplaats] ongedaan te maken onder last van diverse dwangsommen met een totaal van € 12.500,-. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Vanwege het uitblijven van een beslissing op bezwaar heeft eiser het college met de brief van 24 januari 2020 in gebreke gesteld. Vervolgens heeft eiser bij deze rechtbank beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar.
Met de uitspraak van 18 maart 2021 heeft de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard en het college opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een beslissing op bezwaar te nemen op last van een dwangsom van € 100,- per dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Ten aanzien van de door eiser ingediende ingebrekestelling heeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde dwangsom vastgesteld op € 1.442,-.
Omdat het college binnen deze termijn geen beslissing op bezwaar heeft genomen heeft eiser opnieuw beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep van eiser is behandeld op de zitting van 23 augustus 2021. Dit beroep van eiser is op de zitting behandeld gelijktijdig behandeld met de beroepen van eiser in de zaaknummers UTR 21/2753, UTR 21/2754, UTR 21/2066, UTR 21/2556, UTR 21/2611 en UTR 21/2008. Eiser is bij de behandeling van deze beroepen verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gemachtigde van het college is niet verschenen.
Het geschil
2. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn van twee weken zoals bepaald bij de uitspraak van deze rechtbank van 18 maart 2021 inmiddels is verstreken. Partijen zijn het oneens over de vraag of het beroep van eiser in deze zaak kan worden toegewezen omdat op het moment van het indienen van het beroep de dwangsommen die zijn opgelegd met de uitspraak van 18 maart 2021 nog niet volledig zijn volgelopen. Volgens eiser kan ook een ontvankelijk beroep worden ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een besluit indien de dwangsom ten tijde van het instellen van het beroep nog niet volledig is volgelopen. Zonder die mogelijkheid ontstaat er onmiskenbaar een periode waarin er voor het college geen (financiële) prikkel is om een besluit te nemen. Dat is volgens eiser niet de bedoeling van de wetgever.
3. Het college voert aan dat het beroep van eiser is ingediend ruimschoots voordat de dwangsommen die volgen uit de uitspraak van 18 maart 2021 volledig zijn volgelopen. Volgens het college is het beroep van eiser daarom prematuur en moet het beroep kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank stelt vast dat de dwangsom die is opgelegd met de uitspraak van 21 april 2021 ten tijde van indiening van het beroepschrift nog niet volledig was volgelopen. Gelet hierop kon eiser door het instellen van beroep redelijkerwijs niet in een gunstigere positie komen. Daarom is dit beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college, niet ontvankelijk.
4. De rechtbank volgt bij haar oordeel de (interne) beleidslijn van 25 maart 2020 van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB). De rechtbank ziet geen reden om daarvan af te wijken. Daarbij is van belang dat deze beleidslijn is vastgesteld met het oog op de rechtseenheid. Voorheen oordeelden de rechtbanken in het land daar namelijk verschillend over, hetgeen onwenselijk werd geacht.
5. De uitspraak van de rechtbank Den Haag waarnaar eiser verwijst, leidt niet tot een ander oordeel. Uit deze uitspraak volgt dat als een belanghebbende beroep instelt in verband met het niet tijdig nemen van een besluit en een eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is volgelopen, dit beroep alleen inhoudelijk kan worden beoordeeld als sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden of als een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan. In de uitspraak van de rechtbank Den Haag was sprake van een nieuw feit omdat het bestuursorgaan inmiddels expliciet had geweigerd om een besluit te nemen. Daarvan is in deze zaak geen sprake. In zijn verweerschrift van 12 juli 2021 heeft het college toegelicht dat hij verwacht binnen drie maanden een beslissing te nemen op het bezwaarschrift van eiser. Eiser heeft ook niet gewezen op andere nieuwe feiten of omstandigheden die in dit geval zouden moeten leiden tot het opleggen van een nieuwe dwangsom terwijl de eerder opgelegde dwangsom nog niet is volgelopen.
6. Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier. De beslissing is uitgesproken op 27 oktober 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.